OVERWEGINGEN
1. In artikel 8:28 van de Awb is bepaald dat partijen aan wie door de bestuursrechter is verzocht schriftelijk inlichtingen te geven, verplicht zijn de verlangde inlichtingen te geven. Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken. Dit staat in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb. De bestuursrechter dient op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Awb te beslissen of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.
2. In dit geval vraagt verzoeker om beperking van de kennisneming van een door hem overgelegd stuk. Het verzoek heeft evenwel geen betrekking op een stuk dat hij verplicht was te verstrekken. Hij heeft het uit eigen beweging ingediend. Artikel 8:29 van de Awb biedt geen voorziening voor een partij die ter onderbouwing van zijn standpunt een stuk indient zonder daartoe verplicht te zijn en daarbij een beroep doet op vertrouwelijkheid.
3. Wat onder 1 en 2 is overwogen leidt tot de conclusie dat het verzoek om toepassing van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb, moet worden afgewezen.
4. Het nadere stuk wordt aan verzoeker teruggestuurd, tenzij hij binnen twee weken na heden meedeelt dat hij het als gedingstuk aan het dossier toegevoegd wil zien.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep beslist dat de gevraagde beperkte kennisneming van het stuk niet gerechtvaardigd is.
Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van A.H. HagendoornHuls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2025.
(getekend) F. Hoogendijk
(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls