SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/272 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 januari 2025, 24/2506 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 2 september 2026
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering van appellant per 1 mei 2023 heeft hervat na een eerdere intrekking van die uitkering vanwege schending van de inlichtingenverplichting waardoor het recht destijds niet kon worden vastgesteld. Volgens appellant heeft hij weer recht op zijn WIA-uitkering vanaf het moment dat de uitkering eerder was ingetrokken. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de WIA-uitkering van appellant terecht niet eerder dan per 1 mei 2023 heeft hervat.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Naar aanleiding van een vraagstelling van de Raad heeft het Uwv een nadere reactie en stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 22 juli 2026. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.S. Träger.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant heeft met ingang van 12 november 2015 een WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontvangen. De mate van arbeidsongeschiktheid is (laatstelijk) vastgesteld op 55 tot 65%.
Het Uwv heeft appellant uitgenodigd op het Uwv-kantoor te Amersfoort op 17 juli 2018 voor een gesprek over zijn mogelijkheden om te werken. Nadat appellant niet is verschenen heeft het Uwv gevraagd om toe te lichten waarom hij niet is verschenen en hem daartoe twee keer uitgenodigd voor een gesprek. Appellant is ook op die gesprekken niet verschenen. Bij besluit van 25 september 2018 heeft het Uwv de uitbetaling van de WIAuitkering van appellant met ingang van 1 oktober 2018 geschorst omdat niet kan worden vastgesteld of appellant nog langer recht heeft op een (WIA-)uitkering. Appellant is verzocht om contact met het Uwv op te nemen. Bij besluit van 23 oktober 2018 is de WIAuitkering van appellant met ingang van 1 november 2018 ingetrokken, omdat hij geen contact met het Uwv heeft opgenomen. Appellant heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen de besluiten van 25 september 2018 en 23 oktober 2018.
Op 2 en 4 mei 2023 heeft appellant telefonisch contact opgenomen met het Uwv over zijn recht op een WIA-uitkering. Het Uwv heeft daarop bij besluit van 11 mei 2023 aan appellant met ingang van 1 mei 2023 weer een WIA-uitkering toegekend.
Bij besluit van 14 februari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
De rechtbank heeft de zaak op zitting behandeld zonder aanwezigheid van appellant. Appellant had voor de zitting telefonisch aan de griffier aangegeven dat hij per e-mail om uitstel van de zitting had verzocht wegens verblijf in het buitenland. De rechtbank heeft vastgesteld dat geen e-mail van appellant is ontvangen. Het aanbod van de rechtbank om telefonisch aan de zitting deel te nemen, heeft appellant vanwege de hoge kosten afgewezen.
Inhoudelijk heeft de rechtbank overwogen dat de WIA-uitkering van appellant eerst is geschorst en vervolgens is beëindigd in 2018, omdat appellant niet is verschenen op diverse afspraken van het Uwv. Appellant heeft ook niet zelf geprobeerd om een nieuwe afspraak te maken met het Uwv. Volgens het Uwv is aan de hand van telefoonnotities te herleiden dat appellant in 2022 en 2023 contact heeft gehad over een eerdere terugvordering, maar niet over de stopzetting van zijn WIA-uitkering. Het Uwv heeft een onderzoek verricht naar telefoonnotities van vóór 2021 over de stopzetting van de WIAuitkering van appellant. Bij dit onderzoek zijn geen telefoonnotities gevonden. Appellant heeft hier niets tegenover gesteld waardoor de rechtbank zou moeten twijfelen aan de juistheid van het besluit van 23 oktober 2018 om de WIA-uitkering per 1 november 2018 te beëindigen. Dit betekent dat het Uwv de WIA-uitkering van appellant terecht weer uitbetaalt sinds 1 mei 2023.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak het volgende aangevoerd.
Appellant heeft bij brief van 28 oktober 2024 verzocht om uitstel van de zitting bij de rechtbank op 26 november 2024 omdat hij vanwege zijn zieke moeder in het buitenland was. Hier heeft de rechtbank ten onrechte geen gehoor aan gegeven.
Appellant blijft erbij dat hij recht heeft op een WIA-uitkering vanaf het moment dat deze was ingetrokken per 1 november 2018. Volgens het Uwv was appellant niet verschenen op afspraken, maar appellant heeft geen uitnodigingsbrieven voor die afspraken of besluiten ontvangen. In die periode had appellant vaker contact met het Uwv. Daarna ontving hij elke keer een brief van het Uwv, daar heeft appellant nog bewijzen van.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Desgevraagd heeft het Uwv nader toegelicht dat de wettelijke grondslag voor de schorsing, intrekking en heropening van de WIA-uitkering is te vinden in artikel 76, eerste lid en onder a, van de Wet WIA en artikel 6 van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (Beleidsregels).
Het oordeel van de Raad
Zitting bij de rechtbank
5. Appellant is met een aangetekende brief van 29 augustus 2024 uitgenodigd voor de zitting van de rechtbank op 26 november 2024. Appellant stelt dat hij met een brief van 28 oktober 2024 om uitstel van die zitting heeft gevraagd wegens verblijf in het buitenland, maar hij heeft voor de verzending van die brief geen bewijs aangedragen. Dit geldt eveneens voor het e-mailbericht dat appellant aan de rechtbank zou hebben gestuurd. De rechtbank heeft onder die omstandigheden niet in strijd met artikel 8:56 van de Algemene wet bestuursrecht of artikel 2.13 van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken gehandeld door de zitting zonder appellant te laten doorgaan.
Heropening WIA-uitkering per 1 mei 2023
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de heropening van de WIA-uitkering van appellant in stand heeft gelaten. Dit doet de Raad aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft die gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen op grond waarvan de rechtbank tot dit oordeel is gekomen. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.
Appellant wenst met terugwerkende kracht weer in aanmerking te komen voor een WIA-uitkering. Het ligt dan op zijn weg om aannemelijk te maken dat hij voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden. Appellant heeft ook in hoger beroep geen enkel inzicht gegeven in zijn situatie vanaf 1 november 2018 tot 1 mei 2023. Zo is onduidelijk of appellant in die periode in Nederland woonachtig was en met welke inkomsten hij in zijn bestaan heeft voorzien. Hierdoor is het voor het Uwv niet mogelijk om vast te stellen of appellant vóór 1 mei 2023 recht had op een WIA-uitkering of tot welk bedrag die uitkering tot uitbetaling moet komen. Toepassing van artikel 6 van de Beleidsregels is in die situatie naar het oordeel van de Raad niet onevenwichtig te achten.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de heropening van de WIA-uitkering per 1 mei 2023 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en F.M. Rijnbeek en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van A.M. van Oorschot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.
(getekend) E.J.J.M. Weyers
(getekend) A.M. van Oorschot
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Artikel 8:56 Algemene wet bestuursrecht
Na afloop van het vooronderzoek worden partijen ten minste drie weken tevoren uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen.
Artikel 6. Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006
Indien de verzekerde alsnog aan zijn verplichtingen voldoet en om toekenning (hervatting) van uitkering vraagt wordt dit opgevat als een verzoek om terug te komen van de intrekkings- of herzieningsbeschikking. De uitkering wordt niet eerder hervat dan met ingang van de dag waarop de verzekerde alsnog aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Als de verzekerde echter alsnog aan zijn verplichtingen voldoet voordat de termijn van bezwaar tegen de intrekking of herziening is verlopen, of voordat op het bezwaar is beslist, wordt de betaling met terugwerkende kracht tot en met de datum met ingang waarvan zijn uitkering is ingetrokken of herzien hervat, voorzover alsnog het recht kan worden vastgesteld en aan alle overige voorwaarden voor betaling is voldaan.