SAMENVATTING
25/1890 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 augustus 2025, 24/6661 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 3 september 2026
Het Uwv heeft appellante per 21 februari 2022 geen WIA-uitkering toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen en kan zij daarom de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies niet vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. N. Velthorst, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 23 juli 2026. Appellante en haar gemachtige zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.
OVERWEGINGEN
Inleiding
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als projectstoffeerder voor gemiddeld 18,60 uur per week. Vanaf 23 december 2019 ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 24 februari 2020 heeft zij zich vanuit de WW ziekgemeld met verschillende pijnklachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 juli 2023. Een arbeidsdeskundige heeft aan de hand daarvan vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en het arbeidsongeschiktheidspercentage berekend op 17,14%. Het Uwv heeft bij besluit van 31 juli 2023 geweigerd appellante met ingang van 21 februari 2022 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Bij beslissing op bezwaar van 31 oktober 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 oktober 2024 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 28 oktober 2024 ten grondslag. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is er geen reden om af te wijken van het oordeel van de primaire arts. De FML van 21 juli 2023 blijft daarom gelden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat moet worden uitgegaan van een ander maatmaninkomen en dat niet alle geduide functies kunnen worden gehandhaafd in verband met de gestelde opleidingseisen. De arbeidsdeskundige heeft nieuwe functies voor appellante geselecteerd en het arbeidsongeschiktheidspercentage berekend op 17,22%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Volgens de rechtbank heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat de medische rapporten waarop het Uwv zijn besluiten baseert niet aan de vereisten van zorgvuldigheid voldoen of dat de medische beoordeling niet klopt. Appellante heeft namelijk geen nieuwe medische informatie verstrekt waar dat uit blijkt. Het onderzoek van het Uwv is volgens de rechtbank zorgvuldig geweest. Appellante heeft gesteld dat zij zich niet gehoord voelde door de primaire arts, maar niet concreet gemaakt waar het gebrek volgens haar zit in het hoorproces en waar dit heeft geleid tot een gebrekkig besluit. Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de rechtbank de geduide functies medisch geschikt geacht voor appellante en mochten zij worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellante heeft het Uwv haar beperkingen onderschat, als gevolg waarvan de FML niet juist is vastgesteld. Hierdoor zijn de geduide functies voor haar niet geschikt.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is een herhaling van de gronden die zij bij de rechtbank heeft ingediend en vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en er geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts aangenomen beperkingen van appellante. De rechtbank heeft op overtuigende wijze gemotiveerd waarom die aanleiding niet is gezien. Ook in hoger beroep heeft appellante geen medische informatie ingebracht die aanleiding geeft tot een ander oordeel. De gronden waarop het oordeel van de rechtbank berust, worden onderschreven.
De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat, uitgaande van de medische beperkingen zoals verwoord in de FML van 21 juli 2023, appellante medisch geschikt was de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante per 21 februari 2022 een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van B. Uçurum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 september 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) B. Uçurum