ECLI:NL:GHAMS:2026:1169

ECLI:NL:GHAMS:2026:1169

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 30-04-2026
Datum publicatie 01-05-2026
Zaaknummer 23-002200-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBAMS:2024:5916

Samenvatting

Medeplegen van voorbereiding van moord en medeplegen van opzettelijk brand stichten. Veroordeling tot 12 jaar gevangenisstraf. Uitgebreide bewijsoverweging m.b.t. toerekening Sky-account, medeplegen en opzet.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 februari 2026 en 16 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

1.

primair hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 5 maart 2020 tot en met 12 maart 2020 te [plaats 2] , in elk geval in Nederland en/of België en/of Spanje, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf om een persoon, te weten [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven (zijnde moord, strafbaar gesteld in artikel 289 Wetboek van Strafrecht), waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, opzettelijk,

- een vuurwapen bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;

subsidiair [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en) op een of of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 5 maart 2020 tot en met 12 maart 2020 te [plaats 2] , in elk geval in Nederland en/of België en/of Spanje, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf om een persoon, te weten [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven (zijnde moord, strafbaar gesteld in artikel 289 Wetboek van Strafrecht), waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, opzettelijk,

bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft/hebben verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft/hebben gehad,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 5 maart 2020 tot en met 12 maart 2020 te [plaats 2] , in elk geval in Nederland en/of België en/of Spanje, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk

2.

primair hij op 15 maart 2020 te [plaats 2] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare stof (vermoedelijk zijnde benzine), ten gevolge waarvan een voertuig, te weten een auto van het merk Skoda type Roomster voorzien van kenteken [kenteken 1] , geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan

subsidiair [medeverdachte 3] op 15 maart 2020 te [plaats 2] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare stof (vermoedelijk zijnde benzine), ten gevolge waarvan een voertuig, te weten een auto van het merk Skoda type Roomster voorzien van kenteken [kenteken 1] , geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan

welk vorenomschreven feit hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 13 maart 2020 tot en met 15 maart 2020 te [plaats 2] , in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen, door:

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

De identificatie van Sky-account [account verdachte]

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder beide feiten primair tenlastegelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte voor de beide feiten moet worden vrijgesproken. Hij heeft hiertoe allereerst aangevoerd dat de verdachte niet exclusief (als gebruiker) aan het SkyECC-account [account verdachte] kan worden gekoppeld.

Oordeel van het hof

De verdenking jegens de verdachte berust in belangrijke mate op chatberichten die gewisseld zijn met SkyECC-account [account verdachte] , dat hem in het politieonderzoek wordt toegeschreven. Daarom zal het hof eerst de vraag beantwoorden of de verdachte de gebruiker was van het SkyECC-account [account verdachte] , waarmee die berichten zijn verzonden en ontvangen. Vervolgens zullen de tenlastegelegde feiten worden besproken.

Op 17 maart 2020 is de verdachte aangehouden in het kader van het onderzoek Sprokkel in een woning aan de [adres 1] te [plaats 1] . Bij de aanhouding waren drie andere personen in de woning aanwezig, onder wie de bewoner van het pand en de medeverdachte [medeverdachte 3] . Onder de verdachte zijn twee telefoons in beslaggenomen, te weten een iPhone 6S en een iPhone 7. Deze telefoons werden, evenals een Louis Vuitton tas, op de bank in de woonkamer aangetroffen. In de tas bevond zich onder meer het vreemdelingendocument van de verdachte. Op de iPhone 6S was de applicatie SkyECC geïnstalleerd die was gekoppeld aan het SkyECC-account [account verdachte] . Het account is actief gebruikt in de periode 13 november 2019 tot en met 17 maart 2020. Op grond van hetgeen hierna ten aanzien van dit SkyECC-account wordt overwogen, acht het hof het uitgesloten dat, zoals gesteld door de raadsman, één van de andere bij de aanhouding in de woning aanwezige personen aangemerkt zou kunnen worden als de gebruiker van dit Sky-account.

Uit het proces-verbaal van identificatie volgt dat aan het SkyECC-account [account verdachte] diverse IMEI-nummers zijn gekoppeld, waaronder het IMEI-nummer [nummer 2] . Van dit nummer zijn APN-gegevens beschikbaar over de periode 22 december 2019 tot en met 17 maart 2020. Blijkens deze APN-gegevens maakte de cryptotelefoon het meest gebruik van cell-ID’s in de omgeving van het BRP-adres van de verdachte in [plaats 2] (16 van de 27 beschikbare dagen) en daarnaast van de cell-ID’s in de omgeving van het BRP-adres van de broer van de verdachte in Almere. De verdachte heeft verklaard dat hij veel bij zijn broer in Almere verbleef. Verder blijkt uit de APN-gegevens dat de cryptotelefoon in de nachtelijke uren eveneens veelvuldig gebruik heeft gemaakt van cell-ID’s in de omgeving van de genoemde BRP-adressen.

Tijdens de eerdere aanhouding van de verdachte op 31 oktober 2019 in een ander onderzoek is onder hem een telefoon in beslag genomen, waarvan het IMEI- nummer was gekoppeld aan het SkyECC-account [account 2] . Uit het onderzoek is gebleken dat de gebruiker van het account [account verdachte] ook gebruik heeft gemaakt van dit aan de verdachte te koppelen SkyECC-account [account 2] , alsmede van het SkyECC-account [account 3] . De periodes waarin deze accounts actief gebruikt werden sluiten grotendeels op elkaar aan. Daarnaast is er sprake van overeenkomende resellers, wachtwoorden, meest gebruikte cell-ID's en contacten. De accounts maakten alle voornamelijk gebruik van de cell-ID’s in de omgeving van het BRP-adres van de verdachte in [plaats 2] .

Dat de verdachte de gebruiker was van het account [account verdachte] vindt bovendien bevestiging in het volgende. Op 13 maart 2020 omstreeks 15:00 uur heeft de politie een video-auto geplaatst in de nabije omgeving van het BRP-adres van de verdachte in [plaats 2] . Uit de camerabeelden die vanuit die videoauto zijn gemaakt blijkt dat een man de auto op 14 maart 2020 heeft bekeken om 22:22 uur; de verdachte is daarbij op de beelden herkend. Om 23:27 uur diezelfde dag heeft de verdachte de website van de RDW bezocht voor een kentekencheck, waarbij het kenteken van de videoauto werd nagetrokken door de verdachte via zijn iPhone 7. De verdachte heeft dit erkend. Even later die nacht, op 15 maart 2020 te 02.37 uur, heeft een andere persoon, volgens de politie vermoedelijk medeverdachte [medeverdachte 3] , de video-auto bekeken. De gebruiker van SkyECC-account [account 4] is geïdentificeerd als medeverdachte [medeverdachte 3] . Hij heeft om 02:39 uur in een chat met [account verdachte] laten weten dat de auto van de politie is (‘100 procent scotoe’, ‘die wagi’, ‘K ging kijken’).

[account verdachte] heeft hem vervolgens de opdracht gegeven om de videoauto in brand te steken voor

€ 2.000,00 (‘aub steek 'm in de fik’ en ‘2 doezoe !!!’.). Daarna zijn via dat account naar de gebruiker van het SkyECC-account [account 5] de volgende berichten gestuurd: ‘(..) hij moet een kanker ot waggi vr me fikken (..)’ en ‘die waggie moet vandaag de lucht in’ Om 05:19 uur die nacht is er een 112-melding gedaan van een brand in deze video-auto. Het hof overweegt dat, ook als bij de identificatie van de gebruiker van het SkyECC-account [account verdachte] in het midden wordt gelaten of [medeverdachte 3] betrokken was bij de brandstichting, in het oog springt dat via het SkyECC-account [account verdachte] is gecommuniceerd over brand in een auto van de politie die enkele dagen tevoren tegenover de woning van de verdachte was geplaatst, welke door de verdachte kort daarvoor wordt bekeken en waarvan door hem het kenteken wordt nagetrokken.

Voorts vindt het hof bevestiging voor de identificatie in het feit dat het SkyECC-account [account verdachte] een tegencontact is van een SkyECC-account dat door de politie aan een neef van de verdachte, [medeverdachte 2] , wordt toegeschreven. In chatberichten gebruikt de gebruiker van dit SkyECC-account [account 1] bovendien een aantal keer op 16 maart 2020 tegen [account verdachte] de woorden: ‘je eige neef’ ‘we zijn bloed’ en ‘je bent me niffo’. Dit duidt op een familie relatie tussen de gebruikers van [account verdachte] en [account 1] .

De verdediging heeft aangevoerd dat uit de chats aanwijzingen naar voren komen dat het SkyECC-account [account verdachte] (deels) werd gebruikt door een ander dan de verdachte. Het hof acht dit niet aannemelijk geworden. Daarbij is het volgende van belang.

De raadsman heeft verwezen naar de berichten die zijn gewisseld tussen de SkyECC-accounts [account 6] en [account verdachte] op 3 februari 2020 waarbij een persoon met de bijnaam ‘bolle’ wordt aangesproken en/of gezocht, terwijl een bijnaam ‘bolle’ voor de verdachte, die een smal postuur heeft, niet aannemelijk is. Het hof merkt op dat aan dit bericht geen context wordt verschaft door de overige berichten of anderszins, waardoor niet blijkt wat de betekenis is van het gebruik van dit woord in dit bericht. Bovendien verwijst het hof in dit verband naar de berichten op 7 februari 2020 waarbij het SkyECC-account [account 6] aan [account verdachte] vraagt: ‘ben je met bolle’, ‘vraag m is het via bolle’ en ‘vraag hem is of hij weer normaal met hem heeft of niet’. Deze berichten wijzen in de richting dat de gebruiker van het SkyECC-account [account verdachte] met een ander, mogelijk ‘bolle’, is. Het hof ziet daarom in het door de verdediging genoemde bericht onvoldoende aanwijzing dat de gebruiker van het SkyECC-account [account verdachte] zou worden aangesproken met de bijnaam ‘bolle’. Het al dan niet bolle postuur van de verdachte is tegen die achtergrond niet relevant.

Voorts heeft de raadsman verwezen naar de berichten die op 31 december 2019 zijn gewisseld tussen SkyECC-accounts [account 1] en [account verdachte] in de Turkse taal, terwijl de verdachte de Turkse taal niet zou beheersen.

In tegenstelling tot hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, vormen de in de Turkse taal gestelde berichten naar het oordeel van het hof geen contra-indicatie voor de aanname dat de verdachte de gebruiker was van het account. Uit de berichten die vooraf zijn gegaan aan de berichten in het Turks blijkt immers dat de verdachte zijn telefoon korte tijd heeft uitgeleend.

Hieronder worden de berichten die vanaf 14:08 uur die dag door SkyECC-account [account 1] zijn verstuurd, weergegeven:

14:08:21 Bro

14:08:33 Kan je ff na zaandam

14:08:51 Mcdonalds

14:09:22 Iemand ff zien die moet even spreken via jou telefoon na deze

14:10:10 Is wahed toerkoe niffo van die oude mr hij leest mee dus zeg niks verkeerds

14:15:47 Grote mcdonalds bij ziekenhuis, heb doorgestuurd 4u is die daar

15:00:43 Die andere is al daar

15:01:52 Hij zit al binnen

15:01:56 Klein mannetje

15:02:16 Rond 50 beetje oud

15:02:41 Buiten zit hij*

15:03:18 Mercedes wit a klasse

15:03:32 Hij gaat nu na de auto lope

Na het gesprek in de Turkse taal stuurt [account 1] aan [account verdachte] om 15:46:49 uur: ‘Delet chat yap’ en daarna opnieuw om 15:50:30 uur: ‘Yo verwijder gesprek’. [account 1] stuurt vervolgens om 17:31:42 uur: ‘Allebei verwijderd weet ni hij zegt ja hij zat binnen en heb wa info over iemand voor me’.

De raadsman heeft eveneens aandacht gevraagd voor de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 1] , zoals afgelegd bij de politie en ter terechtzitting in hoger beroep in zijn hoedanigheid van getuige. Aan de verdediging kan worden toegegeven dat [medeverdachte 1] niet heeft gezegd dat de verdachte de gebruiker van het SkyECC-account [account verdachte] was, maar hij heeft evenmin een andere persoon als gebruiker genoemd; [medeverdachte 1] heeft slechts verklaard niet te weten wie de gebruiker van het account was.

Buiten redelijke twijfel staat dat de verdachte de gebruiker is geweest in de maanden, direct voorafgaand aan deze pleegperioden. Bezien in samenhang met de overige hiervoor besproken onderzoeksbevindingen, komt geen relativerende betekenis toe aan de door de raadsman genoemde suggestie dat over de periode vanaf 26 februari 2020 geen APN-gegevens beschikbaar zouden zijn.

Conclusie

Gelet op de voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, stelt het hof vast dat de verdachte, in de in de tenlastelegging onder 1 en 2 vermelde pleegperioden, de gebruiker is geweest van het SkyECC-account [account verdachte] . Dat (ook) een ander persoon van ditzelfde SkyECC-account gebruik heeft gemaakt is – nu aanwijzingen daarvoor naar het oordeel van het hof ontbreken en anders dan het hiervoor genoemde moment van kortstondig uitlenen – niet gebleken.

Feit 1 primair

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde feit. Daarbij heeft hij zich aangesloten bij het oordeel van de rechtbank en zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich (als sleutelfiguur in de voorbereiding) schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereiding van moord. De advocaat-generaal heeft ook het oordeel van de rechtbank gevolgd met betrekking tot de deelvrijspraak van de onder het tweede en derde gedachtestreepje van de tenlastelegging genoemde cryptotelefoons. In afwijking van het oordeel van de rechtbank heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het onderdeel ‘een vuurwapen’ wel bewezen verklaard dient te worden.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde feit omdat niet bewezen verklaard kan worden dat de verdachte de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen en vervoermiddelen, te weten het vuurwapen, de cryptotelefoons en de motorscooter, voorhanden heeft gehad om samen met anderen [slachtoffer] van het leven te beroven. Er is geen bewijs dat de verdachte of de medeverdachten de feitelijke beschikkingsmacht hadden over een wapen en de motorscooter, terwijl ook niet bewezen kan worden dat de cryptotelefoons daadwerkelijk bedoeld waren om het levensdelict uit te voeren.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen opzet had op -zo begrijpt het hof- het gronddelict van moord. De verdachte heeft weliswaar contact gehad met [medeverdachte 1] , maar kan zich niet meer herinneren waar het over ging, zodat daaruit de opzet niet kan worden afgeleid. Ook kan het opzet van de verdachte niet worden vastgesteld op grond van de verklaring van [medeverdachte 1] , die verklaard heeft dat hij nooit van plan is geweest om de liquidatie uit te voeren en dit ook tegen de verdachte heeft gezegd. De verdediging ziet, indien het hof in weerwil van het verweer zou vaststellen dat de verdachte de gebruiker was van het account [account verdachte] , van één en ander bevestiging in de inhoud van door [account 1] aan [account verdachte] gestuurde berichten.

Oordeel van het hof

Partiële vrijspraak

Met de raadsman en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om vast te kunnen stellen dat de onder het tweede en derde gedachtestreepje van de tenlastelegging opgenomen ‘cryptotelefoon(s)’ bestemd waren tot het begaan van het voorbereide misdrijf, zodat de verdachte van die onderdelen van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Anders dan de rechtbank en anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de verdachte eveneens dient te worden vrijgesproken van de onder het eerste gedachtestreepje van de tenlastelegging opgenomen ‘cryptotelefoon(s)’. Het hof overweegt daartoe dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de in de tenlastelegging bedoelde cryptotelefoon dienstig zou zijn aan de (verdere) voorbereiding van het voorgenomen misdrijf, maar niet bestemd was tot het begaan van dat misdrijf zelf.

Met de rechtbank en anders dan de advocaat-generaal is het hof voorts van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder het vijfde gedachtestreepje van de tenlastelegging opgenomen onderdeel ‘een vuurwapen’. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een voorwerp als bedoeld in artikel 46 Sr is onder meer vereist dat de verdachte of zijn medeverdachten over dat voorwerp kunnen beschikken. Uit het onderzoek en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat de verdachte of zijn medeverdachten daadwerkelijk de beschikking hebben gehad over een vuurwapen waarmee de liquidatie gepleegd moest worden. Weliswaar is voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben niet vereist dat het voorwerp zich in de directe (fysieke) nabijheid van de verdachte bevindt en zijn er diverse chatgesprekken tussen de verdachte en zijn medeverdachte(n) waarin gesproken wordt over ’die ijzer’ (het hof begrijpt: een vuurwapen), maar daaruit kan die beschikkingsmacht niet worden afgeleid.

Een voorbereider dient, zo dient als algemene regel te worden aangenomen, niet (geheel) afhankelijk te zijn van derden om over het voorbereidingsmiddel te kunnen beschikken. De advocaat-generaal heeft in dit verband onder meer gewezen op een bericht van [account 1] van 5 maart 2020 aan de verdachte (“Heb ijzer gefixt gelijk”), maar aan dat bericht kan in dit concrete geval niet zodanige betekenis worden toegekend dat daaruit in voldoende mate blijkt dat de verdachte feitelijk macht over een vuurwapen had. Dat het woord ‘gefixt’ ook gebruikt wordt in een bericht dat ziet op de motor -ten aanzien waarvan het hof wel tot een bewezenverklaring zal komen – maakt dat niet anders.

Inhoud en duiding van de chatberichten

Het hof stelt aan de hand van de inhoud van de bewijsmiddelen, waarnaar in de voetnoten wordt verwezen, het volgende vast. Daarbij sluit het hof aan bij de overwegingen van de rechtbank in de paragraaf Inhoud van de chatberichten van het bestreden vonnis. Het hof neemt deze overwegingen en de daarin gewaardeerde bewijsmiddelen in het navolgende grotendeels over en vult die op onderdelen aan.

Het hof stelt vast dat de medeverdachte [medeverdachte 1] de gebruiker is van Sky-ECC account [account 7 ] .

Het dossier bevat ontsleutelde chatberichten van de SkyECC-accounts van de verdachte, het account [account 1] en het account van de medeverdachte [medeverdachte 1] . Het hof constateert dat het niet de beschikking heeft over de inhoud van alle SkyECC-berichten. Soms ontbreekt, zoals dit naar algemene ervaring op basis van andere strafzaken vaker het geval is bij onderschepte SkyECC-data, een deel van de conversatie, omdat maar een deel van de data ontsleuteld kon worden. Dit brengt met zich dat behoedzaam moet worden omgegaan met de duiding van de inhoud van de chats. Dat neemt niet weg dat er voor de beoordeling van de tenlastelegging voldoende betekenis kan worden toegekend aan de inhoud daarvan, beoordeeld in onderling verband en samenhang.

Op 5 maart 2020 vroeg de gebruiker van het account [account 1] (hierna: [account 1] ) aan de verdachte of hij een “job in sp” (het hof begrijpt: Spanje) zou willen, “Deze week doen”. Uit de daaropvolgende berichten (o.a. “Accepteer die mag die morgen komen”) volgt dat verdachte niet zelf, maar iemand anders de job zou gaan doen. [account 1] zou die persoon daar geld geven om "ijzer" (het hof begrijpt: een vuurwapen) te pakken en deelde mee dat hij met de "fiets" (het hof begrijpt: een motorscooter) nog bezig was. Ook werd gesproken over de betaling die ermee gemoeid was. De persoon die de job ging doen, zou daarvoor van de verdachte “80(k)” en “nog 10 om ijzer ens te betalen” (het hof begrijpt: € 80.000,00 en

€ 10.000,00) en “sky” (het hof begrijpt: een telefoon met SkyECC-applicatie) krijgen. [account 1] ging "hem" info geven waar "die man" gaat wezen en "hij" mocht hem daar doen. Het hof leidt hieruit af dat [account 1] de verdachte heeft benaderd voor een klus in Spanje, dat de verdachte daarvoor iemand anders had gevonden en dat zij spraken over betaling van grote geldbedragen voor de ‘job’, en verstrekking van een telefoon met een SkyECC-applicatie.

[account 1] wist waar "die" zou zijn en in welke auto "hij" reed. [account 1] wist niet waar "die" woont, maar noemt wel "[naam 2]" (het hof begrijpt: een Shisha lounge in [plaats 3] ). [account 1] zou "hem" wijzen waar te zijn en zou op een afstand naar hem gaan kijken. [account 1] vroeg de verdachte om het “adress voor aanpakken pap” (het hof begrijpt: het in ontvangst nemen van het geld) en of een “125 cc goed” is (het hof begrijpt: een 125 cc motor). [account 1] berichtte de verdachte ook: “Bro hoor net als goed gaat krijge we bonus”. Het hof leidt hieruit af dat (ook) de verdachte extra betaling krijgt als de ‘job’ goed gaat.

[account 1] berichtte de verdachte verder: “En ik ga hem zeggen waar die ijzer op te halen”, “En waar die motro gaat liggen met sleutels” en “Bro we moeten contact op de minuut hebben alles wat ik zeg moet minuut bij hem zijn”. Het hof leidt hieruit af dat [account 1] bij de verdachte benadrukte dat zij nauw in contact moesten staan omdat de informatie van [account 1] binnen een minuut ook bij de man die de job gaat doen moest zijn.

Op 6 maart 2020 heeft de verdachte een groepschat aangemaakt met [account 1] en [medeverdachte 1] . In deze chat zei [medeverdachte 1] dat hij in Brussel was. [account 1] zei dat hij [medeverdachte 1] aanwijzingen zou geven waar hij het "ijzer"(vuurwapen) en de "fiets"(motorscooter) kon halen. [medeverdachte 1] zou vermoedelijk morgen om 12:00 uur op Malaga zijn. [account 1] zei tegen [medeverdachte 1] dat hij een kamer moest boeken in het H10 hotel, omdat dat hotel op een goede locatie ligt. [account 1] zou [medeverdachte 1] langzaam details geven over de "job". [account 1] zei dat hij het liefste heeft dat de "job" dezelfde dag nog gedaan zou worden. Tijdens de groepschat hebben de verdachte en [account 1] tussendoor ook nog onderling via de chat contact. In die chat stuurde [account 1] verschillende foto's aan de verdachte. Eén van de foto's betrof een identiteitskaart van [slachtoffer] . [account 1] zei daarbij dat de verdachte deze foto's alvast moest opslaan, maar nog niet aan "hem" moest sturen. In de groepschat zei [account 1] dat er nu iemand aan het plakken is. Die persoon (het hof begrijpt: de persoon die aan het ‘plakken’ is) sprak met "hem" af bij onder andere shisha's. [account 1] wist dat "die" het weekend uit zal gaan. Hij zou [medeverdachte 1] informatie geven over "zijn" auto en waar "die" zal wezen. Het hof leidt hieruit af dat het beoogde slachtoffer [slachtoffer] is en dat er gesproken werd over waar hij zich zou bevinden.

[account 1] zei vervolgens: "Denk beste dat ie gepakt word na uitgaan, tijdens stoplicht of shisha". [medeverdachte 1] antwoordde hierop dat hij hem zal pakken wanneer hij de shisha verlaat of als hij in de auto instapt. De verdachte zei: “top!”. Ook zei [medeverdachte 1] dat hij op de foto's wachtte. [account 1] zei dat [medeverdachte 1] die morgenmiddag zou krijgen. [medeverdachte 1] zei dat de route ook heel belangrijk is, “ook weg kom route om fiets kleren en ijzer te dumpen”. De verdachte antwoordde: “ja dat word geregeld”. [account 1] zei tegen de verdachte dat “de fiets is gehuurd op iemands naam”. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte, [account 1] en [medeverdachte 1] bespraken op welk moment het slachtoffer het beste gepakt kon worden en dat zij spraken over het wegmaken van de motorscooter, de kleren en een vuurwapen op de vluchtroute.

[medeverdachte 1] zei vervolgens in de groepschat dat als hij (het hof begrijpt: [account 1] ) zou weten waar "hij" is, [medeverdachte 1] daarnaar toe rijdt en op "hem" zou wachten. Vervolgens schreef [medeverdachte 1] : "Uit de club als hij veel gedronken heeft beter bloed hij eerder leeg maar mik sowieso op hoofd". Verder zei [medeverdachte 1] dat er aan een plek gedacht moet worden om alles te dumpen. [account 1] zei hierop dat de "fiets" (motorscooter) niet gedumpt mocht worden, maar dat die ergens geparkeerd moest worden en dat iemand die later zou ophalen. [account 1] gaf daarbij aan dat er naast het hotel een grote parkeerplaats is zonder camera's. [account 1] zei dat hij niet wist hoe snel dat zou worden opgehaald. Ook zei [account 1] dat het het beste is om "ijzer" (vuurwapen) apart weg te gooien bij zee. In de chats tussen de verdachte en [account 1] zei laatstgenoemde op 7 maart 2020 dat iemand zo in een groepschat wil met verdachte om "die ijzer aan te wijzen”. En: “Die fiets gaat die parkeren. Tot actie”. [account 1] , (op 8 maart 2020): “we gaan aanslagen op men’s leven doen”, “Samen”.

Het hof concludeert dat het de bedoeling was het slachtoffer met een op het hoofd gericht schot dood te schieten, waarna het vuurwapen moest worden weggegooid en dat de bij een hotel geparkeerde motorscooter bij die actie gebruikt zou moeten worden.

Op 7 maart 2020 te 15:22 uur schreef de verdachte "hij heeft die fiets bro”. Op 8 maart 2020 te 20:10 uur schreef de gebruiker van [account 8 ] in de groepschat met de verdachte en [account 1] : "Die gast die we moeten hebben is al weg van hier." De volgende dag (9 maart 2020) chatten de verdachte en [account 1] onderling. De verdachte stuurde een bericht dat "hi in marok” (het hof begrijpt: Marokko) zit. Daarna zei [account 1] aan de verdachte dat “als die er is moet de ander dezelfde dag reizen”. Op 9 maart 2020 stuurde [medeverdachte 1] een foto naar de verdachte. Die foto is vanaf een balkon genomen. Op die foto is een parkeerplaats te zien en [medeverdachte 1] schreef daarbij: "daar staat fiets". Op 10 maart 2020 stuurde [medeverdachte 1] aan de verdachte een afbeelding waarop de achterzijde van een motorscooter te zien was, met op de band een sleutel. Hij berichtte dat hij weer op het vliegveld was. Het hof leidt hieruit af dat de motorscooter op 7 maart 2020 beschikbaar was, dat [medeverdachte 1] die in beeld had en dat hij zag dat er een sleutel op de band klaarlag. In de avond van 8 maart 2020 vernam de verdachte evenwel dat het beoogde slachtoffer weg was.

Uit het voorgaande volgt dat de verdachte, samen met [medeverdachte 1] en [account 1] in de periode van 5 maart 2020 tot en met 10 maart 2020 voorbereidingshandelingen heeft verricht om [slachtoffer] in [plaats 3] van het leven te beroven.

Opzet

Hieruit volgt reeds dat het opzet van de verdachte gericht is geweest op het gronddelict, de moord op [slachtoffer] . Dat geldt ook voor zijn opzet op het voorhanden hebben van de motorscooter en op het medeplegen daarvan, zoals hierna zal worden uiteengezet. De raadsman heeft ter adstructie van zijn (subsidiaire) standpunt dat opzet niet kan worden bewezen nog gewezen op door [account 1] aan [account verdachte] verzonden berichten (randnummer 115 van de pleitnota). Deze (eenzijdig door [account 1] verzonden) berichten dateren van 10 januari 2020. Noch uit die datering noch uit de inhoud daarvan valt af te leiden dat het opzet van de verdachte op enig moment niet op voltooiing van de moord was gericht. Uit geen van de in de periode 5 tot 10 maart tussen de verdachte en zijn medeverdachten gewisselde berichten komt ook maar enige aanwijzing naar voren voor het ontbreken van opzet bij de verdachte of zijn medeverdachte(n); gelet op de inhoud en context zijn de berichten juist alle onmiskenbaar gericht op daadwerkelijke uitvoering van de liquidatie. Ten overvloede merkt het hof op dat voor de beoordeling van het opzet van de verdachte beantwoording van de vraag naar aard en reikwijdte van het opzet van [medeverdachte 1] (of het beweerdelijke ontbreken daarvan) niet relevant is.

Middel

Het hof acht bewezen dat de medeverdachte [medeverdachte 1] de in de tenlastelegging omschreven motorscooter voorhanden heeft gehad, terwijl die motorscooter bestemd was tot het begaan van het misdrijf, waarop ook het opzet van de verdachte gericht is geweest. Bij die beoordeling betrekt het hof dat er vanaf het moment dat de verdachte werd gevraagd naar een ‘job in sp’ in verhullende termen werd gesproken over de motorscooter en over de wijze en het moment waarop die voor [medeverdachte 1] beschikbaar zou komen. De motor was op naam van een (onbekende) derde gehuurd, moest tot de ‘actie’ geparkeerd blijven en nadien kennelijk gebruikt worden als vluchtvoertuig. De motor stond geparkeerd bij het hotel waar [medeverdachte 1] verbleef, met de sleutel op de achterband. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de motorscooter die [medeverdachte 1] voorhanden had naar zijn uiterlijke verschijningsvorm dienstig kon zijn voor de moord.

Medeplegen

Ten aanzien van het medeplegen van de verdachte aan dit feit overweegt het hof nog het volgende. Het hof stelt voorop dat voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Zoals uit het hiervoor overwogene volgt heeft [account 1] de verdachte benaderd voor een ‘job’ in Spanje. De job betrof de liquidatie van [slachtoffer] in [plaats 3] . De verdachte heeft daarop [medeverdachte 1] naar voren geschoven als kandidaat voor de uitvoering daarvan. [medeverdachte 1] is naar [plaats 3] gereisd om de liquidatie uit te voeren. De verdachte is weliswaar toen zelf niet aanwezig geweest in Spanje, maar hij was degene die vanuit een regisserende rol als spil heeft gefungeerd in het contact met en tussen [account 1] en [medeverdachte 1] . Hij maakte niet alleen een groepschat aan voor [account 1] , [medeverdachte 1] en hemzelf, maar hij verstrekte ook, al dan niet via die groepschat, informatie over de essentiële aspecten van de uitvoering van de beoogde moordaanslag. Daarbij ging het om de betaling voor de klus, het daarvoor benodigde vuurwapen, de te gebruiken motorscooter, informatie over de mogelijke locatie van het slachtoffer en de (vlucht)route.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte als tussenpersoon een coördinerende rol heeft gehad in het contact met de schutter over de uit te voeren liquidatie, waarmee hij een substantiële en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer] . Hij had daarbij het misdadige doel van het bezit van de motorscooter voor ogen. De bijdrage van de verdachte aan het tenlastegelegde is naar het oordeel van het hof van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.

Conclusie

Het hof concludeert op grond van al het voorgaande dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de voorbereidingshandelingen van de moord op [slachtoffer] . Het verweer strekkend tot vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde wordt in alle onderdelen verworpen.

Feit 2 primair

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich gelet op zijn initiërende en sturende bijdrage schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van brandstichting, waarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was en met vrijspraak voor het tenlastegelegde gevaar voor personen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om vrijspraak van het onder 2 primair ten laste gelegde medeplegen van brandstichting wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte de brand zelf niet heeft gesticht en dat ook niet heeft uitgelokt. De in het dossier opgenomen berichten, die mogelijk over een andere auto gingen, en het natrekken van het kenteken zijn onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Subsidiair is verzocht om van het onderdeel ‘gemeen gevaar voor personen’ vrij te spreken.

Oordeel van het hof

Met de raadsman en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om vast te kunnen stellen dat ‘levensgevaar’ en/of ‘gevaar voor zwaar lichamelijk letsel’ van de brandstichting te duchten was, zodat de verdachte van die onderdelen van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Het hof stelt aan de hand van de inhoud van de bewijsmiddelen het volgende vast.

Ter voorbereiding op de aanhouding van de verdachte werd op 13 maart 2020 een video-auto van de politie van het merk Skoda (type Roomster), op dat moment voorzien van de kentekenplaten: [kenteken 1] , geplaatst op de [adres 4] te [plaats 2] , ter hoogte van de portiek van de woning van de verdachte. Uit beeldopnames die zijn gemaakt vanuit de video-auto en daaropvolgende herkenningen door politieambtenaren volgt dat de verdachte op 14 maart 2020, om 22:27 uur en om 23:02 uur, bij de auto stond en aandacht had voor de video-auto. Kort daarna, om 23:27 uur, en ook op 15 maart 2020 om 13:04 uur, trok de verdachte het kenteken [kenteken 1] na op de website van de RDW. Uit locatiegegevens van zijn telefoon blijkt dat de verdachte kort na de bevraging van 14 maart 2020 te 23:27 uur vertrok naar Apeldoorn. Op 15 maart 2020 omstreeks 04:45 uur zond de telefoon van de verdachte weer een zendmast aan in [plaats 2] .

De video-auto werd in de nacht van 14 op 15 maart 2020 in brand gestoken. De politie ontving omstreeks 05.19 uur een melding van de brand. Uit forensisch onderzoek is gebleken dat de brand zeer waarschijnlijk werd gesticht door het brengen van open vuur bij een ontbrandbare substantie. Er werd brandschade aangetroffen op twee afzonderlijke plaatsen van de personenauto, te weten linksvoor en linksachter. Het brandbeeld zou kunnen passen bij het plaatsen van een ontbrandbare substantie op de twee banden aan de linker voor- en achterzijde van de personenauto waarna deze aangestoken werden. Deze manier van brandstichting is een voor de verbalisanten een bekende modus operandi.

De brand heeft schade veroorzaakt aan de video-auto en aan een daarnaast geparkeerde Mitsubishi Carisma (kenteken [kenteken 2] ). De brand vond plaats vlak bij een flat, terwijl de in brand gestoken auto in een parkeerhaven tussen diverse andere voertuigen stond.

Tussenconclusie:

Op 15 maart 2020 is in [plaats 2] opzettelijk brandgesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare stof ten gevolge waarvan een auto van het merk Skoda, type Roomster, voorzien van kenteken [kenteken 1] gedeeltelijk is verbrand en waarvan gemeen gevaar voor rondom het voertuig aanwezige goederen te duchten was

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte als (mede)pleger van deze brandstichting kan worden aangemerkt. Het hof stelt ter beantwoording van die vraag het volgende vast.

De verdachte was op en rond de datum van het tenlastegelegde feit de gebruiker van het SkyECC-account [account verdachte] , zoals hiervoor al overwogen.

[medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), geboren [geboortedatum 2] , was blijkens informatie uit het onderzoek Argus op en rond de datum van het tenlastegelegde feit de vermoedelijke gebruiker van het SkyECC-account [account 4] . Dit vermoeden vindt bevestiging in het feit dat op 15 maart 2020 om 03:37 uur een man langs de video-auto liep die sterke gelijkenissen vertoonde met [medeverdachte 3] . Nog geen twee minuten later stuurde [account 4] de verdachte een bericht met de tekst ‘100 procent scotoe‘Die wagi’, ’K ging kijken’(het hof begrijpt (straattaal voor): ‘100 procent politie’, ‘die auto’, ‘ik ging kijken’).

Vier minuten later, om 03.41 uur, stuurde de verdachte [medeverdachte 3] het bericht: "aub steek m in die fik", "aub !!!" "2 doezoe". Aansluitend stuurde [medeverdachte 3] naar de verdachte: "Ewa regel Jerry (het hof begrijpt: een jerrycan) en aansteker ik heb niks bro Wolah". Om 03.44 uur vroeg de verdachte aan (het SkyECC-account [account 5] : "kan je niet ff langs west (het hof begrijpt: [plaats 2] ) gaan bro aub iemand ff 3 donnies geven hij moet een kanker ot waggie vr me fikken ik geefje morgen direct bro!!!" "die waggie moet vandaag de lucht in". Het hof leidt hieruit af dat de verdachte aan [account 5] vraagt langs [plaats 2] te gaan om iemand 30 euro te geven. Hij moet namelijk de auto van het observatieteam voor de verdachte in brand steken.

Uit locatiegegevens van de telefoon van de verdachte is gebleken dat de verdachte op 15 maart 2020 omstreeks 00.47 uur vanuit [plaats 2] is vertrokken naar Apeldoorn en teruggekomen is in [plaats 2] rond 04.44 uur. Hij maakte op dat moment gebruik van een cell-lD in de omgeving van de [adres 2] . De [adres 2] is in de omgeving van de woning van de verdachte en ook van een Esso tankstation, gelegen aan de [adres 3] te [plaats 2] .

Om 4:09 uur berichtte de verdachte aan [medeverdachte 3] ‘esso!!’en ‘half uur aub’ waarop [medeverdachte 3] reageerde met ‘Ben je daar dan ?’ en de verdachte (om 4:13 uur) vervolgens met ‘Ja’. Om 4:47 uur berichte [medeverdachte 3] de verdachte ‘Ben bij die groene container achter esso’. Om 05.19 uur is, als overwogen. melding gemaakt van de autobrand.

Het hof leidt hieruit af dat de verdachte en [medeverdachte 3] om ongeveer 4:47 uur, dus een klein half uurtje voor de brandstichting, afgesproken hebben achter een Esso tankstation aan de [adres 3] in [plaats 2] , zijnde in de directe omgeving van de in brand gestoken video-auto.

In een opgenomen en afgeluisterd tapgesprek van 1 april 2020 omstreeks 20:32 uur (TA029, sessie 437) hebben de verdachte en [betrokkene 1] de autobrand besproken. Daarbij zei de verdachte onder meer: ‘Ja man. Snap je me? Maar dat werkt ook in mijn voordeel. Van: "He deze chappie vlucht niet!" Terwijl ik had allang door "OT waggie (het hof begrijpt: de video-auto van de politie) dit dat." Snap je? Ik had allang door!’

Conclusie

Op basis van de voorgaande vaststellingen, in onderling verband en samenhang bezien, komt het hof tot de conclusie dat de verdachte en [medeverdachte 3] zodanig nauw en bewust hebben samengewerkt dat de verdachte als medepleger van de brandstichting moet worden aangemerkt. De verdachte en [medeverdachte 3] hebben beiden van dichtbij de video-auto bekeken; de verdachte heeft het kenteken van de auto bij de RDW nagetrokken en [medeverdachte 3] heeft de verdachte bericht dat hij ervan overtuigd is dat het om een politievoertuig ging. Dat ook de verdachte wist dat het een politieauto betrof vindt onder meer bevestiging in de uitspraak in het afgeluisterde gesprek met [betrokkene 3] op 1 april 2020. Blijkens de inhoud van de berichten heeft de verdachte vervolgens [medeverdachte 3] gezegd om de auto “in de fik” te steken. [medeverdachte 3] reageerde daarop onder meer met het bericht dat de verdachte een jerrycan en een aansteker moest regelen, waarna de verdachte aan [account 5] vroeg om langs [plaats 2] te gaan om iemand geld te geven omdat de video-wagen moet ‘fikken’. Ongeveer anderhalf uur daarna en ongeveer een half uur nadat de verdachte en [medeverdachte 3] elkaar in de buurt van de video-auto bij een tankstation hebben getroffen is die auto daadwerkelijk in brand gestoken. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte als opdrachtgever een sturende rol heeft gehad in het contact met de uitvoerder(s) van de brandstichting en daarmee een substantiële en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan die brandstichting. De bijdrage van de verdachte aan het tenlastegelegde is naar het oordeel van het hof van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.

Het hof komt tot bewezenverklaring van feit 2 primair. Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt verworpen.

Voorwaardelijke verzoeken

Prudniez

De verdediging heeft met betrekking tot de feiten 1 en 2 verzocht om een tussenarrest te wijzen en daarbij het onderzoek ter terechtzitting te heropenen, om te kunnen debatteren over de gevolgen van de uitspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) op de prejudiciële vragen van het Franse Cour de Cassation van 16 september 2025, onder de voorwaarde dat het HvJEU uitspraak heeft gedaan in die zaak vóórdat arrest wordt gewezen in de zaak tegen de verdachte. De verdediging doelt hiermee, naar het hof ambtshalve bekend is, op de zaak Prudniez, bekend onder nummer Case C-625/25 (hierna: de zaak Prudniez).

De advocaat-generaal heeft zich niet uitgelaten over dit voorwaardelijke verzoek.

Het hof overweegt dat de president van het HvJEU bij beschikking van 8 december 2025 (ECLI:EU:C:2025:947) een verzoek om versnelde behandeling van de zaak Prudniez heeft afgewezen, terwijl heden - op het moment waarop arrest wordt gewezen in de zaak van de verdachte - hierin nog geen uitspraak is gedaan. Daarmee is de aan het verzoek gekoppelde voorwaarde niet ingetreden, zodat het verzoek geen verdere bespreking behoeft.

[medeverdachte 2]

De verdediging heeft voorts met betrekking tot feit 1 verzocht om de getuige [medeverdachte 1] , wiens verhoor bij een eerdere beslissing van het hof op verzoek van de verdediging is gelast, te horen, onder de voorwaarde dat het hof de verdachte niet zal vrijspreken voor dit feit. Het hof begrijpt dat de verdediging onder die voorwaarde de hernieuwde oproeping van de getuige heeft verzocht.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord.

Het hof komt tot een bewezenverklaring van feit 1, zodat de voorwaarde is vervuld en het hof het verzoek zal beoordelen.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft op 1 oktober 2024 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 24 september 2024. Bij schriftuur van 14 oktober 2024 heeft de verdediging (onder meer) verzocht om [medeverdachte 1] als getuige te horen.

Op 9 december 2024 heeft het Openbaar Ministerie het hof en de raadslieden per e-mail laten weten dat [medeverdachte 2] gedetineerd is in de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: VAE), dat er in het kader van de onderhavige zaak een uitleveringsverzoek is gedaan (voor de vervolging van [medeverdachte 2] als verdachte) en dat onbekend is wanneer [medeverdachte 2] naar Nederland komt. Op de regiezitting van 9 december 2024 heeft de advocaat-generaal zich niet verzet tegen toewijzing van [medeverdachte 2] als getuige en daarbij desgevraagd toegelicht dat het uitleveringsverzoek ten aanzien van [medeverdachte 2] van Nederland aan de VAE is gedaan in september 2024 en dat wordt voorgesteld geen afzonderlijk rechtshulpverzoek te versturen aan de VAE tot het horen van [medeverdachte 2] als getuige, omdat het doen van meerdere rechtshulpverzoeken aan de VAE met betrekking tot dezelfde persoon in de VAE kan leiden tot verwarring en verstoring van de voortgang. Het hof heeft diezelfde dag beslist dat het verzoek van de verdediging tot het horen van [medeverdachte 2] als getuige in de zaak van de verdachte werd toegewezen en dat dit verhoor ter terechtzitting diende plaats te vinden. De zitting waarop [medeverdachte 2] gehoord zou worden werd gepland op 12 december 2025.

Op 18 november 2025 liet het Openbaar Ministerie het hof en de verdediging per e-mail weten dat navraag heeft uitgewezen dat de Afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken (hierna: AIRS) een mededeling van Interpol heeft ontvangen dat “alle restricties zijn opgeheven, zonder nadere toelichting omtrent de aard van die restricties”. Nu [medeverdachte 2] zich nog niet op Nederlands grondgebied bevond, moest worden gewacht tot hij zou zijn uitgeleverd. Herhaald werd dat het onwenselijk is om een aanvullend rechtshulpverzoek te doen, nu dit zou kunnen leiden tot verstoring van de uitleveringsprocedure in de VAE. Voorts wordt in deze brief vermeld dat AIRS geregeld overleg met de VAE heeft over de uitlevering en dat, zodra er meer informatie beschikbaar is, het Openbaar Ministerie wordt geïnformeerd.

Ter terechtzitting van 12 december 2025 is [medeverdachte 2] niet verschenen. De advocaat-generaal heeft onder verwijzing naar voornoemd e-mailbericht van 18 november 2025 meegedeeld dat het uitleveringsverzoek van [medeverdachte 2] , dat als gezegd betrekking heeft op de strafrechtelijke vervolging van [medeverdachte 2] , in de VAE nog steeds loopt en dat [medeverdachte 2] zich niet in Nederland bevindt. De raadsman heeft hierop meegedeeld dat hij het verzoek om [medeverdachte 2] als getuige te horen “om formele redenen” handhaaft. Het onderzoek ter terechtzitting is vervolgens onderbroken tot de zitting van 25 februari 2026, met bevel tot hernieuwde oproeping van [medeverdachte 2] als getuige tegen die zitting.

Bij e-mailbericht van 21 januari 2026 heeft de advocaat-generaal het hof laten weten dat het Openbaar Ministerie geen enkel zicht heeft of en wanneer [medeverdachte 2] naar Nederland zal worden overgebracht en dat het in verband met de relatie met de VAE niet aangewezen is daar al te veel druk op te zetten. Om die reden is het onzeker of hij op 25 februari 2026 in Nederland zal zijn.

Ook op de zitting van 25 februari 2026 was [medeverdachte 2] niet aanwezig om als getuige te worden gehoord. De advocaat-generaal heeft ter zitting meegedeeld dat er geen nieuwe informatie is en [medeverdachte 2] nog niet uitgeleverd is aan Nederland door de VAE. De raadsman heeft bij aanvang van de zitting daarop gereageerd en naar voren gebracht dat de verdediging het verzoek tot het horen van [medeverdachte 2] “handhaaft”, maar ook wil dat de behandeling van de zaak op 25 februari 2026 doorgang zou vinden. Bij pleidooi is het hiervoor beschreven voorwaardelijke verzoek tot het horen van [medeverdachte 2] geformuleerd.

Ter zitting van 16 april 2026 heeft de advocaat-generaal desgevraagd meegedeeld dat [medeverdachte 2] nog steeds niet is uitgeleverd aan Nederland en hem ten aanzien daarvan geen nieuwe ontwikkelingen bekend zijn.

Het hof constateert gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken, dat er op het moment van uitspraak in de zaak tegen de verdachte - ruim 16 maanden na de toewijzende beslissing op het verzoek [medeverdachte 2] als getuige te horen - geen enkele indicatie is over de termijn waarbinnen [medeverdachte 2] aan Nederland zal worden uitgeleverd. Ten aanzien van [medeverdachte 2] is weliswaar geen verzoek aan de VAE gericht om hem als getuige te kunnen horen, maar het Openbaar Ministerie heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat dit, gelet op het reeds verzonden uitleveringsverzoek van [medeverdachte 2] als verdachte, in de VAE tot verstoring van zijn uitlevering zal kunnen leiden. Tegen deze zienswijze is door de verdediging ook geen bezwaar gemaakt. Een dergelijke situatie is het hof ambtshalve ook uit andere zaken bekend. Naar het oordeel van het hof is op basis van het voorgaande, bezien in het licht van het lange tijdsverloop en het uitblijven van concrete voortgangsinformatie vanuit de VAE, voldoende komen vast te staan dat de Nederlandse autoriteiten hebben voldaan aan de inspanningsverplichting die volgt uit artikel 6, derde lid onder d van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), maar dat het desondanks tot op heden niet is gelukt [medeverdachte 2] naar Nederland te doen overkomen teneinde hem als getuige te kunnen horen, terwijl ook ten tijde van het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting op 16 april 2026 elk aanknopingspunt voor de inschatting wanneer [medeverdachte 2] naar Nederland zal komen ontbreekt. Gelet op dit alles is het hof van oordeel dat het onaannemelijk is dat [medeverdachte 2] binnen een aanvaardbare termijn kan verschijnen teneinde als getuige te worden gehoord. Het hof is daarom van oordeel dat van de (hernieuwde) oproeping van de getuige kan worden afgezien en wijst het voorwaardelijk verzoek af.

[medeverdachte 3]

Ter zitting van 25 februari 2026 heeft de verdediging ten aanzien van de opgeroepen getuige [medeverdachte 3] , zakelijk weergegeven, naar voren gebracht dat de verdediging weliswaar “geen afstand doet van de getuige”, maar dat de verdediging wel door wil met de inhoudelijke behandeling van de zaak. Het hof zal dit standpunt van de verdediging welwillend interpreteren en begrijpen als een verzoek om [medeverdachte 3] hernieuwd als getuige te doen oproepen, onder de voorwaarde dat het hof de verdachte niet zal vrijspreken van feit 2, zoals de verdediging ook heeft bevestigd ter zitting van 16 april 2026.

De advocaat-generaal heeft zich ter zitting van 16 april 2026 op het standpunt gesteld dat het niet aannemelijk is dat [medeverdachte 3] binnen aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen.

Het hof komt tot een bewezenverklaring van feit 2, zodat de voorwaarde is vervuld en het hof het verzoek zal beoordelen.

Het hof overweegt dat de verdediging in haar schriftuur [medeverdachte 3] als te horen getuige heeft opgegeven. Het verzoek om hem te horen is toegewezen op de regiezitting van 9 december 2024. Het getuigenverhoor was voorzien voor de, met het oog op inhoudelijke behandeling, gehouden terechtzitting op 12 december 2025. Het Openbaar Ministerie heeft [medeverdachte 3] voor deze zitting als getuige opgeroepen. De oproeping was uitgereikt aan de moeder van de getuige, op het adres waar [medeverdachte 3] blijkens de SKDB-staat in de BRP is ingeschreven.

Op 10 december 2025 heeft de raadsman van de verdachte het hof, met afschrift aan de advocaat-generaal en de raadsman van de medeverdachte [medeverdachte 1] , per e-mail bericht dat hij achterhaald heeft wie de advocaat van getuige [medeverdachte 3] is en dat hij van die advocaat heeft begrepen dat [medeverdachte 3] in het buitenland verblijft en door ziekte niet naar Nederland kan afreizen, zodat hij op 12 december 2025 niet als getuige ter zitting zal verschijnen.

[medeverdachte 3] verscheen inderdaad niet ter zitting van 12 december 2025. De advocaat-generaal deelde toen mee dat nagegaan is of de getuige gedetineerd was op dat moment, en dat dat niet het geval was. Desgevraagd deelde de raadsman ter zitting van 12 december 2025 mee dat hij “om formele redenen” het verzoek tot het horen van [medeverdachte 3] handhaafde en -mocht hij niet op de volgende zitting verschijnen- naar bevind van zaken gehandeld kon worden.

Het onderzoek ter terechtzitting is vervolgens onderbroken tot de zitting van 25 februari 2026, met bevel tot hernieuwde oproeping van [medeverdachte 3] als getuige tegen die zitting.

Op 17 februari 2026 heeft de voorzitter van het hof een bevel medebrenging getuige afgegeven van [medeverdachte 3] , met als overweging dat de getuige ter terechtzitting van 12 december 2025, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet is verschenen. Blijkens mededelingen van de raadsman van de verdachte was de getuige er kennelijk van op de hoogte dat hij diende te verschijnen, maar hij heeft het hof niet geïnformeerd over de reden van verhindering. Naar het oordeel van de voorzitter bood de hiervoor weergegeven gang van zaken onvoldoende vertrouwen dat de getuige aan zijn verschijningsplicht zou voldoen.

De advocaat-generaal heeft vervolgens, gelet op het bevel medebrenging, op 23 februari 2026 een last tot medebrenging getuige afgegeven ten aanzien van [medeverdachte 3] .

Ook ter zitting van 25 februari 2026 is de getuige, ondanks het bevel tot medebrenging en de last daartoe, niet verschenen. Het was de autoriteiten klaarblijkelijk niet gelukt [medeverdachte 3] te traceren. De advocaat-generaal heeft meegedeeld dat de getuige niet is aangetroffen. Voorts heeft hij meegedeeld dat hij op 9 februari 2026 heeft geïnformeerd bij de officier van justitie die belast is met de vervolging van [medeverdachte 3] in de zaak Kiltan (ten aanzien van [medeverdachte 3] , naar het hof begrijpt, is onderzoek Kiltan thans bekend onder de onderzoeksnaam 26 Bracka). Deze heeft hem bericht geen enkel zicht te hebben op de verblijfplaats van [medeverdachte 3] .

Op 13 maart 2026 ontving het hof een e-mail van de advocaat van [medeverdachte 3] , waarin hij onder meer

schrijft, zakelijk weergegeven, dat hij de advocaat-generaal heeft gesproken, die hem meedeelde dat zijn cliënt in de onderhavige zaak als getuige was opgeroepen. De advocaat-generaal mailde het hof desgevraagd, zakelijk weergegeven, dat zij de advocaat na behandeling van een andere zaak op 13 maart 2026 sprak en dat de advocaat haar meedeelde dat [medeverdachte 3] bij de eerste oproeping (het hof begrijpt: om als getuige te verschijnen ter zitting van 12 december 2025) ziek was en daarom niet was verschenen en dat nieuwe oproepingen de advocaat niet bekend waren.

Bij e-mail van 18 maart 2026 deelde de raadsman van de verdachte naar aanleiding van deze

emailberichten het hof desgevraagd mee dat “het hof nog steeds arrest kan wijzen” en dat het

voorwaardelijk verzoek tot het horen van [medeverdachte 3] gehandhaafd wordt.

Op 19 maart 2026 mailde de griffier namens de voorzitter aan de advocaat-generaal en de raadsman

van de verdachte dat de getuige [medeverdachte 3] voor de zitting van 16 april 2026 moest worden opgeroepen.

Daarbij werd, naast een bevel tot oproeping van de getuige, wederom een bevel medebrenging

afgegeven, welk bevel als bijlage bij de mail was gevoegd. Tevens werd in deze mail door de

voorzitter het bevel aan de advocaat-generaal gegeven om [medeverdachte 3] op te sporen, al dan niet via de politie of de advocaat van [medeverdachte 3] , met bepaling dat het hof voor 16 april 2026 bij proces-verbaal geïnformeerd wilde worden over de inspanningen die in dit kader waren verricht.

Op 24 maart 2026 ontving het hof van de advocaat-generaal een e-mail waarin de advocaat-generaal verwees naar het contact dat zij had gehad met de advocaat van [medeverdachte 3] . Bij deze e-mail was een zogenaamde e-mailketting gevoegd van 23 maart 2026 van berichten, gewisseld tussen de advocaat-generaal en de advocaat van [medeverdachte 3] . Deze advocaat schreef de advocaat-generaal onder meer dat hij zijn cliënt gesproken heeft, dat de datum van 16 april 2026 [medeverdachte 3] onbekend was, dat [medeverdachte 3] in het buitenland zat en in beginsel niet op 16 april 2026 in Nederland is en dat er ook gezondheidsproblemen spelen.

De advocaat-generaal stuurde het hof vervolgens op 16 april 2026 een proces-verbaal van bevindingen

van diezelfde datum. In dit proces-verbaal zijn de inspanningen beschreven die zijn verricht om de

verblijfplaats van [medeverdachte 3] te achterhalen en dat tot op heden onbekend is waar hij verblijft. De

door de politie verrichte inspanningen houden in, zakelijk weergegeven en voor

zover hier van belang, dat contact is opgenomen met het onderzoeksteam in het onderzoek [naam 3] , waarin [medeverdachte 3] verdachte is. Vanuit dat onderzoeksteam werd de verbalisant meegedeeld dat [medeverdachte 3] op 14 april 2026 aangehouden zou worden en dat binnengetreden zou worden op het adres waar hij ingeschreven stond en op een verblijfsadres van hem in [plaats 2] . Het vermoeden was echter dat [medeverdachte 3] al enige tijd in het buitenland verbleef. Op 15 april 2026 vernam de verbalisant vanuit het

onderzoeksteam in [naam 3] dat zij [medeverdachte 3] op 14 april 2026 niet hadden aangetroffen op de genoemde adressen en dat de moeder van [medeverdachte 3] daarna heeft verklaard dat haar zoon zich in het buitenland zou bevinden, zonder verdere informatie te verstrekken.

Tot slot ontving het hof op 16 april 2026 een e-mail van de advocaat-generaal, met bijgevoegd een

e-mailketting van berichten, gewisseld tussen de advocaat-generaal en de advocaat van [medeverdachte 3] , waaruit onder meer volgt dat de advocaat niets kan zeggen over de verblijfplaats van [medeverdachte 3] .

Het hof constateert, gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken, dat er op het moment van uitspraak in de zaak tegen de verdachte - ruim 16 maanden na de toewijzende beslissing op het verzoek [medeverdachte 3] als getuige te horen - er geen enkele indicatie is omtrent de locatie waar [medeverdachte 3] zich bevindt. Het hof is van oordeel dat op basis van het voorgaande voldoende is komen vast te staan dat de Nederlandse autoriteiten hebben voldaan aan de inspanningsverplichting die volgt uit artikel 6, derde lid onder d, EVRM, maar dat het desondanks niet is gelukt [medeverdachte 3] te traceren.

Alhoewel er twee adressen bekend zijn die met [medeverdachte 3] in verband kunnen worden gebracht, ontbreekt ieder aanknopingspunt over zijn feitelijke verblijfplaats. Eerdere betekening van oproepingen op zijn actuele adres en binnentreding ter aanhouding in een ander opsporingsonderzoek op twee van [medeverdachte 3] bekende adressen hebben niets opgeleverd, terwijl de werkelijke verblijfplaats van [medeverdachte 3] niet bekend is. Onbekend is zelfs of [medeverdachte 3] zich in Nederland bevindt dan wel in enig buitenland. Indien dat laatste het geval is, is onduidelijk naar welk land een eventueel rechtshulpverzoek zou moeten worden gestuurd. Voorts hebben twee bevelen medebrenging, een aan de hand daarvan afgegeven last tot medebrenging en meermalen door de advocaat-generaal opgenomen contact met de advocaat van [medeverdachte 3] geen resultaat opgeleverd. In het kader van de tegen [medeverdachte 3] zelf lopende opsporingsonderzoeken wordt evenmin resultaat geboekt bij het opsporen van hem. Gelet op dit alles is het onaannemelijk dat [medeverdachte 3] binnen een aanvaardbare termijn als getuige zou kunnen verschijnen teneinde te worden gehoord. Dat brengt het hof tot het oordeel dat van de (hernieuwde) oproeping van [medeverdachte 3] als getuige kan worden afgezien en wijst het hof het voorwaardelijk verzoek af.

Recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM)

Het hof beoordeelt ambtshalve of het proces als geheel eerlijk is verlopen in het kader van artikel 6 EVRM. Het hof stelt vast dat de verdediging ten aanzien van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] niet het recht tot ondervraging van getuigen heeft kunnen effectueren.

Het hof is niet gebleken dat geen sprake zou zijn van een eerlijk proces als gevolg van het niet in hoger beroep horen van de niet verschenen medeverdachten als getuigen. Hierbij betrekt het hof dat [medeverdachte 2] noch [medeverdachte 3] eerder een verklaring met een belastende strekking over de verdachte heeft afgelegd. [medeverdachte 2] is in dit onderzoek niet door de politie of een rechter verhoord en [medeverdachte 3] heeft zich bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen, terwijl ook hij niet door een rechter is verhoord. Tevens acht het hof het relevant dat de verdediging slechts een algemene motivering ten grondslag heeft gelegd aan de verzoeken om de getuigen te horen, die enkel gebaseerd is op het feit dat uit het dossier zou blijken dat de getuigen met de verdachte zouden hebben gecommuniceerd en er vragen zouden zijn over de inhoud van die gesprekken. Een nadere uitleg van de aard of strekking van die vragen is niet gegeven. Evenmin is een te voeren verweer in het vooruitzicht gesteld, in het kader dan wel ter onderbouwing waarvan vragen aan die getuigen gesteld zouden moeten worden.

Het hof stelt verder vast dat de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op vele andere onderzoeksbevindingen, zoals die hiervoor zijn uiteengezet, en het hof bezigt geen verklaringen van [medeverdachte 2] of [medeverdachte 3] voor het bewijs. Tegen deze achtergrond leiden de afwijzende beslissingen ten aanzien van de verzoeken om [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] als getuigen te horen niet tot een situatie waarin niet langer sprake zou zijn van een eerlijk proces.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.primairhij in de periode van 5 maart 2020 tot en met 12 maart 2020 te [plaats 2] en Spanje, tezamen en in vereniging met anderen ter voorbereiding van het misdrijf om [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, opzettelijk, een voertuig (motorscooter) bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en voorhanden heeft gehad;

2.primairhij op 15 maart 2020 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare stof, ten gevolge waarvan een auto van het merk Skoda type Roomster voorzien van kenteken [kenteken 1] , gedeeltelijk is verbrand en daarvan - gemeen gevaar voor rondom het voertuig aanwezige goederen te duchten was.

Hetgeen onder 1 primair en 2 primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, waarnaar is verwezen in de voetnoten bij de vorenstaande bewijsoverwegingen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Strafbaarheid feiten

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat, in geval van bewezenverklaring van feit 1 primair sprake is geweest van vrijwillige terugtred. Daarbij is gewezen op de ‘bozige berichten aan [account verdachte] van [account 1] ’ en de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] dat het niet de bedoeling was om iemand van het leven te beroven. Daardoor was het uitgesloten dat met behulp van de voorbereidingshandelingen het aanvankelijk beoogde misdrijf nog begaan kon worden. Omdat niet kan worden uitgesloten dat de verdachte vrijwillig is teruggetreden kan dit feit niet als strafbaar feit worden gekwalificeerd.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft naar voren gebracht dat de niet-voltooiing van de liquidatie het gevolg was van het feit dat [slachtoffer] uit [plaats 3] vertrokken was en niet van een omstandigheid waarop de verdachte invloed had, zodat er geen sprake is geweest van een vrijwillige terugtred en het feit als strafbaar feit kan worden gekwalificeerd.

Oordeel van het hof

Zoals hiervoor onder het kopje Opzet al overwogen dateren de berichten waarnaar de raadsman verwijst van 10 januari 2020. Dat deze berichten betrekking hebben op de voor te bereiden liquidatie in maart 2020 volgt niet uit het dossier. De verdachte heeft hier immers niet over verklaard terwijl dit voorts uit die datering en de inhoud van die berichten ook niet valt af te leiden. Dit impliceert dat hieruit niet blijkt van enig wilsbesluit van de verdachte (of van een medeverdachte) tot niet-voltooiing van de liquidatie. Ook overigens komt uit geen van de in de periode 5 tot 10 maart 2020 tussen de verdachte en zijn medeverdachten gewisselde berichten enige aanwijzing naar voren voor een bij de verdachte of zijn medeverdachten bestaande of opgekomen wil tot terugtreden. Integendeel, ze zijn juist alle gericht op voltooiing van de liquidatie. Eerst in de avond van 8 maart 2020 om 20:10 uur bericht [account 8 ] aan [account 1] : ‘Wacht mail je zo, hoor die gast die we moeten hebben is al weg van hier’. Slechts 3 minuten voor verzending van dit bericht informeerde de verdachte nog bij [account 1] of ‘het ijzer’ (het hof begrijpt: het vuurwapen) al klaar is. Om 20:35 uur berichtte de verdachte aan [account 1] ‘pff ok’.

Het hof leidt uit de inhoud van deze berichten, bezien in onderlinge samenhang en in het licht van de overige bewijsmiddelen, af dat de verdachte volop aankoerste op uitvoering van de liquidatie, tot het moment dat hij op de hoogte raakte van het feit dat het beoogde slachtoffer vertrokken was. Dit is een omstandigheid niet van de wil van de verdachte afhankelijk, die er uiteindelijk toe leidde dat de liquidatie niet voltooid kon worden. Het verweer wordt verworpen.

Nu evenmin andere gronden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten, betekent dit dat de bewezenverklaarde feiten 1 primair en 2 strafbaar zijn.

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van voorbereiding van moord.

Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf en maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, met aftrek van voorarrest, zal opleggen voor de onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde feiten.

Namens de verdachte heeft de raadsman aandacht gevraagd voor diens jeugdige leeftijd, zijn beperkte justitiële documentatie en de nadelige persoonlijke gevolgen van langdurige detentie. Het hof slaat bij de straftoemeting acht op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van de verdachte.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de voorbereiding van een moord in de Spaanse plaats [plaats 3] . Het doelwit was een Belgische drugshandelaar, [slachtoffer] . Daartoe heeft hij met zijn mededaders de vluchtmotor voorhanden gehad. De verdachte had een regisserende rol. Anders dan de beoogde schutter bevond hij zich in Nederland.

In het oog springend zijn de snelheid en doortastendheid waarmee de verdachte op de opdracht om een schutter te organiseren kon ingaan. Blijkens de hierop betrekking hebbende Sky-berichten had de verdachte binnen enkele uren de opdracht aangenomen en een schutter geregeld. Op 5 maart 2020 rond 16:00 uur ontving de verdachte het verzoek “Wil je job in sp”. Dit bericht was afkomstig van een persoon die door de politie is geïdentificeerd als [medeverdachte 2] . Uit de berichten die [medeverdachte 2] daarna heeft gestuurd blijkt dat de moord snel moest worden uitgevoerd. [medeverdachte 2] bevond zich blijkens de inhoud van die berichten op dat moment in Spanje.

De antwoorden die de verdachte op de vele berichten van [medeverdachte 2] heeft gegeven zijn weliswaar niet onderschept of ontsleuteld, maar zonder twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte rond 18:00 uur de uitvoerder van de opdracht bereid had gevonden. Veelzeggend is het afrondende bericht van een gerustgestelde en tevreden [medeverdachte 2] dat inhield: “Bro zeker he?? Ik zeg nu bug (het hof begrijpt: een persoon die op de achtergrond aan de touwtjes trok) dat alles klaar is”. De verdachte diende ervoor te zorgen dat deze persoon, geïdentificeerd als [medeverdachte 1] , geld mee zou krijgen om het vuurwapen waarmee de liquidatie moest worden uitgevoerd te kopen alsmede een telefoon met daarop de applicatie SkyECC. Voor de verdachte zelf zou een bedrag van € 5.000,00 aan de strijkstok blijven hangen. Met mogelijk een “bonus” bij een resultaat conform opdracht.

De volgende dag, rond 17:00 uur, heeft de verdachte een groepschat aangemaakt met daarin als deelnemers [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en hijzelf. Vanaf dat moment zijn ook de berichten die de verdachte zelf heeft gestuurd voor de opsporing beschikbaar gekomen. De schutter, [medeverdachte 1] , was toen, onderweg naar Spanje, al in Brussel aangekomen.

Bij de bespreking van de bewijsmiddelen is gebleken dat de verdachte, zoals reeds opgemerkt, een regisserende rol had. Hij gaf in beide richtingen informatie en instructies door en informeerde naar de beschikbaarheid van het wapen. Hierbij blijkt de verdachte ook manipulatief te werk te zijn gegaan. Zo had de verdachte op 8 maart 2020 rond 20:00 uur al bericht ontvangen van [medeverdachte 2] dat het beoogde slachtoffer niet meer in [plaats 3] was, maar daarvan hield hij [medeverdachte 1] , in opdracht van [medeverdachte 2] , nog enige tijd onwetend.

Het contact met [medeverdachte 2] met betrekking tot de voorgenomen moord op [slachtoffer] staat niet op zichzelf. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant S146 van 10 november 2022 blijkt dat de verdachte ook op 25, 26 en 27 november 2019 berichten ontving van [medeverdachte 2] die onmiskenbaar verband houden met ernstige strafbare feiten. [medeverdachte 2] lijkt in die dagen op zoek te zijn naar vuurwapens en een vluchtauto.

Uit deze gang van zaken leidt het hof af dat dit geval van voorbereiding van een moord met betrokkenheid van de verdachte niet een incident geweest. Aan die constatering draagt ook bij dat de verdachte in de groepschat kennelijk moeiteloos schakelt in de communicatie over een “ijzer” en de “fiets”; verhullende woorden die in relatie tot moorden op bestelling de specifieke betekenis van vuurwapen en vluchtvoertuig hebben, zoals ook blijkt uit de verklaringen van [medeverdachte 1] .

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant T-321 van 17 maart 2020 blijkt bovendien dat de verdachte samen met, onder anderen, [medeverdachte 1] op 16 januari 2019 door de Spaanse politie is aangetroffen in een auto van het merk Mercedes Benz, waarbij zij zijn gecontroleerd. De verdachte had [medeverdachte 1] , die als gezegd zo snel ingezet kon worden om de moord op [slachtoffer] te plegen, kennelijk binnen handbereik. Het strafblad van [medeverdachte 1] maakt deel uit van de processtukken. Daaruit blijkt dat [medeverdachte 1] in 2016 en 2021 onherroepelijk tot langdurige gevangenisstraffen is veroordeeld wegens onder meer meerdere pogingen tot woningoverval, bezit van een vuurwapen en het meermalen plegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving.

En er zijn meer aanwijzingen dat de verdachte zich in een crimineel netwerk bewoog. Uit het proces-verbaal over terbeschikkingstelling van Argus-data van 17 oktober 2022 van verbalisant T-1137 blijkt dat de verdachte enkele dagen voordat hij werd benaderd voor de moord in [plaats 3] als gebruiker van SkyECC vragen kreeg vanaf een account met de naam “ [bijnaam] ”. Op 28 februari 2020 ontving hij het volgende bericht:

“Jij hebt toch een chauf klaar die ene jongen die met min vast zat van jou buurt wilt die man nog werken

Pap kan ik morgen ophalen

Broer met de head 40 a 50

40 voor head en 40 voor chauffeur”.

Dit bericht spreekt boekdelen. Ook voor de werving van een chauffeur, gelet op de bewoordingen en context van het bericht onmiskenbaar ten behoeve van een liquidatie, was men bij de verdachte aan het juiste adres.

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant S146 van 4 oktober 2022 wordt melding gemaakt van opgenomen en afgeluisterde OVC (Opname Vertrouwelijke Communicatie) -gesprekken in de auto van een persoon genaamd [betrokkene 2] . Op 29 februari 2020 zat de verdachte bij hem in de auto, tezamen met ene ‘ [betrokkene 2] ’. Zij hebben blijkens die opnames op de parkeerplaats bij de [adres 5] in [plaats 2] proefschoten gelost met een wapen met hierop een demper.

De verdachte heeft voorts brand laten stichten in een observatieauto van de politie die tegenover zijn woning was geplaatst met het oog op zijn aanhouding op verzoek van de Spaanse autoriteiten in verband met de verdenking van de aldaar op 21 januari 2019 gepleegde liquidatie op [naam 1] , deelname aan een criminele organisatie en de illegale handel in wapens, munitie en explosieven. De verdachte had geconcludeerd dat het een auto van de politie was en dat deze daar waarschijnlijk werd ingezet in het kader van een opsporingsonderzoek. Hij heeft geen moment geaarzeld en de auto is binnen enkele dagen na de plaatsing ervan in opdracht van de verdachte in vlammen opgegaan.

De verdachte heeft zich aldus intensief beziggehouden met de voorbereiding van een levensberoving op bestelling. De berichten die daarover zijn gedeeld tussen de verdachte en zijn mededaders laten zich kenmerken als zakelijk, kil, berekenend en meedogenloos. Zolang de opdrachtgever op de achtergrond tevreden is en de beloning toereikend is, spelen moraal en het recht op leven van een ander geen rol. En als de politie iets te dichtbij komt grijpt de verdachte rigoureus in. Ook in die krachtmeting wil de verdachte klaarblijkelijk koste wat het kost aan het langste eind trekken. Hij laat binnen enkele dagen brandstichten en veroorzaakt daar meer dan een halve ton aan schade mee. Zo belemmert hij de opsporing op een manier die gekenmerkt kan worden als van een onthutsende brutaliteit en een compleet gebrek aan respect voor de autoriteiten. De verdachte heeft ondanks het overvloedige bewijs, wat het hof betreft tegen beter weten in, ontkend dat hij de gebruiker was van het SkyECC-acount [account verdachte] . Dat betekent dat hij geen enkele verantwoordelijkheid heeft willen nemen voor de feiten waarvoor hij in dit arrest wordt veroordeeld. Daar komt bij dat het voorgaande zichtbaar maakt dat de verdachte, ondanks zijn jonge leeftijd, kennelijk is ingebed in een crimineel netwerk, waarbinnen hij snel kan handelen als de politie hem op de hielen zit én snel kan leveren als hem om een dienst wordt gevraagd.

De slotconclusie moet zijn dat bescherming van de samenleving, naast vergelding, in deze zaak een belangrijke rol speelt bij de straftoemeting. De verdachte heeft door zijn proceshouding geen enkel aanknopingspunt geboden om aan te nemen dat bestraffing hem zou kunnen weerhouden van hervatting van ondermijnend crimineel handelen, al dan niet in georganiseerd verband, nadat de straf is tenuitvoergelegd. Van overwegend belang is daarom de speciale preventie, in die zin dat de drempel om strafbare feiten te plegen voor de verdachte zeer hoog is, zolang hem zijn vrijheid is ontnomen. Daarnaast laat het hof zich leiden door overwegingen van algemeen-preventieve aard. Het hof wil tot uitdrukking brengen dat strafbare feiten als deze, waarbij de verdachte bovendien geen enkel zicht biedt op de achtergronden van zijn handelen, noch op zijn intenties voor een betekenisvolle deelname aan de samenleving in de toekomst, tot een krachtige reactie van de strafrechter leiden.

De raadsman heeft er aandacht voor gevraagd dat de verdachte ten tijde van de feiten net twintig jaar oud was en een beperkt strafblad heeft. Aan deze omstandigheden kan, afgezet tegen de in het voorgaande geschetste zakelijke professionaliteit en persoonlijke onverschilligheid van de verdachte, naar het oordeel van het hof geen relevant gewicht worden toegekend voor bepaling van de zwaarte van de op te leggen straf. Integendeel, het is veelzeggend dat de verdachte zich ondanks die jonge leeftijd op deze wijze en in deze mate heeft bewogen in een crimineel milieu van een zwaar kaliber. Hij heeft ondanks die jeugdige leeftijd op een berekenende wijze getracht elke strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor de bewezenverklaarde feiten verre van zich te houden.

De door de advocaat-generaal geëiste gevangenisstraf van twaalf jaren, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd, is dan ook passend en geboden.

De rechtbank heeft vonnis gewezen op 24 september 2024. Sindsdien is een periode van iets meer dan negentien maanden verstreken. Deze, op zijn redelijkheid te beoordelen, termijn is ruim drie maanden langer dan de aan te leggen maatstaf van zestien maanden voor behandeling van de strafzaak van een gedetineerde verdachte in hoger beroep.

Het hof volstaat, gelet op de geringe overschrijding, met de constatering daarvan en zal daar geen consequenties aan verbinden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering van de benadeelde partij Nationale Politie Eenheid Amsterdam

De benadeelde partij heeft zich, conform het bepaalde in artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 62.255,71, inclusief BTW en bestaat blijkens de bij de aangifte (ZD01, p. 10069 e.v.) behorende bijlage uit door de brand verwoeste apparatuur.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft betoogd dat de vordering van de benadeelde partij integraal dient te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De verdediging heeft aangevoerd dat onduidelijk is in hoeverre er door een verzekering een uitkering is gedaan. De vordering is daarmee onvoldoende onderbouwd, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. Mocht het hof dit niet volgen, dan zou de vordering dienen te worden toegewezen exclusief de BTW en bovendien hoofdelijk in verband met meerdere verdachten die nog vervolgd moeten worden. Voorts is verzocht geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. De gevorderde schadepost zal worden toegewezen inclusief de BTW, nu de benadeelde partij de BTW niet kan verrekenen.

De stelling van de verdediging dat onduidelijk is in hoeverre een verzekeringsmaatschappij tot uitkering van een schadebedrag is overgegaan, staat aan toewijzing van de vordering niet in de weg. Dit verweer wordt dan ook gepasseerd.

Het hof oordeelt dat de verdachte samen met zijn mededader, in geval deze eveneens tot vergoeding van de schade zal worden veroordeeld, voor de schade en de proceskosten aansprakelijk is. Bij een veroordeling van twee of meer verdachten tot betaling van de proceskosten, geldt als uitgangspunt dat zij ieder voor het geheel aansprakelijk zijn en dus hoofdelijk zijn verbonden tot nakoming van die veroordeling (zie ook HR 17 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5169, rov. 3.3.2). Daarvoor is niet vereist dat de benadeelde partij heeft gevorderd of verzocht dat de veroordeling van de verdachten in de proceskosten met toepassing van de hoofdelijkheidsclausule zal worden uitgesproken. Het hof zal de verplichting tot vergoeding van de proceskosten dan ook hoofdelijk opleggen.

De rechtbank heeft afgezien van oplegging van de maatregel onder verwijzing naar de mogelijkheden van de politieorganisatie om de schade te verhalen. Het hof overweegt dat de maatregel een strafrechtelijk karakter heeft, onder meer tot uitdrukking komend in het dwangmiddel van gijzeling. Het biedt aanvullende bescherming voor benadeelden, ongeacht hun hoedanigheid, dat door een strafbaar feit ontstane schade wordt vergoed. Dat wordt niet anders door de enkele mogelijkheid dat zij, op welke grond dan ook, in staat moeten worden geacht zelf innings- en verhaalsprocedures op te zetten.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed en het acht (aldus) geen termen aanwezig om de niet onderbouwde stelling van de verdediging deze maatregel niet op te leggen, te volgen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 46, 47, 57, 157 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij Nationale Politie Eenheid Amsterdam

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Nationale Politie Eenheid Amsterdam ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 62.255,71 (tweeënzestigduizend tweehonderdvijfenvijftig euro en eenenzeventig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Nationale Politie Eenheid Amsterdam , ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 62.255,71 (tweeënzestigduizend tweehonderdvijfenvijftig euro en eenenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 263 (tweehonderddrieënzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 15 maart 2020.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam , waarin zitting hadden mr. S.M.M. Bordenga, mr. R.M. Steinhaus en mr. W.S. Ludwig, in tegenwoordigheid van mr. P.E. de Wildt, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 april 2026.

mr. R.M. Steinhaus is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. P.E. de Wildt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand