Datum uitspraak: 7 juli 2025
24/507 WIA-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 januari 2024, AMS 23/1760 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant 1] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
In de uitspraak van 15 januari 2025 heeft de Raad onder toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet is betaald.
Appellant heeft verzet ingediend. Appellant is op zitting van 26 mei 2025 verschenen met zijn zus. In verzet heeft appellant, kort samengevat, aangegeven dat hij veel brieven heeft ontvangen van het Uwv waarin ook de term ‘griffierecht’ voorkomt. Daardoor zou appellant de brief met de nota voor het betalen van het griffierecht hebben verward met de brieven van het Uwv. Verder stelt appellant dat hij last heeft van zijn mentale gesteldheid en antidepressiva neemt.
OVERWEGINGEN
De Raad overweegt dat appellant zelf verantwoordelijk is voor een zorgvuldige omgang met en lezing van zijn post. De brief met de nota en de herinneringsbrief voor het betalen van het griffierecht hebben een duidelijk logo van de rechtspraak. In die brieven is duidelijk aangegeven dat appellant binnen een bepaalde termijn griffierecht moet betalen. Ook wordt duidelijk aangegeven dat als appellant geen griffierecht betaalt, geen inhoudelijke behandeling plaats zal vinden. Dat appellant door zijn geestelijke gesteldheid of het gebruik van geneesmiddelen niet in staat was om de betreffende brieven te begrijpen heeft hij niet aannemelijk gemaakt.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van N. El Khabazi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2025.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) N. El Khabazi