COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 25/799 en 25/800
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2026
Voorzitter: mr. D. Brugman
Griffier: N.J. Vlug
Partijen
[naam 1] , te [vestigingsplaats] (onderneming), waarvoor aanwezig is [naam 2]
en
de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. S. Piron
Beslissing
Het College verklaart de beroepen ongegrond.
Overwegingen
1. Op 27 december 2024 heeft de onderneming een herzieningsverzoek ingediend. Hij vroeg de minister om zijn aanvragen opnieuw te bekijken. Uit dat verzoek is niet af te leiden dat hij wilde dat de minister over alle relevante kwartalen zou bezien of er aanleiding was om de onderneming alsnog subsidie toe te kennen. Daarom heeft de minister het verzoek terecht zo opgevat dat het ertoe strekte de twee besluiten over Q1 en Q2 van 2022 te herzien. Omdat er geen sprake was van nieuwe feiten en omstandigheden en deze besluiten ook niet evident onredelijk waren, is de minister terecht niet overgegaan tot herziening van deze twee besluiten. Op de zitting heeft de onderneming bevestigd dat deze twee besluiten ook wel kloppen.
2 Op de zitting is duidelijk geworden dat de onderneming een integrale herbeoordeling wenste van zijn recht op coronasteun over alle relevante tijdvakken, waarbij dan maatwerk zou moeten worden toegepast, zoals bedoeld in de brief van minister Keijzer aan de Tweede Kamer van 26 februari 2021 (Kamerstuknr. 35420, nr. 233). Daargelaten dat niet uit het verzoek van de onderneming blijkt dat hij een dergelijke integrale maatwerkbeoordeling wenste, geldt dat de minister een dergelijk verzoek niet zou kunnen hebben honoreren. Daarbij is onder meer van belang dat de uitzondering op het verbod om staatsteun te verlenen inmiddels niet meer gold en dat de loketten inmiddels al enige tijd dicht waren. De kamerbrief was ten tijde van dat verzoek ook al geruime tijd geleden verstuurd. De onderneming had eerder in actie moeten komen en duidelijker moeten vragen om steun over alle kwartalen.
3 De conclusie is dat de minister zorgvuldig heeft gehandeld bij de afhandeling van het verzoek. De minister hoefde niet naar de andere kwartalen te kijken en een integrale maatwerkbeoordeling te doen.
4 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g D. Brugman w.g. N.J. Vlug