SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/1354 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 mei 2024, 23/1641 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 3 september 2026
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht aan appellante geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat bij appellante geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na 17 februari 2010 in de zin van artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA. Aan het bestreden besluit van het Uwv ontbreekt een deugdelijke medische onderbouwing, aangezien uit het deskundigenrapport volgt dat bij appellante in de periode in geding sprake was van geen benutbare mogelijkheden. Het Uwv dient opnieuw te beslissen.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.S. Visser, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 juni 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.S. Visser. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede. Het onderzoek ter zitting is geschorst, waarna aan het Uwv aanvullende vragen zijn gesteld.
Op 29 juli 2025 heeft het Uwv een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd.
De Raad heeft vervolgens verzekeringsarts M. Vervoort benoemd als deskundige. De deskundige heeft op 15 december 2025 een rapport uitgebracht. Partijen hebben hierop gereageerd. De Raad heeft de reacties van partijen aan de deskundige voorgelegd. De deskundige heeft op 13 februari 2026 aanvullend gerapporteerd.
Onder toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als docent in een Beautyschool voor 10,33 uur per week. Op 25 januari 2019 heeft appellante met terugwerkende kracht een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Daarin heeft appellante als eerste ziektedag 20 februari 2008 vermeld. Bij besluit van 3 april 2019 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 25 januari 2018 (een jaar voorafgaand aan de aanvraag) een WIA-uitkering toe te kennen omdat het eigen werk als docent passend werd geacht en daardoor geen sprake was van 104 weken arbeidsongeschiktheid. Het Uwv heeft bij besluit van 22 april 2020 het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien om van het medische oordeel van de verzekeringsarts af te wijken en beperkingen vast te stellen. Deze beperkingen zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 april 2020. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat appellante geschikt is voor haar laatste werk, maar heeft daarnaast vanwege het ontbreken van een beschrijving van de belasting van dit werk ook functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 31,23%. In hoger beroep heeft de Raad geoordeeld dat het Uwv niet voldoende heeft gemotiveerd dat het eigen werk als docent een passende functie is, maar wel voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellante in medisch opzicht passend zijn.
Appellante heeft zich op 23 mei 2022 bij het Uwv gemeld met toegenomen klachten uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na 17 februari 2010. Na onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 30 augustus 2022 geweigerd appellante een WIA-uitkering toe te kennen, omdat de beperkingen van appellante (uit dezelfde oorzaak) niet zijn toegenomen binnen vijf jaar na de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per 17 februari 2010.
Bij besluit van 24 februari 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv heeft kunnen afzien van een fysiek spreekuurcontact. Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat bij een laattijdige aanvraag geen fysiek spreekuurcontact hoeft plaats te vinden omdat lichamelijk onderzoek jaren na de te beoordelen periode geen toegevoegde waarde heeft. Appellante heeft voldoende gelegenheid gehad om tijdens het telefonische spreekuur of tijdens de hoorzitting in bezwaar, waarvoor zij was uitgenodigd, te vertellen over de wegrakingen. Dat er volgens appellante in het algemeen beter onderzoek had moeten plaatsvinden is onvoldoende concreet voor het oordeel dat een fysiek spreekuurcontact toegevoegde waarde heeft. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het rapport van verzekeringsarts R.M.E. Blanker en zijn reactie op het bestreden besluit onvoldoende zijn om te twijfelen aan het medisch oordeel en om een deskundige te benoemen. Appellante heeft geen concrete beroepsgronden geformuleerd terwijl het Uwv uitgebreid op dit rapport is ingegaan. De rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn eenduidig, inzichtelijk en zonder tegenstrijdigheden. Daarnaast heeft de rechtbank ten overvloede nog overwogen dat niet is gebleken dat de medische beperkingen van appellante zijn onderschat, zodat ook om die reden geen aanleiding bestaat om een deskundige te benoemen. Het Uwv heeft terecht gesteld dat Blanker heeft verwezen naar onderdelen van het dossier die weliswaar zouden kunnen wijzen op toegenomen klachten, maar waaruit niet blijkt van objectief-medisch vastgestelde toegenomen beperkingen. Over de conversiestoornis heeft het Uwv terecht gesteld dat die in 2021 is vastgesteld en dat niet is gebleken dat hiervan bij appellante in de relevante periode al sprake was.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het onderzoek niet zorgvuldig is geweest. Appellante heeft zich, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 25 mei 2022, op het standpunt gesteld dat het Uwv ten onrechte de huidige beoordeling volledig heeft gespiegeld aan de eerdere beoordeling. Verder heeft appellante aangevoerd dat sprake is van toegenomen beperkingen in de periode van vijf jaar na 17 februari 2010. De door appellante geraadpleegde verzekeringsarts Blanker acht appellante volledig arbeidsongeschikt. Als gevolg van heftige pijnklachten en wegrakingen is zij niet in staat een volle werkweek te werken, te werken met gevaarlijke machines en is zij beperkt in vervoer. Om dit te onderbouwen heeft appellante verwezen naar de eerder ingebrachte brieven van prof. dr. T. Moreels van 9 januari 2013 en 29 november 2013.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 55, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wet WIA ontstaat het recht op een WGA-uitkering op de dag dat de verzekerde gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, als hij op de dag daaraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na de in artikel 54, tweede lid, van de Wet WIA bedoelde dag en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid.
Gelet op de medische informatie en het verhandelde ter zitting is twijfel ontstaan over de medische beoordeling door het Uwv. De Raad heeft daarom vragen gesteld aan het Uwv. Het Uwv heeft deze vragen beantwoord, maar daarmee is de bij de Raad bestaande twijfel over de medische beoordeling niet (volledig) weggenomen. De Raad heeft daarom verzekeringsarts M. Vervoort benoemd als deskundige.
De deskundige heeft in het rapport van 15 december 2025 geconcludeerd dat in de periode van 2010-2015 sprake was van geen benutbare mogelijkheden (GBM) maar dat geen sprake is van duurzaamheid. De deskundige heeft gesteld dat het beeld van appellante conform de Uwv Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid (Standaard) voldoet aan de grond “sterk wisselende mogelijkheden”. De belastbaarheid van appellante was in de relevante periode niet planbaar, niet inzetbaar en onvoldoende stabiel voor structurele arbeidsparticipatie. Daarmee was er in deze periode sprake van GBM. De deskundige heeft vastgesteld dat appellante in de periode 2010-2015 te maken had met een ernstig ontregeld en aanvalsgewijs klachtenbeeld, bestaande uit frequente aanvallen van hevige buikkrampen, diarree en syncope/wegrakingen, gecombineerd met koortsperioden en een zeer hoge toiletfrequentie. Deze klachten traden onvoorspelbaar op en leidden tot regelmatig acuut functieverlies, waardoor appellante haar belastbaarheid niet structureel kon inzetten.
Appellante heeft te kennen gegeven zich in de conclusies van de deskundige te kunnen vinden.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 13 januari 2026 gesteld dat het rapport van de deskundige geen aanleiding geeft om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. De deskundige heeft geen datum genoemd vanaf wanneer de beperkingen zijn toegenomen en de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan de conclusie van een situatie van GBM, ten gevolge van sterk wisselende mogelijkheden, niet volgen.
De deskundige heeft in reactie hierop in het aanvullend rapport van 13 februari 2026 toegelicht dat in de periode vanaf 2012 sprake is van zodanige toegenomen en structurele beperkingen dat feitelijk geen benutbare mogelijkheden resteren. De eerdere verwijzing naar 'sterk wisselende mogelijkheden' als formele categorie is niet geheel correct, echter de conclusie is dat er geen benutbare mogelijkheden bestonden door chronisch ontregelde, energetisch beperkte en niet planbare mogelijkheden. Uit de medische informatie blijkt dat er sprake is van een duidelijke verergering van het klachtenbeeld. Er is in de periode vanaf 2012 sprake van energetische ontregeling door chronische infectie en koorts, verstoorde nachtrust, syncope-achtige episodes en hulpbehoevendheid. Tenminste een zeer ruime urenbeperking is in deze medische situatie geïndiceerd op grond van de Standaard, maar gelet op de frequentie van het aantal wegrakingen, de nachtelijke ontregeling en de veiligheidsrisico's bij wegrakingen, resteert er feitelijk geen reële belastbaarheid. In die zin voldoet de situatie aan het criterium van GBM, vanwege de structurele ontregeling en energetische beperkingen.
Volgens vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt, indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. De rapporten van de door de Raad ingeschakelde deskundige geven blijk van een zorgvuldig onderzoek en zijn inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft dossierstudie verricht en appellante gezien op het spreekuur op 24 november 2025. In het rapport is uitvoerig en gemotiveerd ingegaan op de vraag of bij appellante in de periode in geding sprake is van meer beperkingen dan in de FML van 16 april 2020 zijn vastgesteld. De informatie van de behandelend sector en de rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv zijn door de deskundige kenbaar bij het onderzoek betrokken.
Er is geen aanleiding de rapporten en de hierin getrokken conclusies van de deskundige niet te volgen. De deskundige heeft in het aanvullende rapport van 13 februari 2026 adequaat gemotiveerd waarom de zienswijze van de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding geeft tot aanpassing van de eerdere conclusies.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus en de aangevallen uitspaak zal worden vernietigd. Het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De Raad kan niet zelf voorzien, omdat daarvoor informatie ontbreekt. Het Uwv zal daarom opnieuw op het bezwaar van appellante dienen te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.
6. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissingen op de bezwaren slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
7. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 1.868,- voor verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en op € 2.335,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor de zitting en 0,5 punt voor de zienswijze op het rapport van de deskundige, met een waarde per punt van € 934,-). Daarnaast komen voor vergoeding in aanmerking de kosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken voor het inschakelen van een deskundige. Appellante heeft verzocht om vergoeding van de kosten van de rapporten van verzekeringsarts Blanker ter hoogte van in totaal € 2.259,68 (inclusief BTW). Het Uwv heeft dat bedrag niet betwist. De totale proceskostenveroordeling bedraagt € 6.462,68.
Tot slot moet het Uwv aan appellante het door haar betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 september 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) M.J.D. van Haren