COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/778
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 28 september 2026
Rechters: mr. B. Bastein
mr. R.W.L. Koopmans
mr. M.J. Jacobs
Griffier: N.J. Vlug
Partijen
[naam 1] , te [vestigingsplaats] (zeevisserijbedrijf), waarvoor aanwezig zijn [naam 2] en mr. R. Oosterveer
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, vertegenwoordigd door mr. M.J.H. van der Burgt
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Het zeevisserijbedrijf heeft voor het vissersvaartuig [scheepsnaam] een subsidie aangevraagd op grond van de Tijdelijke subsidieregeling vermindering gevolgen Brexit voor de visserij (Regeling), titel 2.2., Ondersteuning tijdelijk stopzetten van visserijactiviteiten.
2. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het zeevisserijbedrijf niet in aanmerking komt voor een subsidie. De [scheepsnaam] is op [datum] voor de kust van [landnaam] gezonken en daarna gesloopt. Op 3 maart 2022 is het vissersvaartuig ambtshalve uitgeschreven uit het visserijregister. Gelet op deze omstandigheden, was het zeevisserijbedrijf op het moment van de subsidieaanvraag niet de eigenaar van een vissersvaartuig, waaraan op grond van artikel 2.13., eerste lid, van de Regeling, een subsidie kan worden verstrekt. Volgens artikel 1.1., eerste lid, van de Regeling, wordt onder ‘eigenaar van een vissersvaartuig’ namelijk verstaan de natuurlijke persoon of rechtspersoon die het eigendom heeft van een vissersvaartuig en onder wiens naam het in het visserijregister is ingeschreven.
Omdat niet is voldaan aan het eerste vereiste van artikel 2.13., eerste lid, van de Regeling, komt het College niet toe aan de andere argumenten die het zeevisserijbedrijf heeft aangevoerd.
3. Van strijd met het evenredigheidsbeginsel is geen sprake. De stilligvergoeding is bedoeld voor de vissers die niet definitief zijn gestopt met hun visserijactiviteiten (waarvoor ook een subsidie kon worden aangevraagd op grond van de Regeling). Deze resterende vissers kunnen aanspraak maken op een subsidie omdat zij hun visserijactiviteiten tijdelijk moesten stopzetten door de Brexit. Die situatie doet zich hier niet voor. De omstandigheid dat het zeevisserijbedrijf investeringen heeft gedaan of al dan niet wilde gaan doen, staat los van de Regeling en speelt daarom geen rol bij de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel.
w.g. B. Bastein w.g. N.J. Vlug