25/398 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 januari 2025, 23/383 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[naam stichting] te [vestigingsplaats] (ex-werkgever)
Datum uitspraak: 3 september 2026
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.H.A.J. Slaats, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De ex-werkgever heeft als derde-belanghebbende deelgenomen.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingestuurd.
Het Uwv heeft op 10 februari 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Vervolgens heeft appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten in beroep en hoger beroep. Het Uwv heeft daarop gereageerd.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken nadat het Uwv heeft besloten tot intrekking van het bestreden besluit omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 10 februari 2026, waarbij de Ziektewet-uitkering van appellante per 11 juli 2022 ongewijzigd is voortgezet, volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
Rechtsbijstand en reiskosten zitting rechtbank.
De kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 934,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift).
De reiskosten die appellante heeft gemaakt in verband met het bijwonen van de zitting bij de rechtbank worden vergoed tot een bedrag van € 20,84.
Griffierecht
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 september 2026.
(getekend) T. Dompeling
(getekend) M.G.J. van Eck