ECLI:NL:CRVB:2026:1181

ECLI:NL:CRVB:2026:1181

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 10-09-2026
Datum publicatie 14-09-2026
Zaaknummer 25/1995 WLZ
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Het CIZ heeft de aanvraag van appellant om zorg op grond van de Wlz terecht afgewezen. Voor de somatische problematiek is geen sprake van een noodzaak tot 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Voor het benoemen van een deskundige bestaat geen aanleiding.

Uitspraak

SAMENVATTING

25/1995 WLZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 augustus 2025, 23/8414 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het CIZ

Datum uitspraak: 10 september 2026

Het gaat in deze zaak om de vraag of appellant in aanmerking komt voor zorg op grond van de Wlz. De Raad volgt de rechtbank in het oordeel dat voor de somatische problematiek geen sprake is van een noodzaak tot 24 uur per dag zorg in de nabijheid, dat dat voor de overige problematiek wel het geval is, maar dat nog niet kan worden vastgesteld dat dat blijvend nodig zal zijn. Dit betekent dat het CIZ de aanvraag van appellant om zorg op grond van de Wlz terecht heeft afgewezen. Voor het benoemen van een deskundige bestaat geen aanleiding.

PROCESVERLOOP

Namens appellant, wettelijk vertegenwoordigd door zijn moeder [naam moeder] , heeft mr. S. Maachi, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 augustus 2026. Voor appellant is zijn moeder verschenen, bijgestaan door mr. Maachi. Het CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.R. Kater.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellant, geboren in 2014, is bekend met diverse klachten. In verband hiermee heeft appellant op 14 februari 2023 een aanvraag ingediend voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet langdurige zorg (Wlz).

Met een besluit van 12 april 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 21 november 2023 (bestreden besluit), heeft het CIZ de aanvraag van appellant afgewezen. Het CIZ heeft daarbij onder meer verwezen naar medische adviezen van 3 oktober 2023 en 10 oktober 2023. In deze medische adviezen is vermeld dat bij appellant sprake is van de grondslagen somatiek, verstandelijke handicap en psychische stoornis. De beperkingen die voortkomen uit de grondslag somatiek leiden tot een planbare zorgbehoefte en de aanwezige hoestaanvallen zijn met medicatie goed te behandelen en zijn niet levensbedreigend. Daarom is er voor de somatische beperkingen geen medische noodzaak voor 24 uur zorg in de nabijheid. De beperkingen die voortkomen uit de verstandelijke handicap en psychische stoornis beïnvloeden elkaar en zijn met elkaar verweven en leiden tot een noodzaak voor 24 uur zorg in de nabijheid. Er is echter nog behandeling mogelijk. Van deze behandeling is vermindering van de klachten te verwachten, waardoor het functioneren van appellant kan verbeteren en er een afname van de begeleidingsbehoefte is te verwachten. Daarom kan volgens de medisch adviseur nu geen blijvende behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid worden vastgesteld.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft samengevat het volgende overwogen. Het CIZ heeft zich mogen baseren op de verschillende adviezen die door de medisch adviseur, ook nog aanvullend in beroep, zijn uitgebracht. Deze adviezen zijn op zorgvuldige wijze tot stand gekomen. De medisch adviseur heeft dossierstudie verricht en de beschikbare medische informatie van de behandelaars van appellant bij de beoordeling betrokken. In de medische adviezen is toereikend gemotiveerd dat er wat betreft de somatische problematiek geen behoefte is aan 24 uur per dag zorg en dat voor het overige ten tijde van het bestreden besluit geen blijvende behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid kan worden vastgesteld. Appellant heeft geen objectieve (medische) informatie overgelegd die wijst op de onjuistheid van de medische beoordeling. Het CIZ heeft de aanvraag van appellant dan ook terecht afgewezen.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd dat de adviezen van de medisch adviseur van het CIZ onvoldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De medisch adviseur heeft appellant niet in persoon gezien. Verder blijkt uit recente medische informatie van het Erasmus MC dat appellant een blijvende diagnose heeft die een blijvende zorgbehoefte geeft. Behandeling is niet mogelijk. Hierdoor moet worden getwijfeld aan de juistheid van de adviezen van de medisch adviseur van het CIZ. Appellant verzoekt om een onafhankelijke deskundige in te schakelen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Voorop staat dat de te beoordelen periode in deze zaak loopt van 14 februari 2023 (datum aanvraag) tot en met 21 november 2023 (datum bestreden besluit).

De rechtbank is op de onder 2 weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat het onderzoek van de medisch adviseur van het CIZ voldoende zorgvuldig is geweest en dat het CIZ de aanvraag van appellant terecht heeft afgewezen. De Raad verenigt zich met dit oordeel van de rechtbank en voegt hier het volgende aan toe. De medisch adviseur heeft alle beschikbare medische informatie bij haar onderzoek betrokken. Zij heeft expliciet vermeld dat zij het niet nodig vond om appellant in persoon te zien of te onderzoeken, omdat de beschikbare informatie voldoende relevant en actueel was om tot een medisch oordeel te komen. Het zien van appellant zou volgens haar daarom geen toegevoegde waarde hebben. Appellant heeft niet concreet toegelicht en onderbouwd wat in dit geval het zien van appellant door de medisch adviseur had kunnen toevoegen en welke informatie door de medisch adviseur is gemist. Gelet hierop valt niet in te zien dat de medisch adviseur zich geen duidelijk beeld heeft kunnen vormen over de vraag of appellant in de periode in geding blijvend 24 uur zorg in de nabijheid nodig had als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wlz. Appellant wordt dan ook niet gevolgd in zijn standpunt dat de medisch adviseur appellant in persoon had moeten zien.

Met betrekking tot de somatische problematiek heeft appellant geen (medische) stukken overgelegd die aanleiding geven om te twijfelen aan de conclusie van de medisch adviseur dat er in de periode hier in geding geen medische noodzaak is voor 24 uur zorg in de nabijheid.

Met betrekking tot de overige beperkingen heeft appellant evenmin met (medische) stukken onderbouwd dat moet worden getwijfeld aan het standpunt van de medisch adviseur dat er ten tijde van belang nog behandeling mogelijk was waardoor het functioneren van appellant nog kon verbeteren en daardoor nog niet was vast te stellen dat appellant een blijvende behoefte heeft aan 24 uur zorg in de nabijheid. Dat er inmiddels een nieuwe diagnose is gesteld bij appellant en dat de behandelaars van appellant verwachten dat hij nooit helemaal zelfstandig zal kunnen functioneren, maakt niet dat de conclusie van de medisch adviseur in de hier te beoordelen periode voor onjuist moet worden gehouden. Dat een aandoening blijvend is, betekent niet dat de daaruit voortvloeiende zorgbehoefte niet zou kunnen afnemen. Ook de behandelend kinderarts gaat er in zijn brief van 5 december 2024 nog vanuit dat verbetering van het functioneren van appellant mogelijk is.

Nu appellant voldoende gelegenheid heeft gehad om zelf medische stukken over te leggen en daarvan ook gebruik heeft gemaakt en hij onvoldoende twijfel heeft gezaaid over de beoordeling door het CIZ, bestaat er geen aanleiding om een deskundige te benoemen.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. De afwijzing van de aanvraag blijft in stand en appellant komt dus niet in aanmerking voor Wlz-zorg.

Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé in tegenwoordigheid van C.C.M. van ‘t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) C.C.M. van ‘t Hol

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand