De feiten en de rechtsgang
Het hof heeft gezien het verzoek strekkende tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de stukken betrekking hebbend op de voorlopige hechtenis van de verdachte en het vonnis van de rechtbank Noord Holland, locatie Alkmaar, van 22 september 2018.
Het hof heeft bij de behandeling in raadkamer op 10 juli 2019 gehoord de advocaat-generaal en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. V.H. Hammerstein.
Het hof heeft gelet op artikel 80 van het Wetboek van Strafvordering.
De beoordeling
Het hof overweegt dat er sprake is van zeer ernstige feiten en een geschokte rechtsorde. De omstandigheid dat er inmiddels sprake is van een veroordelend vonnis versterkt in dit geval het vorenstaande. Onder die omstandigheden kan van een schorsing alleen sprake zijn als zich zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden voordoen. Daarvan is niet gebleken. Het hof leest in de overgelegde rapportage van de reclassering van 13 mei 2019 (opgesteld in een andere strafzaak) niet een zo positieve ontwikkeling van de verdachte dat daarover op dit moment anders moet worden gedacht. Weliswaar laat de voortgang van de procedure in hoger beroep te wensen over, maar die heeft nog niet zo lang geduurd dat alleen al daarom tot schorsing van de voorlopige hechtenis moet worden overgegaan.
Om die redenen zal het hof het verzoek van de verdachte afwijzen.
De beslissing
Het hof:
WIJST AF het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
Deze beschikking is gegeven op 10 juli 2019 in raadkamer van dit hof door
mr. J.L. Bruinsma, voorzitter,
mrs. F.A. Hartsuiker en A.E. Kleene-Krom, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.G.W.M. Lut, als griffier.
De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van de verdachte.
Amsterdam, 10 juli 2019,
de advocaat-generaal