ECLI:NL:CRVB:2026:1167

ECLI:NL:CRVB:2026:1167

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 11-09-2026
Zaaknummer 25/805 WAO
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Afwijzing aanvraag WAO-uitkering. Laattijdige aanvraag. Het Uwv heeft terecht het standpunt ingenomen dat niet vast is komen te staan dat appellant na het intreden van zijn ongeschiktheid in november 2000 aansluitend 52 weken achtereen arbeidsongeschikt is gebleven voor zijn arbeid. Appellant heeft niet met medisch objectiveerbare stukken, aannemelijk gemaakt dat hij de wachttijd van 52 weken voor de WAO heeft doorlopen doordat hij na zijn uitval op 22 november 2000 onafgebroken arbeidsongeschikt is gebleven. Daarmee is niet komen vast te staan dat de wachttijd is volgemaakt.

Uitspraak

SAMENVATTING

25/805 WAO, 25/2340 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2025, 24/3572 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 2 september 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de aanvraag van appellant voor een WAO-uitkering heeft afgewezen. Appellant is van mening dat hij met stukken voldoende heeft aangetoond dat hij tijdens zijn werk in Nederland ziek is geworden en dat is gebleven nadat hij naar Marokko is vertrokken. De Raad komt tot het oordeel dat het Uwv op juiste gronden de WAO-aanvraag heeft afgewezen.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op 3 juli 2025 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.

Het Uwv heeft nadere stukken ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 22 juli 2025. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.L.M. Dunselman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellant heeft in 2000 in de bouw gewerkt via uitzendbureau [naam uitzendbureau] ([naam uitzendbureau]). Op 22 november 2000 is hij uitgevallen met een linkerbeenbreuk na een bedrijfsongeval. Omdat appellant niet reageerde op oproepen om te verschijnen voor controle en onbekend is waar hij verblijft, heeft de rechtsvoorganger van het Uwv, Gak Nederland B.V. (Gak) de betaling van de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) opgeschort.

Appellant heeft het Uwv op 15 september 2020 en 24 augustus 2022 verzocht hem terzake van zijn uitval in november 2000 alsnog een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Het Uwv heeft appellant bij brief van 30 augustus 2022 verzocht om aanvullende informatie. Bij brief van 9 november 2022 heeft het Uwv voorts een aantal vragen aan appellant gesteld. Appellant heeft vervolgens bij brief van 19 januari 2024 kopieën van een aantal documenten ingediend. Bij besluit van 1 maart 2024 heeft het Uwv de aanvraag niet verder in behandeling genomen, omdat appellant onvoldoende informatie heeft gegeven.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 1 maart 2024 en daarbij aanvullende informatie overgelegd. Bij besluit van 27 mei 2024 heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De door appellant (alsnog) verstrekte gegevens zijn onvoldoende voor de beoordeling van zijn aanvraag. De aanvraag is namelijk niet onderbouwd met medische informatie, het toont niet aan dat appellant ziek is geweest, hij heeft geen ZW-uitkering ontvangen en hij heeft niet eerder een WAOaanvraag gedaan.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak, onder veroordeling van het Uwv in het betaalde griffierecht van appellant. De rechtbank heeft overwogen dat een besluit om een aanvraag niet te behandelen op grond van artikel 4:5, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken aan de aanvrager dient te worden bekendgemaakt. Op 30 augustus 2022 en 9 november 2022 heeft het Uwv expliciet aan appellant gevraagd om meer informatie. Aangezien appellant van deze gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt, diende het Uwv zijn beslissing tot het buiten behandeling laten van de aanvraag binnen vier weken na het ongebruikt verstrijken van voormelde termijn aan appellant bekend te maken. De rechtbank heeft vastgesteld dat het Uwv in de brief van 9 november 2022 geen termijn heeft gesteld, terwijl artikel 4:5, vierde lid, Awb dit wel verplicht. Nu er geen termijn is gesteld, kan ook niet vastgesteld worden of de beslissing tot het buiten behandeling laten van de aanvraag van appellant binnen de termijn van vier weken is genomen. Gelet hierop is het bestreden besluit, dat strekt tot handhaving van die beslissing, in strijd met artikel 4:5, vierde lid, van de Awb genomen.

Het standpunt van appellant

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij recht heeft op een WAOuitkering, omdat hij in Nederland op 22 november 2000 ziek is geworden en hij verzekerd is geweest in Nederland. Appellant heeft documenten over zijn arbeidsverleden. Appellant is ziek en kan geen activiteiten ondernemen voor een percentage van 80-100%. Ook heeft appellant geen andere inkomsten of uitkeringen.

Het standpunt van het Uwv

4. Bij brief van 11 juni 2025 heeft het Uwv de Raad te kennen gegeven te berusten in de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft appellant bij brief van 12 mei 2025 opnieuw in de gelegenheid gesteld om aanvullende gegevens in te brengen en vragen te beantwoorden ter onderbouwing van zijn verzoek om een WAO-uitkering. Appellant heeft de gestelde vragen op 4 juni 2025 beantwoord en heeft nadere stukken ingediend. Bij besluit van 3 juli 2025 heeft het Uwv de aanvraag niet verder in behandeling genomen, omdat appellant onvoldoende informatie heeft gegeven.

Bij besluit van 23 juli 2025 heeft het Uwv het besluit van 3 juli 2025 ingetrokken, omdat het besluit over het buiten behandeling stellen van de aanvraag (wederom) niet binnen vier weken na de ontvangst van de stukken is genomen. Het Uwv heeft de aanvraag alsnog inhoudelijk beoordeeld en het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat niet vast is komen te staan dat appellant na het intreden van zijn ongeschiktheid in november 2000 aansluitend 52 weken achtereen arbeidsongeschikt is gebleven voor zijn arbeid. De door appellant ingediende medische informatie dateert uit 2013 en ziet niet op de periode in geding, die loopt van 22 november 2000 tot 52 weken erna. Daarmee is niet komen vast te staan dat de wachttijd is volgemaakt. Dat betekent dat appellant niet in aanmerking komt voor een WAO-uitkering per 20 november 2001.

De reactie van appellant

5. Appellant heeft zijn standpunt gehandhaafd dat hij ziek is en een WAO-uitkering wenst te ontvangen.

Het oordeel van de Raad

6. Met de besluiten van 3 juli 2025 en 23 juli 2025, genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, is het besluit van 27 mei 2024 door het Uwv vervangen. Appellant heeft daarmee geen belang meer bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak, waarbij het besluit van 27 mei 2024 is vernietigd. Het hoger beroep van appellant dient daarom nietontvankelijk te worden verklaard.

Voorts heeft appellant geen belang meer bij een beoordeling van het ingetrokken besluit van 3 juli 2025. Het beroep van appellant tegen dit besluit dient daarom nietontvankelijk te worden verklaard.

Het besluit van 23 juli 2025 wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken.

Afwijzing WAO-aanvraag

De Raad beoordeelt of het Uwv op goede gronden de aanvraag van appellant voor een WAO-uitkering per 20 november 2001 heeft afgewezen. Dit doet de Raad aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Op grond van artikel 19 van de WAO, zoals dat artikel destijds luidde, heeft de verzekerde recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering zodra hij 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is.

Omdat appellant op 24 augustus 2022 een uitkering heeft aangevraagd in verband met een in november 2000 ingetreden arbeidsongeschiktheid, is sprake van een laattijdige aanvraag. Naar vaste rechtspraak ligt bij een laattijdige aanvraag het risico, dat de medische situatie door het tijdsverloop niet meer met zekerheid is vast te stellen, bij de aanvrager. Het is daarbij aan appellant om, met medisch objectiveerbare stukken onderbouwd, aannemelijk te maken dat hij de wachttijd van 52 weken voor de WAO heeft doorlopen doordat hij na zijn uitval op 22 november 2000 onafgebroken arbeidsongeschikt is gebleven.

Uit de nog aanwezige stukken valt af te leiden dat appellant op 22 november 2000 is uitgevallen met een gebroken linkerbeen na een bedrijfsongeval. Niet is gebleken of op enige wijze aannemelijk geworden dat appellant vervolgens de wachttijd heeft vervuld. Medische informatie over appellant, waaruit kan worden afgeleid dat appellant in de 52 weken na het ongeval van november 2000 arbeidsongeschikt is gebleven, ontbreekt. De door appellant ingebrachte documenten, zoals een bewijs van aanmelding bij het ziekenfonds en een registratiebericht van het Gak van het dienstverband van appellant bij [naam uitzendbureau] uit het jaar 2000, bieden geen aanknopingspunten voor het standpunt van appellant dat hij recht heeft op een WAO-uitkering. De stukken over de medische situatie van appellant in 2013 vallen buiten de WAO-verzekerde periode.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak wordt niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen het besluit van 3 juli 2025 wordt eveneens niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen het besluit van 23 juli 2025 is ongegrond. Dat betekent dat het Uwv terecht de WAO-aanvraag van appellant heeft afgewezen.

7. Van in hoger beroep gemaakte proceskosten is niet gebleken. Wel dient het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en F.M. Rijnbeek en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van A.M. van Oorschot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) A.M. van Oorschot

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand