ECLI:NL:CRVB:2026:1162

ECLI:NL:CRVB:2026:1162

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 03-09-2026
Datum publicatie 11-09-2026
Zaaknummer 25/1821 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per 12 januari 2018. Herbeoordeling. Voldoende zorgvuldig medisch onderzoek.

Uitspraak

SAMENVATTING

25/1821 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 28 juli 2025, 25/903 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[ex-werkgever B.V.] (ex-werkgever)

Datum uitspraak: 3 september 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht aan appellant geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat bij hem vanaf 2022 geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na 12 januari 2018. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P. Smit, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens de ex-werkgever heeft [gemachtigde] zich als arts-gemachtigde gesteld.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden, waarop het Uwv heeft gereageerd.

De zaak is aan de orde gesteld op de zitting van 23 juli 2026, waar partijen niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

Appellant heeft voor het laatst gewerkt als procesoperator voor gemiddeld 24,67 uur per week in dienst van [ex-werkgever B.V.] (ex-werkgever). Daarnaast ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet voor 15,12 uur per week. Op 15 januari 2016 heeft appellant zich ziekgemeld met psychische klachten. Op 14 februari 2016 is hij ziek uit dienst gegaan. Bij besluit van 5 januari 2018 heeft het Uwv geweigerd om appellant, na afloop van de voorgeschreven wachttijd, met ingang van 12 januari 2018 een WGAuitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 16 mei 2018 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen de beslissing op bezwaar ongegrond verklaard. De Raad heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Op 11 juli 2019 heeft appellant een WIA-uitkering aangevraagd bij het Uwv wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 20 augustus 2020 deze aanvraag afgewezen. Bij beslissing op bezwaar van 5 maart 2021 heeft het Uwv dat besluit gehandhaafd. De rechtbank heeft het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard. De Raad heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Op 1 september 2023 heeft appellant het Uwv opnieuw verzocht om een herbeoordeling, nu wegens toegenomen klachten vanaf 2022. Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft appellant medisch specialistische informatie uit 2022 en 2023 overgelegd. Na onderzoek door een verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 12 maart 2024 (primaire besluit) geweigerd appellant een WIA-uitkering toe te kennen omdat zijn beperkingen uit dezelfde oorzaak niet zijn toegenomen binnen vijf jaar na de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per 12 januari 2018.

Bij besluit van 3 februari 2025 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 januari 2025 ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest. Het onderzoek van de primaire arts is gebaseerd op bestudering van de dossiergegevens en het medisch onderzoek van 8 februari 2024. In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 28 januari 2025 dossieronderzoek gedaan. Uit het uitgebreide medische rapport van dezelfde datum blijkt dat de verzekeringsarts kennis heeft genomen van de medische informatie die door appellant is ingebracht en dat deze informatie in het kader van de heroverweging is meegenomen in de beoordeling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het medisch onderzoek hiermee op een zorgvuldige wijze plaatsgevonden.

Inhoudelijk heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep alle gegevens nog eens samengevat en inzichtelijk gemotiveerd waarom hij het eens is met het oordeel van de primaire verzekeringsarts. Hij heeft genoteerd dat hij niet betwist dat appellant ervaart dat zijn klachten verergeren, maar dat dit geenszins impliceert dat ook de beperkingen zijn toegenomen. Van medisch objectiveerbare gegevens die doen veronderstellen dat de belastbaarheid is afgenomen is geen sprake. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft alle relevante informatie op dit punt uitgebreid en voor de rechtbank inzichtelijk en navolgbaar besproken. Ook zijn de medische klachten die appellant tijdens de hoorzitting naar voren heeft gebracht in het rapport meegenomen en gewogen. Het is de rechtbank niet gebleken dat daarbij zaken over het hoofd zijn gezien.

Appellant heeft op de zitting opgemerkt dat het Uwv er ten onrechte vanuit gaat dat hij mantelzorg aan zijn vader verleent en dat het Uwv hier kennelijk uit heeft afgeleid dat de situatie van appellant is verbeterd. Het is zijn zus die met een persoonsgebonden budget hun vader verzorgt en appellant heeft hem slechts een enkele keer naar het toilet geholpen. Op de zitting is ook besproken dat dit argument al in bezwaar naar voren is gebracht en door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de heroverweging is meegenomen. Voor de rechtbank is in diens rapport overtuigend onderbouwd dat in vergelijking met de eerdere beoordeling zowel mentaal als fysiek geen te objectiveren verergering is te constateren. Daarmee is niet gezegd dat appellant geen verslechtering van zijn medische situatie ervaart, maar van belang is dat er geen aanwijsbare vermindering van zijn belastbaarheid is vast te stellen.

Het Uwv heeft daarom terecht het standpunt ingenomen dat niet is gebleken van toegenomen beperkingen uit eenzelfde ziekteoorzaak die kunnen leiden tot toekenning van een WIA-uitkering.

Het standpunt van appellant

3. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat hij toegenomen beperkingen heeft die voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak en dat hij in aanmerking moet komen voor een IVA-uitkering. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ten onrechte gesteld dat hij zijn klachten koestert en berust in een inactieve levensstijl. Deze arts noemt dit gedrag en geen ziekte, maar bewegingsangst door pijn kan volgens appellant wel degelijk leiden tot verdergaande beperkingen op psychisch gebied. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant op 17 juli 2026 nieuwe medische stukken in geding gebracht.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen en de door appellant op 17 juli 2026 ingediende medische stukken, gelet op het moment van indiening, buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.

Op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Dit voorschrift beoogt, als voortvloeiend uit de eisen van een goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor, onder meer de wederpartij te beschermen tegen ontijdig aan het dossier toegevoegde stukken waarop die wederpartij niet is voorbereid en waarop niet adequaat kan worden gereageerd. Appellant heeft na aanvang van de termijn van tien dagen als bedoeld in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb medische stukken ingediend. Appellant heeft niet toegelicht waarom hij deze stukken niet tijdig heeft ingediend, terwijl de datering van deze stukken er niet op wijst dat appellant deze niet eerder had kunnen indienen. Gelet op het moment waarop deze stukken zijn ingediend, heeft het Uwv niet meer adequaat op deze stukken kunnen reageren. De Raad laat daarom deze stukken wegens strijd met de goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor buiten beschouwing.

Op grond van artikel 55, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wet WIA ontstaat het recht op een WGA uitkering op de dag dat de verzekerde gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, als hij op de dag daaraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na de in artikel 54, tweede lid, bedoelde dag en voorkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Omdat appellant de melding heeft gedaan, is het aan hem om als aanvrager feiten of omstandigheden aan te dragen die zijn aanvraag ondersteunen.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft die gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. De Raad onderschrijft dan ook zowel het oordeel van de rechtbank als de overwegingen op grond waarvan de rechtbank tot dit oordeel is gekomen.

In aanvulling daarop wordt nog overwogen dat uit de rapporten van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat zij kennis hebben genomen van de door appellant bij zijn verzoek om herbeoordeling gevoegde medische stukken, te weten de brief van de anesthesioloog van 20 september 2022, de brief van de GZ-psycholoog van 23 november 2022 en de eindrapportage van de revalidatiearts van 1 maart 2023. Zij hebben deze informatie kenbaar bij hun beoordeling betrokken en overtuigend gemotiveerd waarom van een toename van de medische beperkingen in 2022 geen sprake is.

Conclusie en gevolgen

. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 september 2026.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) M.J.D. van Haren

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand