SAMENVATTING
25/1953 WLZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 september 2025, 25/1088 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
CIZ
Datum uitspraak: 10 september 2026
Deze uitspraak gaat over de vraag of het CIZ de aanvraag van appellant om zorg op grond van de Wlz terecht heeft afgewezen. De Raad beantwoordt deze vraag net als de rechtbank bevestigend en ziet in de in hoger beroep overgelegde medische informatie geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het CIZ heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 juli 2026. Appellant heeft via een beeldverbinding deelgenomen aan de zitting en heeft zich laten bijstaan door [naam echtgenote] (echtgenote). Het CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door L.M.R. Kater.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant, geboren in 1977, is bekend met diverse somatische problemen. Appellant heeft op 19 juni 2024 een aanvraag ingediend voor zorg op grond van het bepaalde bij of krachtens de Wet langdurige zorg (Wlz).
Met een besluit van 14 oktober 2024, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 2 januari 2025 (bestreden besluit) heeft het CIZ de aanvraag van appellant afgewezen. Volgens het CIZ is de grondslag somatische aandoening van toepassing en kunnen de vastgelegde stoornissen en beperkingen worden verklaard vanuit de neuropatische pijnen. Het risico op een epileptische aanval is zeer gering. Appellant wordt in staat geacht om hulp in te roepen als dat nodig is. Daarmee is onvoldoende onderbouwing voor een noodzaak voor 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Gezien de nog lopende revalidatie en pijnbehandeling is ook niet uit te sluiten dat verbetering in het functioneren kan ontstaan. Het CIZ heeft zich hierbij gebaseerd op een medisch advies van 14 oktober 2024.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat het CIZ op voldoende zorgvuldige en toereikende wijze heeft gemotiveerd dat geen blijvende noodzaak kan worden vastgesteld voor 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Het CIZ heeft zich mogen baseren op het advies van zijn medisch adviseur, omdat dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Wat appellant heeft aangevoerd geeft onvoldoende aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Daarbij is van belang dat de in beroep overgelegde stukken, waaruit blijkt dat appellant inmiddels niet meer epilepsievrij is, niet zien op de beoordelingsperiode. Appellant heeft geen medische stukken overgelegd die doen twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd dat hem per 19 januari 2026 toegang tot de Wlz is verleend en dat hij reeds ten tijde van de hier te beoordelen periode voldeed aan de voorwaarden voor toegang tot de Wlz. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt medische informatie overgelegd.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De te beoordelen periode loopt van 19 juni 2024 (datum aanvraag) tot en met 2 januari 2025 (datum bestreden besluit).
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat het CIZ het bestreden besluit mocht baseren op het medisch advies van 14 oktober 2024. Daarin is geconcludeerd dat op dat moment onvoldoende onderbouwing was voor een noodzaak voor 24 uur per dag zorg in de nabijheid en dat daarnaast nog niet was uit te sluiten dat het functioneren van appellant zou kunnen verbeteren. In wat appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft de Raad geen steun gevonden om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
Uit de in hoger beroep door appellant overgelegde ongedateerde brief van de neuroloog, de brief van de longarts van 11 september 2025 en de brief van zijn huisarts van 24 september 2025, blijkt niet dat deze zien op de te beoordelen periode zodat deze brieven alleen al daarom onvoldoende aanleiding geven om te twijfelen aan het medisch advies waarop het CIZ het bestreden besluit heeft gebaseerd.
Ook de bij emailbericht van 27 januari 2026 overgelegde, ongedateerde, brief van de huisarts van appellant maakt niet dat moet worden getwijfeld aan het medisch advies waarop het CIZ het bestreden besluit heeft gebaseerd. Volgens de huisarts waren de medische situatie, de beperkingen en de zorgbehoefte van appellant in 2024 inhoudelijk gelijk aan die in 2026 en heeft er geen relevante wijziging in de zorgzwaarte plaatsgevonden. Zoals ter zitting terecht gesteld door het CIZ blijkt uit het dossier dat, anders dan de huisarts schrijft, de medische situatie na de te beoordelen periode is gewijzigd. Uit de brief van de neuroloog van appellant van 8 oktober 2024 blijkt namelijk dat appellant aanvalsvrij is ten aanzien van zijn epilepsie onder ingestelde anti-epileptica. Uit de in beroep overgelegde brief van de neuroloog van 25 februari 2025 blijkt vervolgens dat appellant recent weer epileptische aanvallen heeft.
Ter zitting heeft appellant gesteld dat de neuroloog in 2024 ten onrechte heeft geschreven dat appellant op dat moment aanvalsvrij was ten aanzien van zijn epilepsie. Appellant heeft in dat kader gewezen op brieven van zijn neuroloog van 22 en 23 juli 2026. Uit deze brieven blijkt echter niet dat de neuroloog in de brief van 8 oktober 2024 ten onrechte heeft geschreven dat appellant op dat moment aanvalsvrij was ten aanzien van zijn epilepsie.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat afwijzing van de aanvraag om een Wlz-indicatie in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B. Serno in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026.
(getekend) B. Serno
(getekend) M.J.D. van Haren