COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[naam 1] B.V.,
de Autoriteit Consument en Markt
uitspraak
zaaknummer: 25/447
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 september 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam 2] B.V. en
[naam 3] , allen te [vestigingsplaats] (samen: [naam 4] )
(gemachtigde: mr. dr. J.J.M. Sluijs)
en
(gemachtigden: mr. L.H. Partiman en mr. J.M. Meindertsma)
Procesverloop
Met het besluit van 28 april 2025 (het betalingsbesluit) heeft de ACM het besluit tot uitstel van betaling van 29 april 2024 ingetrokken en bepaald dat [naam 4] het resterende boetebedrag per 1 juni 2025 moet voldoen.
[naam 4] heeft hiertegen beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht om het betalingsbesluit te schorsen of te herzien.
De ACM heeft een verweerschrift ingediend. Beide partijen hebben aanvullende stukken ingediend.
De zitting was op 15 augustus 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen, namens [naam 4] : mr. [naam 5] en [naam 6] , vergezeld door de gemachtigde van [naam 4] , en namens de ACM: haar gemachtigden.
Tijdens de zitting is besproken dat partijen de mogelijkheid nader zullen verkennen om onderling een regeling te treffen. Met de berichten van 26 en 27 augustus 2025 hebben partijen te kennen gegeven dat dit uiteindelijk niet is gelukt en hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om uitspraak te doen.
Overwegingen
Achtergrond van het geschil
Met het besluit van 22 december 2022 (boetebesluit) heeft de ACM onder meer aan [naam 4] twee boetes opgelegd van in totaal € 10.220.000,- wegens overtreding van het kartelverbod. Met de beslissing op bezwaar van 27 oktober 2023 is de boete met 10% gematigd. Daarmee kwam het totale boetebedrag voor [naam 4] op € [bedrag 1] ,-. [naam 4] diende de boetes binnen 24 weken vanaf de dag na die waarop het boetebesluit bekend is gemaakt te betalen.
[naam 4] heeft verzocht om uitstel van betaling. Met het besluit van 22 juni 2023 heeft de ACM uitstel van betaling verleend in de vorm van een betalingsregeling. Met de beslissing op bezwaar van 30 oktober 2023 heeft de ACM de betalingsregeling gewijzigd.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft met de uitspraak van 9 februari 2024 een voorlopige voorziening getroffen in de vorm van een nadere betalingsregeling. De voorzieningenrechter heeft daarbij het voorlopig te innen totale boetebedrag verlaagd naar € [bedrag 2] ,- (plus de wettelijke rente over dit bedrag).
[naam 4] heeft hierna opnieuw om uitstel van betaling verzocht. Met het besluit van 29 april 2024 heeft de ACM de volgende betalingsregeling vastgesteld:
[naam 4] betaalt voor 1 juli 2024 € [bedrag 3] ,- (plus wettelijke rente); en
[naam 4] betaalt vanaf 2025 jaarlijks € [bedrag 4] ,- (plus wettelijke rente) voor 1 juli van elk jaar.
Op 8 januari 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:283) heeft de rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan over het boetebesluit. De rechtbank heeft de boetes voor [naam 4] gematigd tot een bedrag van in totaal € [bedrag 5] ,-. De rechtbank oordeelde dat de ACM de financiële positie van de moederentiteiten van [naam 4] – [naam 7] B.V. ( [naam 7] ) en [naam 8] B.V. ( [naam 8] ) – mocht betrekken bij de beoordeling van de draagkracht van [naam 4] .
De ACM heeft naar aanleiding hiervan aan [naam 4] meegedeeld dat zij niet langer een reden ziet om de invordering van de boetes aan te houden en heeft [naam 4] in de gelegenheid gesteld om een voorstel voor een betalingsregeling in te dienen als zij de boetes niet in een keer kan betalen. [naam 4] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Volgens de ACM ontbreken er bij het voorstel van [naam 4] relevante financiële stukken en blijkt uit de wel aangeleverde gegevens juist dat [naam 4] samen met de moederentiteiten voldoende vermogen heeft om de boetes te betalen. De ACM heeft daarom met het betalingsbesluit van 28 april 2025 de betalingsregeling van 29 april 2024 ingetrokken en [naam 4] opgedragen het – na betaling van een deel van de boetes – resterende boetebedrag van € 7.232.838,38 (inclusief wettelijke rente) per 1 juni 2025 te voldoen.
[naam 4] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 8 januari 2025 over het boetebesluit. Dit hoger beroep heeft op grond van artikel 4:125 van de Awb mede betrekking op het betalingsbesluit, nu [naam 4] dit besluit heeft betwist.
Het verzoek om een voorlopige voorziening
2 [naam 4] voert aan dat zij nog niet over definitieve jaarcijfers van 2024 beschikte en daarom bij haar verzoek om een betalingsregeling alleen conceptcijfers aan de ACM kon overleggen. Deze conceptcijfers geven een betrouwbaar beeld van de financiële positie van [naam 4] en zijn nog ongunstiger dan de eerder aan de ACM verstrekte cijfers op basis waarvan op 29 april 2024 een betalingsregeling is getroffen. Dat volgens de rechtbank het vermogen van [naam 7] en [naam 8] kan worden betrokken bij het bepalen van de draagkracht van [naam 4] , laat volgens [naam 4] onverlet dat een betalingsregeling noodzakelijk kan zijn als [naam 7] en [naam 8] niet willen bijspringen bij het betalen van de boetes. De ACM heeft geen titel om de boetes bij [naam 7] en/of [naam 8] in te vorderen. [naam 7] en [naam 8] zijn niet bereid [naam 4] te helpen de boetes te voldoen en zonder hun hulp is [naam 4] niet in staat de boetes in hun geheel per 1 juni 2025 te betalen. Om te voorkomen dat het in een keer invorderen van het resterende boetebedrag zal leiden tot een faillissement van [naam 4] is een betalingsregeling noodzakelijk, waarbij de uitgangspunten van de in het besluit van 29 april 2024 getroffen betalingsregeling worden gerespecteerd en voortgezet.
Het standpunt van de ACM
3 De ACM stelt zich op het standpunt dat zij de financiële positie van de moederentiteiten mag betrekken bij de beoordeling van de draagkracht van [naam 4] . [naam 4] is volgens de ACM een winstgevende, vermogende en groeiende onderneming, die de boetes kan voldoen met additioneel krediet of het te gelde maken van activa. Als de moederentiteiten niet willen bijdragen, is dat een bewuste keuze. Het neemt volgens de ACM niet weg dat de financiële mogelijkheid bestaat de boetes te voldoen.
De beoordeling door de voorzieningenrechter
Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met artikel 8:108 van de Awb, kan, indien hoger beroep is ingesteld bij het College, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [naam 4] betoogt dat een betalingsregeling noodzakelijk is om discontinuïteit van haar onderneming te voorkomen. Hierin acht de voorzieningenrechter op zichzelf een spoedeisend belang aanwezig.
De overwegingen en het oordeel van de voorzieningenrechter zijn niet bindend voor de hoofdzaak.
De rechtbank heeft in de uitspraak van 8 januari 2025 geoordeeld dat de ACM in het kader van een beroep op matiging van de boetes wegens beperkte draagkracht de financiële positie van [naam 7] en [naam 8] mag betrekken bij de beoordeling van de draagkracht van [naam 4] . Dit punt ligt in deze voorzieningenprocedure niet direct ter beoordeling voor. Het gaat hier alleen over afwijzing van het verzoek van [naam 4] om voortzetting van de tot de uitspraak van de rechtbank gehanteerde regeling voor de betaling van de boetes (betalingsregeling). De ACM kan bij de beslissing over een betalingsregeling en daarmee over uitstel van betaling ook andere aspecten betrekken dan die zij in aanmerking heeft genomen bij de beslissing over de matiging van de boetes wegens beperkte draagkracht. Volgens het verweer in deze zaak weegt de ACM bij een verzoek om uitstel van betaling de volgende aspecten mee: de solvabiliteit, de liquiditeit, omzet- en resultaatontwikkelingen, voorzieningen en eventuele dividenduitkeringen, (kasstroom)prognoses, lopende kredietfaciliteiten, de belangen van de aandeelhouder(s) en eventuele andere bijzondere omstandigheden. In dit geval heeft de ACM ook de financiële positie van de moederentiteiten meegewogen. Deze moederentiteiten – als gezegd: [naam 7] en [naam 8] – houden elk 50% van de certificaten van de aandelen in [naam 2] B.V. De aandelen zelf berusten bij de [naam 3] . [naam 2] B.V. is 100% eigenaar van [naam 4] .
De voorzieningenrechter ziet voorshands geen reden om wat betreft de mogelijkheid om ook in het kader van het treffen van een betalingsregeling rekening te houden met de financiële positie van [naam 7] en [naam 8] anders tegen de zaken aan te kijken dan de ACM en de rechtbank in het kader van de beoordeling van het beroep op beperkte draagkracht bij de vaststelling van de boetes. In het geval daarbij de mate van organisatorische, juridische en economische verwevenheid van doorslaggevend belang zou zijn, is die naar het oordeel van de voorzieningenrechter zodanig dat het in aanmerking nemen van de financiële positie van [naam 7] en [naam 8] ook hier gerechtvaardigd is. Omdat [naam 4] geen stukken heeft overgelegd over de financiële positie van [naam 7] en [naam 8] en er geen aanleiding is om te veronderstellen dat dit anders ligt, gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat [naam 7] en [naam 8] op zichzelf in staat zouden zijn de boetes ineens en geheel te voldoen. Ter zitting is echter duidelijk geworden dat [naam 7] en [naam 8] weliswaar een financieel belang hebben bij het laten voortbestaan van [naam 4] , maar dat zij niet bereid zijn om bij te springen bij het betalen van de boetes. Uiteindelijk heeft dit ertoe geleid dat een minnelijke regeling tussen partijen niet tot stand is gekomen. Voorshands valt niet in te zien dat de ACM [naam 7] en [naam 8] tot betaling zou kunnen dwingen, terwijl er evenmin een aanwijzing is dat [naam 4] dit zou kunnen afdwingen. Het in een keer invorderen van de boetes zou dus kunnen leiden tot een faillissement van [naam 4] of tot nadelige gevolgen voor een eventuele verkoop van [naam 4] , waarover ter zitting ook is gesproken. Blijkens het verzoek om voorlopige voorziening zijn de uitgangspunten uit de betalingsregeling van 29 april 2024 voor [naam 4] haalbaar. Uit de overgelegde stukken valt niet af te leiden dat [naam 4] zelf een grotere financiële inspanning kan leveren. Met het voorzetten van de betalingsregeling van 29 april 2024 kan dus worden voorkomen dat onomkeerbare gevolgen zoals een faillissement van [naam 4] intreden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt dit belang zwaarder dan het belang van de ACM bij het in een keer invorderen van het resterende boetebedrag. Hierbij heeft de voorzieningenrechter betrokken dat het hoger beroep van [naam 4] tegen de uitspraak van de rechtbank over het boetebesluit naar verwachting in het tweede kwartaal van 2026 zal worden behandeld, waarna volgens verwachting duidelijkheid zal bestaan over de rechtmatigheid van het boetebesluit en het betalingsbesluit.
Gelet op het vorenstaande zal de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening treffen dat het betalingsbesluit wordt geschorst en bepalen dat de op 29 april 2024 tussen partijen getroffen betalingsregeling wordt voortgezet. Omdat de vervaldatum van de tweede termijn van die betalingsregeling (1 juli 2025) inmiddels is verstreken, zal de voorzieningenrechter de vervaldatum van die termijn vaststellen op 15 oktober 2025. Voor de volgende termijnen blijft de vervaldatum telkens 1 juli van het desbetreffende jaar. [naam 4] dient dus te betalen:
voor 15 oktober 2025 € [bedrag 4] ,- (plus de wettelijke rente) en vervolgens
vanaf 2026 jaarlijks telkens € [bedrag 4] ,- (plus de wettelijke rente) voor 1 juli van elk jaar, totdat de boetes (plus de wettelijke rente) geheel zijn voldaan.
Deze betalingsregeling vervalt als uitspraak wordt gedaan in de bodemzaak, tenzij in die uitspraak anders wordt bepaald.
De voorzieningenrechter veroordeelt de ACM in de door [naam 4] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- schorst het betalingsbesluit en bepaalt bij wijze van betalingsregeling dat [naam 4] voor 15 oktober 2025 € [bedrag 4] ,- (plus de wettelijke rente) betaalt en vanaf 2026 jaarlijks telkens € [bedrag 4] ,- (plus wettelijke rente) voor 1 juli van elk jaar, totdat de boetes (plus de wettelijke rente) geheel zijn voldaan;
- draagt de ACM op het betaalde griffierecht van € 385,- aan [naam 4] te vergoeden;
- veroordeelt de ACM in de proceskosten van [naam 4] tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, in aanwezigheid van mr. D. de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 september 2025.
w.g. J.L.W. Aerts w.g. D. de Vries
Afschrift verzonden aan partijen op: