SAMENVATTING
25/2094 WLZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 september 2025, 24/4519 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het CIZ
Datum uitspraak: 10 september 2026
Deze uitspraak gaat over de vraag of het CIZ de aanvraag van appellante voor zorg op grond van de Wlz terecht heeft afgewezen. De Raad volgt het CIZ in het standpunt dat bij appellante geen sprake is van een noodzaak aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Appellante komt reeds daarom niet in aanmerking voor Wlz-zorg.
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld en een stuk ingediend. Mr. O.H.G. Daane Bolier, advocaat, heeft zich als gemachtigde gesteld en de gronden aangevuld. Het CIZ heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 augustus 2026. Voor appellante is mr. Daane Bolier verschenen. Het CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.R. Kater.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante is bekend met lichamelijke en psychische klachten. In verband hiermee heeft zij op 24 juni 2023 een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz).
Bij besluit van 17 oktober 2023, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 21 maart 2024 (bestreden besluit), heeft het CIZ de aanvraag van appellante afgewezen. Het CIZ heeft zich – onder verwijzing naar het medische advies van 16 oktober 2023 – op het standpunt gesteld dat bij appellante sprake is van de grondslagen psychische stoornis en somatische aandoening. Een blijvende behoefte aan permanent toezicht en/of 24 uur per dag zorg in de nabijheid ter voorkoming van ernstig nadeel heeft het CIZ niet kunnen vaststellen, zodat appellante niet in aanmerking komt voor zorg op grond van de Wlz. Er kan volgens het CIZ namelijk nog niet worden vastgesteld dat er sprake is van een medische eindsituatie. Appellante is door de huisarts verwezen voor verdere behandeling van haar PTSS, waarmee haar functioneren mogelijk kan verbeteren en daarmee haar zorgbehoefte kan afnemen.
In beroep heeft appellante brieven van de huisarts van 9 februari 2025 en van InDividu van 5 september 2024 ingebracht. Op 10 maart 2025 heeft de medisch adviseur van het CIZ een nader medisch advies uitgebracht.
Tussenuitspraak van de rechtbank
2. In een tussenuitspraak van 2 april 2025 heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank heeft overwogen dat, gelet op de in beroep overgelegde brieven van de huisarts en van In-Dividu, uit de enkele verwijzing door de huisarts niet zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een medische eindsituatie en dus ook niet of sprake is van een ‘blijvende behoefte’ als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz. Dit temeer nu uit het onderzoek van het CIZ niet blijkt van informatie over het resultaat dat verdere behandeling voor appellante zou kunnen hebben. De rechtbank heeft het CIZ in de gelegenheid gesteld het gebrek te herstellen.
Het CIZ heeft vervolgens nader onderzoek gedaan en de motivering van het bestreden besluit aangevuld. Onder verwijzing naar een op 11 juli 2025 uitgebracht medisch advies van de medisch adviseur heeft het CIZ het standpunt ingenomen dat de zorgbehoefte bestaat uit planbare zorg, zodat geen 24 uur zorg in de nabijheid ter voorkoming van ernstig nadeel nodig is. Daarnaast staat volgens het CIZ de blijvendheid nog steeds niet vast.
Uitspraak van de rechtbank
In de aangevallen einduitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft overwogen dat wat in de tussenuitspraak is geoordeeld over het onderzoek naar de blijvendheid van de zorgbehoefte nog steeds geldt. Echter, met het medisch advies van 11 juli 2025 is nu ook onderbouwd dat geen sprake is van ‘ernstig nadeel’ als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz. Het CIZ mag zich op dit advies van de medisch adviseur baseren, omdat dit advies op voldoende zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, inzichtelijk en voldoende concludent is. Appellante heeft geen (medische) stukken ingediend of gronden naar voren gebracht die kunnen doen twijfelen aan de conclusie van de medisch adviseur. Hiermee heeft het CIZ het gebrek hersteld. De rechtbank heeft daarom de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de einduitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Uit wat appellante heeft aangevoerd, volgt niet dat het medisch advies van 11 juli 2025 niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, niet concludent of anderszins onjuist is. Het betoog van appellante dat het onderzoek onzorgvuldig is, omdat de medisch adviseur zich gebaseerd heeft op informatie uit een eerder onderzoek uit 2021 slaagt niet. De echtgenoot van appellante heeft zelf aangegeven dat er weinig veranderd was sinds de laatste beoordeling in 2021, zodat niet valt in te zien waarom de medisch adviseur deze informatie niet bij de beoordeling kon betrekken. Bovendien heeft de medisch adviseur ook nieuwe informatie van de behandelaars bij de beoordeling betrokken.
Bij de aangevallen einduitspraak heeft de rechtbank onder verwijzing naar het medisch advies van 11 juli 2025 geoordeeld dat het CIZ afdoende heeft gemotiveerd dat appellante niet is aangewezen op 24 uur per dag zorg in de nabijheid om ernstig nadeel voor haarzelf te voorkomen Anders dan appellante meent, is de rechtbank hiermee niet teruggekomen op de tussenuitspraak. De rechtbank heeft slechts het nadere standpunt van het CIZ gevolgd dat er nog een andere reden is waarom de aanvraag om Wlz-zorg dient te worden afgewezen en dat dit reeds meebrengt dat appellante niet in aanmerking komt voor Wlz-zorg. De Raad is het eens met dit oordeel van de rechtbank. Volgens de medisch adviseur is appellante angstig om alleen te zijn en is er sprake van een verminderd regievermogen. De actuele zorgbehoefte is echter adequaat te compenseren met voldoende planbare zorg. Met deze zorg kan ernstig nadeel, zoals verwoord in de Wlz, voorkomen worden. Zoals ook ter zitting is toegelicht is uit de beschikbare gegevens niet op te maken dat sprake is van dreigende gezondheidsschade door bijvoorbeeld risicovol gedrag als appellante alleen is en zich angstig voelt. Hieruit blijkt ook dat appellante niet wordt gevolgd in haar standpunt dat het CIZ enkel op het in 2021 kunnen omgaan met een telefoon de conclusie baseert dat geen noodzaak is voor 24 uur zorg in de nabijheid ter voorkoming van ernstig nadeel.
Wat verder is aangevoerd over de blijvendheid van de zorg kan, gelet op 4.2, onbesproken blijven.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om Wlz-zorg in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé in tegenwoordigheid van C.C.M. van ‘t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026.
(getekend) L.M. Tobé
(getekend) C.C.M. van ‘t Hol
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke bepalingen
Wet langdurige zorg
Artikel 3.2.1.
1. Een verzekerde heeft recht op zorg die op zijn behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden is afgestemd voor zover hij naar aard, inhoud en omvang en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening redelijkerwijs op die zorg is aangewezen omdat hij, vanwege een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking, een psychische stoornis of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, een blijvende behoefte heeft aan:
a. permanent toezicht ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de verzekerde, of
b. 24 uur per dag zorg in de nabijheid, omdat hij zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen en hij, om ernstig nadeel voor hem zelf te voorkomen,
1° door fysieke problemen voortdurend begeleiding, verpleging of overname van zelfzorg nodig heeft, of
2° door zware regieproblemen voortdurend begeleiding of overname van taken nodig heeft.
2. In het eerste lid wordt verstaan onder:
a. blijvend: van niet voorbijgaande aard;
b. permanent toezicht: onafgebroken toezicht en actieve observatie gedurende het gehele etmaal, waardoor tijdig kan worden ingegrepen;
c. ernstig nadeel voor de verzekerde: een situatie waarin de verzekerde:
1° zich maatschappelijk te gronde richt of dreigt te richten;
2° zichzelf in ernstige mate verwaarloost of dreigt te verwaarlozen;
3° ernstig lichamelijk letsel oploopt of dreigt op te lopen dan wel zichzelf ernstig lichamelijk letsel toebrengt of dreigt toe te brengen;
4° ernstig in zijn ontwikkeling wordt geschaad of dreigt te worden geschaad of dat zijn veiligheid ernstig wordt bedreigd, al dan niet doordat hij onder de invloed van een ander raakt;
d. zelfzorg: de uitvoering van algemene dagelijkse levensverrichtingen waaronder de persoonlijke verzorging en hygiëne en, zo nodig, de verpleegkundige zorg;
e. regieproblemen: beperkingen in het vermogen om een adequaat oordeel te vormen over dagelijks voorkomende situaties op het gebied van sociale redzaamheid, probleemgedrag, psychisch functioneren of geheugen en oriëntatie.
(…)