ECLI:NL:CRVB:2026:1166

ECLI:NL:CRVB:2026:1166

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 11-09-2026
Zaaknummer 25/351 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid op 71,18%. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. De geselecteerde functie overschrijden de belastbaarheid van appellant niet.

Uitspraak

SAMENVATTING

25/351 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 januari 2025, 24/5350 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 2 september 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 13 februari 2023 heeft vastgesteld op 71,18%. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen en kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W. Dijke, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 22 juli 2026. Mr. Dijke is verschenen en appellant heeft via videobellen aan de zitting deelgenomen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.W. Beers.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellant heeft voor het laatst gewerkt als pijpfitter voor gemiddeld 38,01 uur per week. Op 15 februari 2021 heeft hij zich ziekgemeld met psychische en lichamelijke klachten. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 maart 2023. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 71,18%. Het Uwv heeft bij besluit van 27 juli 2023 aan appellant met ingang van 13 februari 2023 (datum in geding) een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet WIA toegekend.

Bij besluit van 24 april 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 17 april 2024 een gewijzigde FML opgesteld, waarin een beperking is toegevoegd ten aanzien van beroepsmatig vervoer. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de geselecteerde functies nog steeds passend zijn en het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage niet wijzigt.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Wat appellant in beroep heeft aangevoerd, heeft de rechtbank geen reden gegeven om de medische beoordeling die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 17 april 2024 toegelicht dat uit de brief van de reumatoloog van 8 april 2024 blijkt dat er forse artrose (slijtage) aan de rechterknie en de linkerheup is vastgesteld. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is plausibel dat deze afwijkingen op de datum in geding al aanwezig waren, maar worden deze voldoende ondervangen door het brede scala aan lichamelijke beperkingen dat al door de verzekeringsarts is opgenomen in de FML. Wat betreft de psychische klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat de diagnose PTSS die is genoemd in de behandelovereenkomst van 18 maart 2024 nog niet bekend was ten tijde van de primaire beoordeling, maar dat ook de psychische klachten al voldoende zijn ondervangen met de op dit vlak door de verzekeringsarts aangenomen beperkingen. Appellant heeft, naar het oordeel van de rechtbank, geen stukken overgelegd die aanleiding geven om aan de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. Uitgaande van de juistheid van de FML van 17 april 2024 heeft de rechtbank geen grond gezien om te oordelen dat de belasting in de geselecteerde functies de mogelijkheden van appellant overschrijdt.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het onderzoek door het Uwv niet zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft erkend dat sprake is van forse artrose, maar heeft hiervoor te weinig beperkingen aangenomen in de FML. Ook met de psychische klachten is volgens appellant onvoldoende rekening gehouden, omdat geen beperking is aangenomen op beoordelingspunt 2.6 (emotionele problemen van anderen hanteren). Verder heeft appellant erop gewezen dat hij een slechte nachtrust heeft en overdag vermoeid is. Hij lijdt aan longcovid en het is bekend dat patiënten met deze aandoening te maken hebben met vermoeidheid. De in de FML van 17 april 2024 opgenomen urenbeperking is volgens appellant niet vergaand genoeg. Verder heeft appellant gemotiveerd uiteengezet dat hij zich niet in staat acht om de door het Uwv geselecteerde functies te vervullen. Hij is van mening dat hij op de datum in geding duurzaam volledig arbeidsongeschikt is en dat daarom een IVAuitkering aan hem moet worden toegekend.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op 71,18% in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIAuitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.

Medische beoordeling

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. In aanvulling op de eerdere rapporten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep er in een rapport van 1 september 2025 op gewezen dat uit het rapport van de primaire verzekeringsarts van 16 maart 2023 niet blijkt dat appellant rond de datum in geding melding heeft gemaakt van klachten aan zijn knie en heup. De brief van de reumatoloog waaruit blijkt dat sprake is van forse artrose dateert van meer dan een jaar na de datum in geding en de beperkingen worden op de datum in geding minder ernstig ingeschat dan appellant zelf claimt. Wat betreft de door appellant geclaimde beperking op beoordelingspunt 2.6 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen dat een dergelijke beperking over het algemeen voorkomt bij mensen met een verstandelijke beperking, CVA of een ernstige psychische stoornis. Hiervan is bij appellant geen sprake. Tot slot heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen dat rekening is gehouden met de vermoeidheidsklachten door onder andere een urenbeperking aan te nemen. In een rapport van 30 maart 2026 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat er ook naar aanleiding van de memo ‘Post-COVID-syndroom voor de artsen bij UWV’ van 27 februari 2026 geen aanleiding is om in dit geval verdergaande beperkingen aan te nemen. De Raad acht de motivering door de verzekeringsarts bezwaar en beroep navolgbaar. Wat appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht over de aard van zijn klachten en de door hem ervaren beperkingen, wordt niet ondersteund door medische informatie zodat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om de gemotiveerde conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden.

Arbeidskundige beoordeling

De rechtbank heeft ook terecht geen aanleiding gezien om te oordelen dat in de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant, zoals deze is vastgesteld in de FML van 17 april 2024, wordt overschreden. Voor zover bij de geselecteerde functies sprake is van signaleringen, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep inzichtelijk toegelicht waarom de functies toch passend zijn. Wat betreft de beroepsgrond dat in de functie binnen SBCcode 315174 (telefonist (centrale), medewerker callcenter (inbound)) sprake is van een hoog handelingstempo en een onvoorspelbare werksituatie, heeft het Uwv er terecht op gewezen dat uit het Resultaat functiebeoordeling blijkt dat geen sprake is van een kenmerkende belasting op deze punten. Het Uwv mag uitgaan van de juistheid van de gegevens in het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem en daarom van de belastingen zoals deze door de arbeidskundig analist zijn verwoord en niet van de door appellant veronderstelde belastingen in de functies. Dat een medewerker in de betreffende functie soms lastige klanten aan de telefoon te woord moet staan, betekent ook niet dat de functie niet geschikt is voor appellant. Het hanteren van conflicten in telefonische contacten past immers binnen de beperkingen die voor appellant zijn neergelegd in de FML.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de WIAuitkering aan appellant waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 71,18% in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van B. Ucurum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) B. Ucurum

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand