SAMENVATTING
25/2031 ANW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 augustus 2025, 24/5608 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 3 september 2026
Deze uitspraak gaat over de vraag of de Svb terecht de herhaalde aanvraag van appellante om toekenning van een ANW-uitkering heeft afgewezen. Volgens de Svb is er geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden en is het bestreden besluit niet onmiskenbaar onjuist. Met de rechtbank oordeelt de Raad dat de Svb de herhaalde aanvraag terecht heeft afgewezen. Appellante heeft ook voor de toekomst geen recht op een nabestaandenuitkering.
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 23 juli 2026. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante, geboren in 1957, woont in Marokko en was gehuwd met [naam echtgenoot] (echtgenoot), geboren in 1943. De echtgenoot van appellante heeft gewoond en gewerkt in Nederland. Hij ontving een pensioen op grond van de AOW. Na zijn overlijden op [datum] 2020 heeft appellante in oktober 2021 een uitkering op grond van de ANW aangevraagd. Met een besluit 30 november 2021 is de aanvraag afgewezen op de grond dat de echtgenoot van appellante niet verzekerd was voor de ANW. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt.
In december 2022 heeft appellante de Svb gevraagd het besluit van 30 november 2021 te herzien. Met een besluit van 11 januari 2023 heeft de Svb dat verzoek afgewezen en de afwijzing na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 18 april 2023 (bestreden besluit). Hiertoe heeft de Svb besloten omdat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd en dat niet is gebleken dat het besluit van 30 november 2021 onmiskenbaar onjuist is. Er bestaat ook geen recht op ANW-uitkering met ingang van de maand waarin appellante het herzieningsverzoek heeft ingediend.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden niet is gebleken. Appellante heeft geen nieuwe gegevens naar voren gebracht waaruit blijkt dat haar echtgenoot toen hij overleed wel verzekerd was voor de ANW. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om het besluit onmiskenbaar onjuist te achten. Daarom is de afwijzing van het herzieningsverzoek niet evident onredelijk. Voor de periode in de toekomst is de rechtbank van oordeel dat de Svb aan appellante geen ANW-uitkering hoeft toe te kennen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
Appellante verzoekt de Svb om op het in rechte vaststaande besluit van 30 november 2021 terug te komen als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Deze zaak gaat over een duuraanspraak. Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat bij de toetsing van een besluit over een herhaalde aanvraag bij een duuraanspraak een onderscheid gemaakt moet worden tussen het verleden en de toekomst.
Wat betreft de toekomst geldt dat de Svb met juistheid heeft geconcludeerd dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor het toekennen van een ANW-uitkering. De echtgenoot van appellante was ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd voor de ANW omdat hij niet in Nederland woonde of werkte. Daarnaast was hij niet vrijwillig verzekerd. Op het aanvraagformulier lijkt weliswaar aangegeven te zijn dat de echtgenoot verzekerd was – zowel het vakje niet verzekerd als het vakje wel verzekerd is aangekruist – maar uit het door de CNSS ingevulde formulier MN/NM 205 blijkt niet van verzekerde periodes van de echtgenoot in het jaar 2020. Het ontbreken van een verzekering voor socialezekerheidsregelingen in Marokko brengt mee dat appellante geen recht op nabestaandenuitkering kan ontlenen aan het NMV.
Er is dus geen reden om het besluit van de Svb voor wat betreft de toekomst onjuist te houden. Daaruit volgt ook dat, voor wat betreft het verleden, er geen reden is om dit besluit als onmiskenbaar onjuist te beschouwen. Ook ziet de Raad geen (andere) redenen waarom de afwijzing van de herhaalde aanvraag evident onredelijk is. Appellante heeft nog wel gemeld dat zij in ernstige financiële moeilijkheden verkeert maar dat is een omstandigheid dat niet tot het toekennen van een ANW-uitkering kan leiden.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos in tegenwoordigheid van A.A. Verweij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 september 2026.
(getekend) E.E.V. Lenos
De griffier is verhinderd te ondertekenen
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.
DÉCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale),
Statue:
Confirme la décision attaquée.
Par conséquent, décidée par E.E.V. Lenos en présence A.A. Verweij en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 3 septembre 2026.
Les parties disposent d’un délai de six semaines á compter de la date d’envoi pour introduire un pourvoi en cassation contre cette décision devant la Cour de Cassation des Pays-Bas: Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, NL2500 EH ‘s-Gravenhage) au titre de la violation ou de la mauvaise application des dispositions concernant la notion de groupe d’assurés.