ECLI:NL:CRVB:2026:1177

ECLI:NL:CRVB:2026:1177

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 10-09-2026
Datum publicatie 14-09-2026
Zaaknummer 24/1181 RM
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste en enige aanleg

Samenvatting

Beëindiging rio-opleiding en ontslag uit zijn functie. De Raad oordeelt dat een op 9 november 2023 aan een rechter in opleiding gedane mondelinge mededeling geen besluit is. Verder oordeelt de Raad dat de tussentijdse beëindiging van de opleiding en het ontslag uit de functie van rio standhoudt. Het ontslag is niet in strijd met de Wgbh/cz.

Uitspraak

SAMENVATTING

24/1181 RM, 24/2233 RM

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de beroepen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het bestuur van de rechtbank Limburg (bestuur)

Datum uitspraak: 10 september 2026

De Raad oordeelt dat een op 9 november 2023 aan een rechter in opleiding gedane mondelinge mededeling geen besluit is. Verder oordeelt de Raad dat de tussentijdse beëindiging van de opleiding en het ontslag uit de functie van rio standhoudt. Het ontslag is niet in strijd met de Wgbh/cz.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. Damen, advocaat, de beroepen ingesteld. Het bestuur heeft verweerschriften ingediend. Beide partijen hebben nadere stukken ingezonden.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 mei 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Damen. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. de Bruijn en mr. F.H. Machiels.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellant is met ingang van [datum 1] 2020 voor de looptijd van zijn opleiding tot [datum 2] 2023, benoemd tot rechter in opleiding (rio) bij de rechtbank [arrondissement] . Na de voorfase is hij vanaf [datum 3] 2021 gestart in de Leerwerkomgeving [omgeving 1] (LWO I). Appellant is van 4 mei 2021 tot en met 29 mei 2022 arbeidsongeschikt geweest wegens ziekte. Vervolgens heeft hij, na aanpassing van zijn opleidingsplan en wijziging van de einddatum naar [datum 2] 2024 op [datum 4] 2022, zijn opleiding met ingang van [periode 1] vervolgd in LWO I. Op [datum 5] 2023 heeft een tussenbeoordeling van appellant over de periode van [periode 2] plaatsgevonden met het eindoordeel ‘voldoende’.

Appellant is met ingang van [datum 2] 2023 gestart in de Leerwerkomgeving [omgeving 2] (LWO II). Zijn praktijkopleiders zijn mr. [naam 1] en mr. [naam 2] .

Op [datum 6] 2023 heeft appellant een e-mail aan zijn twee praktijkopleiders gezonden. Hierin heeft hij aangegeven zich oncomfortabel bij de opleiding te voelen en een gevoel van onveiligheid te ervaren, waarbij hij niet precies kan duiden waardoor dat komt en dat hij tijd nodig heeft om te recapituleren. Appellant heeft vervolgens verlof opgenomen en is naar huis gegaan. Het driemaandelijkse evaluatiegesprek dat op [datum 7] 2023 zou plaats vinden is vervolgens opgeschort. Op [datum 8] 2023 heeft appellant hierover een gesprek gehad met zijn opleiders.

Op [datum 9] 2023 heeft een eerste tussenevaluatie en op [datum 10] 2023 heeft een tweede tussenevaluatie over LWO II plaatsgevonden.

Appellant heeft zich op 19 oktober 2023 ziekgemeld. De bedrijfsarts acht appellant niet ziek, maar heeft wel een time-out van één week geadviseerd.

Op 9 november 2023 heeft appellant een gesprek gehad met de president en een rechterlijk bestuurslid van de rechtbank. Naar aanleiding van dit gesprek heeft appellant bezwaar gemaakt. Met een besluit van 12 april 2023 (bestreden besluit 1) heeft het bestuur het bezwaar van appellant kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Nadat appellant op [datum 12] 2023 aan het bestuur heeft laten weten zijn rioopleiding te willen voortzetten, is besloten om op zoek te gaan naar een nieuwe praktijkopleider. Op [datum 13] 2023 heeft de teamvoorzitter aan appellant laten weten dat er een nieuwe beoogde opleider is gevonden.

Op 23 november 2023 heeft appellant zich vervolgens weer ziekgemeld. De bedrijfsarts acht appellant niet ziek, maar adviseert wederom een time-out, nu voor de duur van twee weken. Op de laatste dag van deze termijn, heeft appellant zich opnieuw ziekgemeld. De bedrijfsarts is op 22 december 2023 van oordeel dat sprake is van ziekte of gebrek en dat daaruit beperkingen voortvloeien.

Na het voornemen daartoe aan appellant bekend te hebben gemaakt, waarop appellant zijn zienswijze heeft gegeven, heeft het bestuur met een besluit van 14 maart 2024 de opleiding van appellant per die datum beëindigd op andere gronden als bedoeld in artikel 9 van het Boro en is aan appellant met ingang van 14 juni 2024 ontslag verleend uit zijn functie van rio op grond van artikel 2da, tweede lid, in samenhang met artikel 36a, eerste lid, van het Brra, waarbij rekening is gehouden met de verlengingsduur van artikel 36a, tweede lid, van het Brra.

Op 14 juni 2024 is appellant ziek uit dienst overgedragen aan de Dienst [naam dienst] .

Met een besluit van 22 augustus 2024 (bestreden besluit 2) heeft het bestuur de bezwaren van appellant tegen het besluit van 14 maart 2024 ongegrond verklaard.

Het standpunt van appellant

2. Appellant is het met de bestreden besluiten niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.Het oordeel van de Raad

3. De regelgeving die voor de beoordeling van de beroepen belangrijk is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De mondelinge mededeling op 9 november 2023 (bestreden besluit 1, 24/1181)

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of het bestuur in het gesprek van 9 november 2023 aan appellant heeft medegedeeld dat hij na voltooiing van zijn rio-opleiding niet aansluitend met ingang van [datum 2] 2024 als rechterlijk ambtenaar zal worden benoemd bij de rechtbank [arrondissement] en of deze mededeling moet worden gezien als een besluit in zin van 1:3 van de Awb.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Raad tot de overtuiging gekomen dat het gesprek van 9 november 2023 met name ging over de zorgen omtrent de opleiding van appellant en de vraag of appellant uit eigen beweging zijn opleiding zou willen beëindigen waarbij hij tot het einde van de opleidingsduur vrijgesteld zou kunnen worden van werkzaamheden. Het is niet ondenkbaar dat dit gesprek op appellant is overgekomen als de mededeling van een besluit dat hij na voltooiing van zijn rio-opleiding niet aansluitend als rechterlijk ambtenaar zou worden benoemd. De Raad heeft echter onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat er aan appellant daadwerkelijk een mededeling is gedaan die erop gericht was in te grijpen in de rechtspositie van appellant. De Raad kan zich dan ook verenigen met het door het bestuur ingenomen standpunt dat er geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Ook is geen sprake van een andere handeling zoals bedoeld in artikel 8:2 van de Awb omdat appellant door de betreffende handeling niet in een rechtspositioneel belang is getroffen, zoals hiervoor overwogen. Het bestuur heeft het bezwaar van appellant bij bestreden besluit 1 terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.Beëindiging van de rio-opleiding op andere gronden en ontslag (bestreden besluit 2, 24/2233 RM)

Verder is in geschil of het bestuur terecht en op goede gronden de rio-opleiding van appellant met ingang van 14 maart 2024 op andere gronden als bedoeld in artikel 9 van het Boro heeft beëindigd, omdat de opleiding niet met gunstig resultaat zal kunnen worden afgesloten.

Aan bestreden besluit 2 heeft het bestuur ten grondslag gelegd dat tijdens de opleiding in LWO II is geconcludeerd dat appellant, door zijn huidige ziekte die voortzetting van de opleiding verhindert en de beperkte resterende duur van de rio-opleiding tot [datum 2] 2024, zijn rio-opleiding niet met gunstig resultaat zal kunnen afronden. Door zijn huidige ziekte, de stand van de rio-opleiding tot dusver en de onmogelijkheid de rioopleiding nogmaals te verlengen zal het appellant niet lukken om te voldoen aan de vereisten die gelden voor een beginnend rechter en de rio-opleiding met gunstig resultaat af te ronden per 1 april 2024. Daarbij heeft het bestuur gewezen op een flink tekort in aantallen vonnissen en het te behalen niveau.Verlenging van de opleidingsduur

Appellant heeft aangevoerd dat hij de opleiding nog met goed gevolg kan afronden omdat het bestuur op grond van artikel 7, eerste lid, van het Boro de mogelijkheid heeft om de opleidingsduur met een jaar te verlengen. Daarbij heeft hij zich op het standpunt gesteld dat het bestuur bij de aanpassing van het opleidingsplan in 2022 niet formeel toepassing heeft gegeven aan artikel 7, eerste lid, van het Boro en die verlengingsmogelijkheid dus nog steeds mogelijk is.

Op grond van artikel 7, eerste lid, van het Boro kan de rechtbank wanneer de rechter in opleiding aan het eind van de opleiding niet geheel aan de eindtermen voldoet of zal kunnen voldoen door objectiveerbare omstandigheden die de ontwikkeling van de rechter in opleiding hebben verstoord, de duur van de opleiding verlengen. De verlenging bedraagt niet meer dan een jaar. Blijkens de nota van toelichting bij het Boro dient hierbij gedacht te worden aan omstandigheden zoals ziekte en zwangerschap, of andere objectiveerbare omstandigheden. Dit kan al tijdens de opleidingsduur blijken. In totaal kan de opleiding echter met niet meer dan met een jaar worden verlengd.

De einddatum van de opleiding van appellant was in het opleidingsplan aanvankelijk vastgesteld op [datum 2] 2023. Omdat appellant over de periode 4 mei 2021 tot en met 29 mei 2022 arbeidsongeschikt is geweest wegens ziekte, heeft het bestuur er toen voor gekozen om het opleidingsplan van appellant op [datum 14] 2022 aan te passen en de duur van de opleiding te verlengen tot [datum 2] 2024. Ondanks het feit dat het bestuur niet de expliciete grondslag heeft genoemd die aan dat besluit ten grondslag lag, is de Raad van oordeel dat die grondslag moet zijn gelegen in artikel 7 van het Boro, omdat het Boro geen andere mogelijkheden tot verlenging van de opleidingsduur geeft.

Daarmee staat vast dat de rio-opleiding van appellant op [datum 4] 2022 met toepassing van artikel 7, eerste lid, van het Boro tussentijds met een jaar is verlengd, tot [datum 2] 2024. Omdat artikel 7, eerste lid, van het Boro bepaalt dat de opleiding met niet meer dan met een jaar kan worden verlengd, zijn de verlengingsmogelijkheden op grond van het Boro uitgeput.

Appellant heeft voorts betoogd dat het bestuur over had moeten gaan tot een buitenwettelijke verlenging van zijn opleidingsduur omdat hij in zijn ontwikkeling en prestaties is gehinderd door een onveilig leerklimaat bij LWO II.

Appellant kan niet gevolgd worden in zijn betoog. Het bestuur ontkent weliswaar niet dat er door de praktijkopleiders wel eens een pittig gesprek met appellant is gevoerd, maar volgens vaste rechtspraakmoet een rio in staat worden geacht om zich ook onder moeilijke omstandigheden te ontwikkelen tot het niveau van een beginnend rechter. Hierbij behoort ook het kunnen omgaan met en lering trekken uit zeer kritische feedback. Appellant heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat zijn opleiding tekortkomingen heeft vertoond of dat de praktijkopleiders tekort zijn geschoten in hun taak om hem te begeleiden. Daarbij komt dat appellant meermaals heeft overwogen om van opleiders te wisselen, maar daar steeds vanaf heeft gezien. Bovendien is er, toen appellant uiteindelijk op 9 november 2023 bij het bestuur zijn onveilige gevoel bij zijn opleiders kenbaar had gemaakt, naar een nieuwe opleider gezocht en heeft de teamvoorzitter op [datum 13] 2023 aan appellant laten weten dat er een nieuwe beoogde opleider is gevonden. Dat appellant zijn opleiding vervolgens niet heeft kunnen voortzetten in verband met zijn ziekmeldingen doet daar niet aan af.

Vereisten voor een beginnend rechter

Appellant diende op [datum 2] 2024 dan ook te voldoen aan de vereisten die gelden voor een beginnend rechter.

Gelet op het feit dat met appellant een aantal van globaal 35 vonnissen was afgesproken en appellant op [datum 15] 2024 slechts 14 dan wel 15 vonnissen had geschreven, was het mede gelet op zijn arbeidsongeschiktheid niet meer realistisch om te veronderstellen dat appellant voor [datum 2] 2024 zou voldoen aan het aantal te schrijven vonnissen. Daarbij komt dat appellant onbetwist ook nog niet functioneerde op het verwachte C-D eindniveau, en ook niet reëel meer was dat hij voor [datum 2] 2024 op dat niveau zou geraken. Het bestuur heeft dan ook kunnen concluderen dat appellant nog niet aan de eindtermen voldeed en dat het onmogelijk was dat appellant in de nog korte resterende periode daar wel aan zou kunnen voldoen.

Hiermee is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 9 van het Boro.

Direct onderscheid op grond van chronische ziekte

Appellant heeft aangevoerd dat het bestuur een verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van een chronische ziekte, door (mede) op grond van chronische ziekte zijn opleiding tussentijds te beëindigen en hem vervolgens ontslag te verlenen uit zijn functie van rio. Appellant heeft hierbij verwezen naar artikel 4, aanhef en onder b, van de Wgbh/cz, in samenhang gelezen met artikel 1 Wgbh/cz.

Het begrip “chronische ziekte” is in de Wgbh/cz niet nader gedefinieerd. De Wgbh/cz is mede tot stand gekomen naar aanleiding van de Europese Richtlijn 2000/78/EG van 27 november 2000 (Kaderrichtlijn). De Kaderrichtlijn gebruikt het begrip chronische ziekte niet. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) heeft voor het daar wel gehanteerde, maar niet gedefinieerde begrip handicap aansluiting gezocht bij het VNVerdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Het HvJ EU heeft het begrip vervolgens uitgelegd als zijnde een beperking die met name het gevolg is van lichamelijke, geestelijke of psychische aandoeningen die in wisselwerking met diverse drempels de betrokkene kunnen beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met andere werknemers aan het beroepsleven deel te nemen. Aanwijzingen of een beperking van lange duur is, zijn volgens het HvJ EU of er op het moment van het ontslag geen duidelijk vooruitzicht bestaat op herstel van de werknemer op korte termijn en daarnaast of de ongeschiktheid tot werken lang kan voortduren.Het langdurige karakter van de beperking moet worden onderzocht tegen de achtergrond van de ongeschiktheid als zodanig van de betrokkene op de datum van vaststelling van de handeling die beweerdelijk discriminerend is voor die persoon.

De beroepsgrond van appellant komt erop neer dat hij is getroffen door een psychische aandoening en deze aandoening moet worden aangemerkt als een chronische ziekte zoals bedoeld in de Wgbh/cz, omdat deze langdurige beperkingen met zich brengt. Appellant heeft daarbij gewezen op de oordelen van de bedrijfsarts en de verklaringen van zijn huisarts en zijn behandeld psychiater/psychoanalytisch psychotherapeut.

Vast staat dat appellant ten tijde van de ontslagverlening op 14 maart 2024 ziek was en ook nu nog is. Appellant heeft echter onvoldoende onderbouwd dat op het moment van ontslagverlening sprake was van een chronische ziekte als bedoeld in de Wgbh/cz.

Uit de gedingstukken blijkt dat de bedrijfsarts appellant eerst op 22 december 2023 ziek heeft geacht. Verder blijkt uit het dossier dat appellant ten tijde van de ontslagverlening nog niet onder behandeling voor zijn klachten was en dat er nog geen medische diagnose was gesteld. Op 12 juni 2024 heeft de bedrijfsarts geoordeeld dat de huidige situatie strikt genomen niet voldoet aan de wettelijke criteria ‘Geen benutbare mogelijkheden’ en dat er theoretische arbeidsmogelijkheden zijn. Ook na 2 juni 2024 heeft de bedrijfsarts nimmer geconcludeerd dat sprake is van ‘Geen benutbare mogelijkheden’. Op 4 september 2024 heeft de huisarts verklaard dat appellant voor zijn psychische klachten is doorverwezen naar de GGZ en dat in de zomer van 2024 de gesprekken zijn begonnen, hetgeen wordt bevestigd in de verklaring van de behandeld psychiater/psychoanalytisch psychotherapeut van 24 december 2024. Uit het re-integratieverslag van de arbeidsdeskundige komt naar voren dat de klachten van appellant in de loop van 2024 en 2025 verder zijn toegenomen en dat de behandeling is geïntensiveerd.

Op basis van deze gegevens kan niet de conclusie worden getrokken dat er ten tijde van de ontslagverlening op 14 maart 2024 sprake was van een chronische ziekte. Het enkele feit dat appellant vanaf augustus 2024 medisch wordt behandeld en op enig moment daarna is gediagnosticeerd met een psychische aandoening, is daarvoor naar het oordeel van de Raad onvoldoende. Appellant heeft bovendien geen enkel verband gelegd tussen de aard en ernst van de aandoening en de uiteindelijke gevolgen daarvan voor de door hem te verrichten werkzaamheden als rechter. Er was op het moment van de ontslagverlening geen reden om te veronderstellen dat hij door de aard van de aandoening langdurig zou worden belemmerd in het volledig deelnemen aan het beroepsleven als rechter.

Ook uit wat appellant verder heeft aangevoerd, volgt niet dat bestreden besluit 2 onrechtmatig is.

Conclusie en gevolgen

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de beroepen ongegrond zijn. Dat betekent dat de beëindiging van de rio-opleiding en het ontslag in stand blijven.

Bij deze uitkomst is er geen grond voor de door appellant gevraagde schadevergoeding. Het verzoek om schadevergoeding zal daarom worden afgewezen.

4. Omdat de beroepen niet slagen krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en G.C. Boot en M.B. van den Haak als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) F.M. Gerritsen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Besluit opleiding rechters en officieren van justitie

Artikel 7

1. Wanneer de rechter in opleiding of officier in opleiding aan het eind van de opleiding niet geheel aan de eindtermen voldoet of zal kunnen voldoen door objectiveerbare omstandigheden die de ontwikkeling van de rechter in opleiding onderscheidenlijk officier in opleiding hebben verstoord, kan de functionele autoriteit de duur van de opleiding verlengen. De verlenging bedraagt niet meer dan een jaar.

2. De opleiding kan eenmalig voor een periode van maximaal drie maanden worden onderbroken voor buitengewoon verlof op verzoek van de betrokkene.

Artikel 9

Indien Onze Minister, indien het een officier in opleiding betreft, respectievelijk het gerechtsbestuur, indien het een rechter in opleiding betreft, in de loop van de opleiding op grond van een beoordeling, bedoeld in artikel 8, dan wel op andere gronden tot het oordeel komt dat de opleiding niet met gunstig resultaat zal kunnen worden afgesloten of de officier in opleiding respectievelijk de rechter in opleiding niet geschikt is voor de functie waartoe hij wordt opgeleid, beëindigt hij diens opleiding, met inachtneming van de in artikel 2da, derde lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren bedoelde verlengingsduur.

Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren

Artikel 2da

1. De benoeming in een ambt als bedoeld in artikel 2, achtste lid, van de wet geschiedt in tijdelijke dienst.

2. De benoemingsduur in het in het eerste lid bedoelde ambt is gelijk aan de opleidingsduur bedoeld in de artikelen 6 en 7 van het Besluit opleiding rechters en officieren van justitie.

3. In afwijking van het tweede lid wordt de duur van de in het eerste lid bedoelde benoeming verlengd met de termijn, bedoeld in artikel 36a, tweede lid, indien de opleiding, bedoeld in artikel 2 van het Besluit opleiding rechters en officieren van justitie, eindigt zonder een voordracht voor benoeming als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van het Besluit opleiding rechters en officieren van justitie.

Artikel 36a

1. Aan de rechterlijk ambtenaar die in tijdelijke dienst is benoemd, wordt geacht ontslag te zijn verleend met ingang van de dag waarop de duur van de benoeming in tijdelijke dienst is verstreken, tenzij sprake is van een stilzwijgende voortzetting van een benoeming als bedoeld in artikel 2d, eerste en tweede lid.

2. De rechterlijk ambtenaar die in tijdelijke dienst is benoemd, kan tussentijds worden ontslagen, met dien verstande dat dit ontslag niet eerder ingaat dan na het verstrijken van een termijn van:

a. drie maanden, indien de rechterlijk ambtenaar op de dag van de ontslagverlening ten minste twaalf maanden onafgebroken als rechterlijk ambtenaar werkzaam is geweest;

b. twee maanden, indien de rechterlijk ambtenaar op de dag van de ontslagverlening ten minste zes maanden onafgebroken als rechterlijk ambtenaar werkzaam is geweest; en

c. een maand, indien de rechterlijk ambtenaar op de dag van de ontslagverlening korter dan zes maanden onafgebroken als rechterlijk ambtenaar werkzaam is geweest.

Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte

Artikel 1

In deze wet wordt verstaan onder:

a. onderscheid: direct en indirect onderscheid, alsmede de opdracht daartoe;

b. direct onderscheid: indien een persoon op grond van handicap of chronische ziekte op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld;

c. indirect onderscheid: indien een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een handicap of chronische ziekte in vergelijking met andere personen bijzonder treft.

Artikel 4

Onderscheid is verboden bij:

a. de aanbieding van een betrekking en de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking;

b. het aangaan en het beëindigen van een arbeidsverhouding;

c. het aanstellen of ontslaan van personen, op wie artikel 3 van de Ambtenarenwet 2017 van toepassing is;

d. de arbeidsbemiddeling;

e. arbeidsvoorwaarden;

f. het laten volgen van onderwijs, scholing en vorming tijdens of voorafgaand aan een arbeidsverhouding;

g. bevordering;

h. arbeidsomstandigheden.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand