ECLI:NL:CRVB:2026:1200

ECLI:NL:CRVB:2026:1200

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 03-09-2026
Datum publicatie 15-09-2026
Zaaknummer 24/1480 AOW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Het hoger beroep is gericht tegen een uitspraak van de rechtbank op verzet. Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld. Er bestaat geen aanleiding voor doorbreking van het wettelijk appèlverbod. De Raad verklaart zich om die reden onbevoegd.

Uitspraak

SAMENVATTING

24/1480 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 mei 2024, 23/10233 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 3 september 2026

In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank op verzet. De Raad beoordeelt of aanleiding bestaat voor doorbreking van het wettelijk appèlverbod. De Raad komt tot het oordeel dat daarvoor geen grond bestaat. Om die reden verklaart de Raad zich onbevoegd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft haar echtgenoot [naam echtgenoot] hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere stukken aan de Raad toegestuurd.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 augustus 2026. Voor appellante is verschenen haar echtgenoot [naam echtgenoot] , die telefonisch aan de zitting heeft deelgenomen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

In het besluit van 31 maart 2023 heeft de Svb aan appellante meegedeeld dat in verband met een beslag in opdracht van Modero Gerechtsdeurwaarders Amsterdam met ingang van april 2023 € 8,33 per maand wordt ingehouden op haar AOW-pensioen.

Met een besluit van 27 juli 2023 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen het besluit van 31 maart 2023 ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Awb van 25 januari 2024 (BRE 23/10233) het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep te laat is ingediend. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzet van appellante tegen die uitspraak ongegrond verklaard. Dit is een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, onder b, van de Awb.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellante is er aanleiding om het zogenoemde appèlverbod te doorbreken. De primaire grief van appellante is dat het Belgische vonnis van 29 september 2016 niet ten grondslag mag worden gelegd aan het beslag omdat dit vonnis tegenstrijdigheden bevat. Volgens appellante is dit vonnis in strijd met Verordening (EU) nr. 1215/2012 gewezen en is daardoor het hogere Europese recht geschonden. Verder heeft appellante betoogd dat zij wel tijdig beroep bij de rechtbank heeft ingesteld en dat door een fout van de griffie haar beroep door de rechtbank in de uitspraak van 25 januari 2024 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Appellante is verder van mening dat zij in de verzetsprocedure ten onrechte niet door de rechtbank is gehoord en dat zij daardoor geen eerlijk proces heeft gehad.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad komt tot het oordeel dat hij niet bevoegd is om kennis te nemen van het hoger beroep gericht tegen de aangevallen uitspraak.

De aangevallen uitspraak is een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb. Hiertegen kan op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c van de Awb, geen hoger beroep worden ingesteld. Voor doorbreking van dit zogenoemde appèlverbod kan volgens vaste rechtspraak grond bestaan indien sprake is van evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is.

Dit kan het geval zijn als een essentieel voorschrift van de verzetprocedure is geschonden. Bijvoorbeeld als een betrokkene niet op een zitting is gehoord, terwijl hij hier wel om heeft gevraagd. Uit het dossier blijkt dat de rechtbank er in de uitspraak van 25 januari 2024 en in de begeleidende brief van 2 februari 2024 op heeft gewezen dat appellante verzet kan indienen tegen die uitspraak en dat zij in het verzetschrift moet vermelden of zij het verzet mondeling wil toelichten op een zitting. Appellante heeft niet in haar verzetschrift vermeld dat zij wil worden gehoord. Nu de rechtbank appellante in de gelegenheid heeft gesteld ter zitting te worden gehoord, is het recht op een eerlijk proces niet geschonden. Ook overigens is niet gebleken van schending door de rechtbank van fundamentele procesrechtelijke rechtsbeginselen in de verzetsfase. De termijn waarbinnen na het ingediende verzet uitspraak moet worden gedaan, is een termijn van orde. Voor zover deze termijn is overschreden, is dit geen reden om het appèlverbod te doorbreken. Ook de overige gronden van appellante kunnen niet leiden tot een doorbreking van het appèlverbod.

De Raad is daarom niet bevoegd een oordeel te geven over de aangevallen uitspraak en de tijdigheid van het beroep. Met de gemachtigde van appellante is ter zitting besproken dat de grieven tegen het Belgische vonnis in dit geding niet aan de orde kunnen komen. Als appellante de geldigheid van dit vonnis wil betwisten dan moet zij dat in België doen. Ook is vaste rechtspraak dat de geldigheid van een beslag moet worden aangevochten bij de Nederlandse civiele rechter.

Conclusie en gevolgen

Uit het voorgaande volgt dat er geen grond is voor doorbreking van het appèlverbod. Dit betekent dat de Raad onbevoegd is.

5. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding. In hoger beroep is geen griffierecht geheven.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 september 2026.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) F.M. Gerritsen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand