SAMENVATTING
25/1974 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 augustus 2025, 23/8117 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 22 oktober 2026
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 20 mei 2023 heeft vastgesteld op 49,89%. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. Daarbij komt dat de geselecteerde functies voor hem niet passend zijn vanwege zijn gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A. Aksü, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk overgelegd.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 september 2026. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C.M. Martens. Appellant is niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als logistiek medewerker voor 36,49 uur per week. Op 22 mei 2021 heeft hij zich ziekgemeld na een operatie aan zijn oog. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 24 februari 2023 vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 februari 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 24 april 2023 geweigerd appellant met ingang van 20 mei 2023 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Bij besluit van 14 november 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard. Het Uwv heeft appellant per 20 mei 2023 een WIA-uitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid gewijzigd is vastgesteld op 49,89%. Hieraan is een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 november 2023, een gewijzigde FML van 6 november 2023 en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 9 november 2023 ten grondslag gelegd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Volgens de rechtbank is het medisch onderzoek zorgvuldig geweest. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op dossieronderzoek, een anamnese, psychisch en lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts, aanvullend medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep tijdens een spreekuur en informatie van de behandelend sector.
De rechtbank heeft geen reden gezien om het medisch oordeel voor onjuist te houden. Niet gebleken is dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig of onjuist beeld heeft gehad van de medische situatie van appellant. In het rapport van 6 november 2023 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat uit onderzoek is gebleken dat de psychische klachten van appellant een negatieve invloed hebben op zijn functioneren, maar dat deze klachten niet kunnen leiden tot een volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden. Er is namelijk geen sprake van één van de uitzonderingscriteria van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit). Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen afwijkingen gevonden die forse beperkingen van de lichamelijke belasting plausibel maken, omdat het met name om spierklachten gaat. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat appellant kampt met slaapproblemen, piekeren en angstklachten. In combinatie met de matig ernstige depressie, heeft hij het dan ook plausibel geacht dat hierdoor energetische beperkingen ontstaan. De overige beperkingen die in de FML zijn aangenomen, zorgen ervoor dat appellant beperkt is voor mentaal en fysiek zware arbeid. Gelet daarop en op het ontbreken van extra recuperatie, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een aanvullende urenbeperking van maximaal dertig uur per week en maximaal vijf uur per dag aangenomen.
Ter zitting heeft het Uwv toegelicht dat een deel van de medische stukken die appellant in beroep heeft ingestuurd, een medicatieoverzicht en journaalregels die tot 2023 liepen, al in het dossier aanwezig waren. Deze stukken heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook meegenomen in zijn beoordeling. Een ander deel van de ingediende stukken betreft onder andere een medicatieoverzicht en journaalregels die tot 2025 lopen en zijn als het ware een voortzetting op de informatie die al bij het Uwv aanwezig was. Deze informatie heeft geen betrekking op de datum in geding. Ook de diagnoses die blijken uit het stuk van Forta Intercultureel van 4 juli 2025, zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep al in de beoordeling meegenomen.
Volgens de rechtbank zijn de beperkingen zoals neergelegd in de FML van 6 november 2023 juist. Nu appellant in beroep geen specifieke gronden over de arbeidsdeskundige beoordeling heeft ingediend, is er geen grond voor het oordeel dat de geselecteerde functies voor appellant niet geschikt zijn.
Het standpunt van appellant
3. Appellant heeft in hoger beroep, kort samengevat, herhaald dat hij door zijn pijnklachten, slaapstoornis, visusklachten en psychische klachten meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Er ontbreekt een kenbare vertaling van pijnklachten, structurele slaapverstoring en psychische belasting naar de relevante aspecten van de FML. Verder heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies niet aansluiten op zijn (gecombineerde) beperkingen. Bovendien zijn deze functies voor hem niet geschikt onder meer vanwege zijn beperkte beheersing van de Nederlandse taal.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 november 2023. Volgens het Uwv heeft appellant in hoger beroep geen nieuwe (medische) informatie ingebracht waardoor het Uwv is gaan twijfelen. Het Uwv heeft verder verwezen naar het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 9 november 2023 waarin is gemotiveerd dat de geselecteerde functies voor appellant passend zijn, ook voor wat betreft de beheersing van de Nederlandse taal.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 20 mei 2023 is vastgesteld op 49,89%, in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Medische beoordeling
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de verzekeringsartsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling en de FML van 6 november 2023. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn nagenoeg gelijk aan de gronden die hij in beroep heeft aangevoerd. Het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen, worden onderschreven. Appellant heeft ook in hoger beroep geen medische informatie ingestuurd die reden geeft om hieraan te twijfelen.
Arbeidskundige beoordeling
Aan het bestreden besluit liggen de geselecteerde functies van medewerker kleding en textielreiniging (SBC 111161), schoonmaker hotel (SBC 111332) en productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC 111180) ten grondslag. De door appellant in hoger beroep aangehaalde functies assemblagemedewerker besturingskasten en panelen (SBC 267071) en lader/losser (SBC 111220) zijn reeds in bezwaar komen te vervallen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 9 november 2023 de signaleringen bij de geselecteerde functies uitgebreid en gemotiveerd toegelicht. Ook heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toegelicht dat appellant voldoet aan de in de drie geselecteerde functies gestelde opleidingseisen. In geen van de geselecteerde functies wordt een ervaringseis gesteld. In de geselecteerde functies is de hoogste opleidingseis ‘basisonderwijs doorlopen/voltooid’ en daar voldoet appellant aan. Verder wordt er in één van de geselecteerde functies (schoonmaker hotel) gevraagd om een redelijke mondelinge beheersing van de Nederlandse of Engelse taal. Dit is echter van een dusdanig elementair niveau dat appellant in staat moet zijn zich dit binnen zes maanden aan te leren. Hierbij is opgemerkt dat het de vraag is of dit überhaupt nodig is, omdat appellant een gesprek in het Nederlands heeft gevoerd met de arbeidsdeskundige.
In hoger beroep heeft het Uwv toegelicht dat de functie van schoonmaker hotel een functie betreft op niveau 1. Uit vaste rechtspraak volgt dat op grond van de fictie van artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit mag worden verondersteld dat een betrokkene zich de bekwaamheid van mondelinge beheersing van de Nederlandse taal binnen zes maanden kan verwerven. Wat betreft de functies op niveau 2, medewerker kleding en textielreiniging en productiemedewerker industrie, heeft het Uwv nader toegelicht dat het niet aannemelijk is dat appellant vanwege de gestelde beperkte beheersing van de Nederlandse taal deze functies niet zou kunnen uitoefenen. Appellant heeft namelijk basisonderwijs in Turkije afgerond, beschikt over een rijbewijs B en heeft in 2005 in Nederland het certificaat NT2 heeft behaald. Hij woont vanaf 1999 in Nederland, heeft in Nederland bij diverse werkgevers gewerkt en heeft op de WIA-aanvraag van 27 januari 2023 ingevuld dat hij de Nederlandse taal matig beheerst.
Uitgaande van de juistheid van de in de FML vastgestelde beperkingen, de toelichting van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij de geselecteerde functies en de gegeven toelichting van het Uwv in hoger beroep, wordt geen aanleiding gezien om aan te nemen dat deze functies de belastbaarheid van appellant overschrijden.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de WIA-uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is bepaald op 49,89%, in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van A.N. Bechinka als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2026.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) A.N. Bechinka