ECLI:NL:GHAMS:2026:3040

ECLI:NL:GHAMS:2026:3040

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 01-10-2026
Datum publicatie 28-10-2026
Zaaknummer K25-230332
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Raadkamer
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Klaagschrift o.g.v. art. 12 Sv tegen de beslissing van de officier van justitie om geen strafvervolging in te stellen tegen (een) onbekend gebleven supporter(s) van de voetbalclub Maccabi Tel Aviv FC ter zake van het aanzetten tot haat/discriminatie/geweld, belediging en mishandeling. Het hof stelt voorop dat in zaken als deze van de Staat extra inzet mag worden verwacht. De politie heeft uitgebreid onderzoek verricht naar de feiten waarvan klaagster aangifte heeft gedaan. Het onderzoek heeft echter niet kunnen bijdragen aan de identificatie van de beklaagde(n). Voorts is niet aannemelijk geworden dat nader onderzoek redelijkerwijs kan bijdragen aan de identificatie van de beklaagde. Het beklag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

afdeling strafrecht

beklagkamer

rekestnummer K 25/230332

Beschikking op het beklag van:

[klager] ,

klaagster,

woonplaats kiezende op het kantooradres van haar gemachtigde:

mr. A. Çatbaş, advocaat te Amsterdam.

1. Het beklag

Het hof heeft op 25 augustus 2025 het klaagschrift ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam om geen strafvervolging in te stellen tegen (een) onbekend gebleven supporter(s) van de voetbalclub [club 1] ter zake van het aanzetten tot haat/discriminatie/geweld, belediging en mishandeling.

2. Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 2 juli 2026 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen.

3. De voorhanden stukken

Het hof heeft kennisgenomen van:

- het klaagschrift;

- het verslag van de advocaat-generaal;

- het dossier van de politie;

- het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam van 9 januari 2026;

- de pleitnotities van mrs. A. Çatbaş en S. Ali van de raadkamerbehandeling van 27 augustus 2026.

4. De behandeling in raadkamer

Het hof heeft klaagster op 27 augustus 2026 in de gelegenheid gesteld het beklag toe te lichten.

Klaagster is niet verschenen. Namens klaagster is mr. S. Ali, waarnemend voor mr. A. Çatbaş, in raadkamer verschenen en heeft het beklag toegelicht en gehandhaafd.

De advocaat-generaal is bij de behandeling in raadkamer aanwezig geweest. In hetgeen in raadkamer naar voren is gekomen heeft deze geen aanleiding gevonden de conclusie in het verslag te herzien.

5. De beoordeling van het beklag

Feiten en omstandigheden

Op 7 november 2024 werd in de [locatie] een voetbalwedstrijd gespeeld tussen [club 2] en [club 1] (hierna: [club 1] ) uit Israël. Zowel voorafgaand aan als na afloop van de wedstrijd zijn er rond de [locatie] en in de binnenstad van Amsterdam ernstige ongeregeldheden ontstaan. Klaagster stelt dat zij op 7 november 2024 omstreeks 18.00 uur bij een metro-ingang van Amsterdam Centraal slachtoffer is geworden van verscheidene strafbare feiten (aanzetten tot haat/discriminatie/geweld, belediging en mishandeling) welke door meerdere [club 1] supporters tegen haar zijn begaan.

In haar aangifte verklaart klaagster dat zij op eerdergenoemde plaats, tijd en datum een groep [club 1] supporters zag en zij bij het zien van die groep [club 1] supporters onder meer "Free Palestine" riep. Vervolgens werd zij direct door een groep [club 1] supporters aangevallen. De politie trachtte de supporters tegen te houden, maar dit lukte niet. Klaagster werd door enkele [club 1] supporters geslagen en bespuugd. Daarbij werd zij ook geraakt op haar schouder. Met moeite en hulp van omstanders kon klaagster loskomen. Nadat zij loskwam, werd klaagster nogmaals aangevallen door een vrouwelijk persoon. Deze vrouwelijk persoon trok aan de haren van klaagster. Daarbij zeiden de [club 1] supporters ook nog het een en ander en waren zij woedend.

Voor de weergave van de feitelijke uitgangspunten die (verder) van belang zijn voor de beoordeling verwijst het hof naar de inhoud van het verslag.

Beoordelingskader

Het hof heeft te beoordelen of de strafrechter die over deze zaak zou moeten oordelen – al dan niet na nader onderzoek – zou kunnen komen tot een veroordeling voor enig strafbaar feit. Daarnaast moet het hof beoordelen of er, gelet op alle omstandigheden, voldoende belang is bij het alsnog instellen van strafrechtelijke vervolging. Indien het antwoord op beide vragen bevestigend luidt, zal een bevel tot vervolging worden gegeven.

De overwegingen van het hof

Het hof overweegt dat dit een beklag van gewicht betreft. In zaken als deze mag van de Staat extra inzet worden verwacht. Op de autoriteiten rust immers een verhoogde verplichting om strafbare feiten met een discriminatoir karakter actief en zorgvuldig te onderzoeken. Ook het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en het Europese Hof van Justitie benadrukken dat nationale autoriteiten zich in “hate crime-zaken” actief moeten inspannen. Dat geldt ook voor Nederland. Bovendien raken dergelijke feiten niet alleen het individuele slachtoffer, maar ook de samenleving als geheel. Het hof betrekt dit bij haar oordeel.

Naar aanleiding van de aangifte van klaagster heeft de politie onderzoek verricht naar de feiten waarvan zij aangifte heeft gedaan. Daarbij is, zowel in open bronnen als door het vorderen van camerabeelden van het Gemeentevervoerbedrijf Amsterdam (hierna: het GVB) onderzocht of er camerabeelden beschikbaar waren waarop de feiten te zien zouden kunnen zijn. Aanvankelijk leken de beelden door een vervanging van de systemen van het GVB korter dan gebruikelijk bewaard te zijn gebleven waardoor onderzoek niet mogelijk leek. Nadat na het indienen van het beklag in de media het bericht verscheen dat mogelijk toch camerabeelden bestonden, heeft de politie direct navraag gedaan en, voor zover mogelijk, deze beelden opgevraagd bij het betreffende externe bedrijf. Het beschikbare beeldmateriaal is vervolgens aan de politie overgedragen en onderzocht. Daarbij bleek dat de beelden geen geluidsregistratie bevatten. Bij bestudering van de beelden werden de gemelde feiten niet waargenomen. Vervolgens heeft de politie klaagster gevraagd om een nadere beschrijving van haar uiterlijk ten tijde van de feiten. Ook na hernieuwd onderzoek aan de hand van die beschrijving leverden de beelden geen nieuwe bevindingen op. Daarna zijn de beelden gezamenlijk met klaagster bekeken. Klaagster herkende zichzelf daarop, maar zijzelf noch de politie hebben daarbij strafbare feiten waargenomen.

Namens de klager is aangevoerd dat door het Openbaar Ministerie nog (veel) nader onderzoek kan worden verricht. Zo heeft het Openbaar Ministerie onder meer nagelaten navraag te doen bij de dienstdoende agenten of hen iets is opgevallen die dag. Verder zou nader onderzoek kunnen worden verricht door het vergelijken van de incheckgegevens van de toegangspoortjes bij het metrostation in Amsterdam Centraal, met bijvoorbeeld de [club 1] -supporterslijst.

Het hof overweegt als volgt. Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat indien dienstdoende agenten die dag het incident hadden waargenomen, het voor de hand had gelegen dat daarvan een mutatie zou zijn opgemaakt. Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de mededeling van het Openbaar Ministerie dat daarvan geen sprake is geweest. Voorts is niet aannemelijk geworden dat nader onderzoek, zoals het opvragen van incheckgegevens van de toegangspoortjes bij het metrostation in Amsterdam Centraal en het vergelijken daarvan met andere gegevens, redelijkerwijs kan bijdragen aan de identificatie van de beklaagde.

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de beelden samen met klaagster zijn bekeken, maar dat de mishandeling daarop niet zichtbaar is, dat geen bruikbaar signalement voorhanden is en dat geen getuigen bekend zijn geworden. Hetgeen overigens nog namens klaagster is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

Het hof is dan ook van oordeel dat er goede redenen zijn om in deze zaak geen vervolging te gelasten. Het beklag is ongegrond.

Het hof zal daarom als volgt beslissen.

6. De beslissing

Het hof wijst het beklag af.

Deze beschikking, waartegen voor betrokkenen geen rechtsmiddel openstaat, is gegeven op

1 oktober 2026 door mrs. P.J. van Eekeren, voorzitter, V.J.M. Goldschmeding en P.H.M. Kuster, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. B. Berberoğlu, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand