ECLI:NL:CRVB:2026:1170

ECLI:NL:CRVB:2026:1170

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 09-09-2026
Datum publicatie 14-09-2026
Zaaknummer 25/1924 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. De geselecteerde functies zijn passend voor appellant.

Uitspraak

SAMENVATTING

25/1924 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 augustus 2025, 23/5419 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 9 september 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellant per 16 mei 2022 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.G.W. van Wees, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 juli 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Wees. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van de Graaff-Eggink.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellant heeft voor het laatst gewerkt als orderpicker/chauffeur voor 30,58 uur per week. Op 18 mei 2020 heeft hij zich ziekgemeld met rugklachten en psychische klachten naast pijn in de bovenste extremiteiten. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 maart 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 17 april 2023 geweigerd appellant met ingang van 16 mei 2022 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Bij besluit van 6 juli 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 30 juni 2023, een gewijzigde FML van dezelfde datum en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft op 12 februari 2025 tussenuitspraak gedaan. Omdat appellant niet op een spreekuur is onderzocht door een verzekeringsarts of een verzekeringsarts bezwaar en beroep, en die laatste onvoldoende heeft gemotiveerd dat van een spreekuur kon worden afgezien, heeft de rechtbank – kort gezegd – geoordeeld dat het medisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit onzorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld het gebrek te herstellen door appellant alsnog op te roepen voor een fysiek spreekuurcontact door een verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Het Uwv heeft hieraan gevolg gegeven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant op 4 maart 2025 op het spreekuur gezien en onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een gewijzigde FML opgesteld op 4 maart 2025. In verband met de gewijzigde FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep twee van de eerder geduide functies verworpen. Twee van de eerder geduide functies, één nieuwe gelijksoortige functie en één nieuwe functie acht de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep wel geschikt. De mate van arbeidsongeschiktheid is onveranderd 0%.

Uitspraak van de rechtbank

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat, omdat het Uwv het geconstateerde gebrek heeft hersteld, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Tevens heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant en bepaald dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht dient te vergoeden.

Naar het oordeel van de rechtbank is het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig verricht en heeft het Uwv met de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op overtuigende wijze toegelicht in hoeverre appellant belast kan worden met werk. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn conclusies heeft gebaseerd op de klachten van appellant, waaronder de pijnklachten in zijn rug en been en zijn psychische klachten, op het dagverhaal van appellant, op zijn bevindingen uit het lichamelijk onderzoek dat hij bij appellant heeft verricht, op de indruk van de psyche van appellant en op de uit het dossier beschikbare medische informatie. In de FML van 4 maart 2025 is een lokalisatiebeperking opgenomen voor de rechterarm van appellant en is hij rechts beperkt geacht voor het boven schouderhoogte actief zijn. Ook voor zitten, staan en lopen is appellant beperkt geacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het aanvullend rapport in beroep van 13 oktober 2023 toegelicht dat er geen medische grond is voor het lopen of staan met een kruk. Er is geen medische informatie die aanleiding geeft om hieraan te twijfelen. Datzelfde geldt voor de aangenomen beperkingen ten aanzien van zitten, staan en lopen. Dat er in de informatie van het Rughuis, dat ziet op de periode van 12 juli 2021 tot en met 24 december 2021, staat dat de pijn in het rechterbeen van appellant nog sterk aanwezig is, is daarvoor onvoldoende. Er is rekening mee gehouden dat appellant pijnklachten heeft aan zijn been en daarvoor zijn beperkingen aangenomen. De informatie van het Rughuis geeft geen medisch objectiveerbare onderbouwing voor het standpunt dat de beperkingen voor zitten, staan en lopen onvoldoende zijn. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn stelling dat de beperkingen die hierover zijn opgenomen in de FML elkaar tegenspreken. Zoals door verzekeringsarts bezwaar en beroep is toegelicht in het rapport van 13 oktober 2023 ziet de ene beperking op de aaneengesloten duur van het kunnen zitten, staan en lopen en de ander op de cumulatieve hoeveelheid zitten, staan en lopen op een werkdag. Dat er zwaardere beperkingen moeten worden aangenomen voor knielen of hurken en voor tillen en dragen wordt evenmin onderbouwd door medische informatie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn aanvullend rapport in beroep van 4 maart 2025 toegelicht waarom er geen aanleiding is om een verdergaande urenbeperking aan te nemen. Appellant heeft in beroep geen medische informatie overgelegd die de rechtbank aanleiding heeft gegeven om aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. Tot slot is door de rechtbank overwogen dat ook rekening is gehouden met de psychische klachten van appellant waarvoor ook beperkingen zijn aangenomen. Uitgaande van de juistheid van de FML heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat appellant deze functies kan vervullen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 12 maart 2025 de medische geschiktheid van deze functies voor appellant voldoende toegelicht. Bij de functie van textielproductenmaker is er geen sprake van een overschrijding van de belastbaarheid van appellant ten aanzien van zwaar tillen. Het gaat volgens het resultaat functiebeoordeling van 12 maart 2025 om één kilo. Dat het bij het hanteren van gordijnen gaat om werkzaamheden waarbij meer dan één kilo getild moet worden, is door appellant niet onderbouwd. De functie van assemblagemedewerker besturingskasten en panelen ligt niet ten grondslag aan de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid. Wat appellant daarover naar voren heeft gebracht, hoeft daarom geen bespreking.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen in stand heeft gelaten. Appellant heeft aangevoerd dat de medische informatie onvoldoende is meegenomen door het Uwv en de rechtbank. De medische klachten van appellant zorgen ervoor dat hij arbeidsongeschikt is. Appellant heeft ter onderbouwing van dit standpunt gewezen op een brief van 17 september 2025 van psychiater drs. M.E. Yaktemur en de daarin gerapporteerde DSM-classificatie en een brief van 9 juli 2026 van zijn thuisbegeleider [naam] . De psychiater heeft ook benoemd dat de rugklachten invaliderend lijken te zijn. Appellant heeft aangevoerd dat de beperkingen als gevolg van zijn rug- en pijnklachten onvoldoende zijn meegenomen. De lichamelijke beperkingen zijn onvoldoende onderzocht in combinatie van de chronische pijnklachten. Appellant heeft erop gewezen dat hij tramadol als pijnstilling heeft gebruikt. De pijnklachten hebben een ernstig beperkend effect op alle lichamelijke handelingen, zoals staan, lopen, zitten, knielen, hurken en diverse andere bewegingen. Appellant acht zich niet in staat om 40 uur te werken. Dat volgt uit zijn medische beperkingen en zijn dagverhaal. De klachten hebben zijn leven ingrijpend veranderd en appellant moet accepteren dat hij daarmee moet leven. Hij is zeer vermoeid en moet veel rusten. Een verdergaande urenbeperking is aan de orde. Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling heeft appellant aangevoerd dat de beschrijving van de belasting in de functie van textielmedewerker niet geloofwaardig is. Volgens het Uwv wordt in die functie niet zwaarder getild dan 1 kg, maar verduisterende gordijnen/zware gordijnen wegen tenminste 1,5 kg per strekkende meter. Volgens appellant wordt met deze functie zijn belastbaarheid overschreden.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering per 16 mei 2022 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.

Medische beoordeling

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende zorgvuldig is geweest. De beroepsgrond dat onvoldoende informatie is ingewonnen slaagt niet. Niet is gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellant op de datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had de beschikking over informatie van de behandelend anesthesioloog en pijnspecialist en informatie van het Rughuis, die appellant heeft verstrekt. De informatie is kenbaar meegewogen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellant was ten tijde van de datum in geding nog niet onder behandeling van psychiater Yaktemur.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de beperkingen van appellant niet zijn onderschat. De overwegingen van de rechtbank worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

Zoals vastgesteld gaat het om de medische situatie op 16 mei 2022. De door appellant overgelegde (medische) stukken van psychiater Yaktemur en van de thuisbegeleider van appellant zien echter op de periode (ver) daarna. De stelling van appellant dat er aanleiding is voor een verdergaande urenbeperking omdat bij de beoordeling van de belastbaarheid niet alleen moet worden uitgegaan van objectief medische gegevens, maar ook van consistente en plausibel geuite klachten, slaagt niet. Het Uwv heeft rekening gehouden met alle door appellant en zijn behandelaars gestelde diagnoses en benoemde klachten en daarvoor beperkingen aangenomen. Uit de medische gegevens van appellant die zien op de datum in geding valt echter niet af te leiden, dat appellant niet gemiddeld ongeveer acht uur per dag belastbaar zou zijn. Verder heeft appellant ook in hoger beroep niet met medische stukken onderbouwd dat hij op de datum in geding verdergaand beperkt was dan door de verzekeringsartsen van het Uwv is aangenomen.

Arbeidskundige beoordeling

De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn voor appellant. Tegenover deze motivering heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de geduide functies niet passend zouden zijn. Er is geen aanleiding om niet van de gegevens zoals in het Claim Beoordelings- en Borgings Systeem opgenomen uit te gaan. Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat de belasting van de functies modinette vitrage (SBC-code 111160) zoals vastgelegd in het Resultaat Functiebeoordeling niet geloofwaardig zou zijn. Ook wat overigens door appellant ter zake is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat appellant niet in staat is de voorgehouden functies te vervullen.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de weigering om aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van N. Gios als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) N. Gios

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand