Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 oktober 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en diens raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
primair hij op of omstreeks 28 mei 2023 te Zaandam, gemeente Zaanstad aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak (dubbele kaakfractuur), heeft toegebracht door met zijn, verdachtes, (gebalde) hand/vuist op/tegen/in de kaak, althans het gezicht, in elk geval het hoofd van die [slachtoffer] te slaan/stompen;
subsidiair hij op of omstreeks 28 mei 2023 te Zaandam, gemeente Zaanstad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met zijn, verdachtes, (gebalde) hand/vuist op/tegen/in de kaak, althans het gezicht, in elk geval het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair hij op of omstreeks 28 mei 2023 te Zaandam, gemeente Zaanstad [slachtoffer] heeft mishandeld door met zijn, verdachtes, (gebalde) hand/vuist op/tegen/in de kaak, althans het gezicht, in elk geval het hoofd van die [slachtoffer] te slaan/stompen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak (dubbele kaakfractuur) ten gevolge heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing over de bewijsvraag komt dan de politierechter.
Bewijsoverweging
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit. Hij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat de politierechter slechts één kleine paragraaf heeft gewijd aan de motivering van de vrijspraak en daarbij belangrijke stukken uit het dossier niet als bewijsmiddel heeft genoemd. De advocaat-generaal is van mening dat het dossier voldoende bewijs bevat dat de verdachte aangever [slachtoffer] (hierna: de aangever) op de genoemde datum en plaats met kracht tegen de kaak heeft geslagen. Volgens de advocaat-generaal heeft de aangever ten gevolge daarvan zwaar lichamelijk letsel opgelopen en was het opzet van de verdachte daarop gericht.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe primair – kort gezegd – aangevoerd dat het dossier onvoldoende overtuigend bewijs bevat dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd. Volgens de raadsvrouw wordt de verklaring van de aangever onvoldoende ondersteund door andere bewijsmiddelen. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat onvoldoende bewijs bestaat voor het vereiste opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, waardoor de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en het subsidiair tenlastegelegde feit.
Oordeel van het hof
Het hof overweegt als volgt.
a. Feiten en omstandigheden
Op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting stelt het hof het volgende vast.
De verdachte is eigenaar van “ [bedrijf 1] . In de avond van 28 mei 2023 heeft in en rond dat café een incident plaatsgevonden, waar zowel de aangever als de verdachte bij betrokken waren. Toen de gemoederen waren bedaard is de aangever samen met een aantal vrienden weggelopen richting ‘ [bedrijf 2] ’, de bar waar de aangever werkte. Even later zag de groep van de aangever de verdachte kalm komen aanlopen. Ze herkenden hem als de eigenaar van ‘ [bedrijf 1] ’. De verdachte riep naar de aangever: “Jou moet ik hebben” (of woorden van gelijke strekking), waarna de aangever een vuist op zijn linkerkaak voelde en bewusteloos op de grond viel. De getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] hebben het voorval zien gebeuren en bevestigen bij de politie de aangifte in grote lijnen, waarbij [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard dat de persoon die de vuistslag gaf [verdachte] was. Tijdens het politieverhoor heeft de verdachte verklaard dat hij “vast wel een tikkie zal hebben gegeven” en dat hij “niet zal zeggen dat hij hem niet heeft geslagen”. Met “hem” bedoelde de verdachte tijdens dat verhoor de aangever.
Het signalement van de verdachte
De politierechter heeft de verdachte vrijgesproken, omdat de door de getuige [getuige 2] beschreven kleding van de persoon die de aangever heeft geslagen niet volledig overeenkomt met de kleding van de persoon die op de camerabeelden te zien is. Om die reden twijfelt de politierechter of [getuige 2] de juiste persoon heeft aangewezen en is de politierechter er niet van overtuigd dat het de verdachte is geweest die de aangever heeft mishandeld. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Uit de getuigenverklaringen van [getuige 3] en [getuige 2] volgt dat de verdachte het volgende signalement had: kort blond haar, een wit overhemd, een zwart schoudertasje, een zwarte lange broek en zwarte schoenen van het merk Nike. In het proces-verbaal van bevindingen waarin de camerabeelden door een verbalisant worden beschreven (pagina’s 138 e.v.), wordt degene die [slachtoffer] een vuistslag heeft gegeven, omschreven als een persoon met een blanke huidskleur, een normaal postuur, een wit shirt, een zwarte schoudertas, een korte broek en lichtkleurige sneakers. Ook wordt in dit proces-verbaal het signalement van de aangever genoemd. De verbalisant beschrijft dat de persoon met het witte overhemd kalm komt aanlopen en uit het niets met zijn rechtervuist uithaalt naar de aangever, waardoor deze op de grond belandt. In een ander proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 112 en 116) heeft de verbalisant [verbalisant] aangegeven dat hij [verdachte] heeft herkend. Deze herkenning was niet ambtshalve maar “op basis van de in de stukken eerder opgegeven signalementen in combinatie met de camerabeelden”.
Naar het oordeel van het hof komt het signalement dat door de getuigen wordt gegeven voor het grootste en belangrijkste deel overeen met de persoon op de camerabeelden, nu op de camerabeelden inderdaad een persoon te zien is met kort blond haar, een wit overhemd en een zwarte schoudertas. Het hof gaat dan ook uit van de door verbalisant [verbalisant] beschreven herkenning. Daarnaast overweegt het hof dat, zoals hiervoor besproken, verschillende getuigen de verdachte hebben herkend als de eigenaar van ‘ [bedrijf 1] ’ en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] de verdachte ook bij zijn naam hebben genoemd. Bovendien heeft het hof ter zitting in hoger beroep geconstateerd dat – hoewel de stills van de camerabeelden in het dossier niet heel scherp zijn – er duidelijk overeenkomsten zijn tussen de persoon op de camerabeelden en de verdachte, die ter zitting aanwezig was. De verdachte heeft dezelfde haardracht (zeer kort en enigszins kalend) als de persoon op de stills. Anders dan de politierechter twijfelt het hof er niet aan dat de getuigen (en verbalisant [verbalisant] ) de verdachte op deugdelijke gronden hebben aangewezen als degene die het slachtoffer heeft mishandeld. Het hof acht dan ook wettig én overtuigend bewezen dat het de verdachte is geweest die met een vuistslag de aangever op diens kaak heeft geslagen.
Opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel
Bij zware mishandeling in de zin van artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) moet het opzet gericht zijn op het gevolg: zwaar lichamelijk letsel. Het bestanddeel ‘opzettelijk’ omvat alle gradaties van opzet, inclusief het voorwaardelijk opzet. Of een vuistslag in het gezicht voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel impliceert, dus met een aanmerkelijke kans op dit letsel en bewuste aanvaarding ervan, hangt af van de omstandigheden, zoals de kracht waarmee is geslagen en de gerichtheid van de vuistslag. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
De verdachte is met de woorden “Jou moet ik hebben” (of woorden van gelijke strekking) bewust op de aangever afgelopen en heeft hem direct een vuistslag gegeven. Door deze vuistslag is de aangever achterover op de grond gevallen en bewusteloos geraakt; de klap was zo hard dat de aangever niet alleen tegen de vlakte is gegaan, maar zelfs zijn kaak zwaar heeft gebroken. Uit deze omstandigheden blijkt dat de vuistslag die de verdachte heeft gegeven dermate krachtig en gericht is geweest op de kaak van de aangever dat het gezien de uiterlijke verschijningsvorm daarvan niet anders kan zijn dan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever zwaar lichamelijk letsel op die plek zou oplopen en dat bij de verdachte dus sprake is geweest van voorwaardelijk opzet.
Oordeel van het hof
Gelet op het voorgaande acht het hof, anders dan de politierechter, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
primair hij op 28 mei 2023 te Zaandam aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak (dubbele kaakfractuur), heeft toegebracht door met zijn, verdachtes, vuist tegen de kaak, van die [slachtoffer] te slaan/stompen.
Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
zware mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straffen
De politierechter heeft de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde vrijgesproken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren, in combinatie met een taakstraf voor de duur van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis.
De raadsvrouw heeft – behoudens de bepleite vrijspraak – het hof verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van het slachtoffer door hem een vuistslag op zijn kaak te geven. Het hof acht het niet uitgesloten dat de (groep van) aangever eerder op de avond vervelend gedrag heeft vertoond en daardoor wellicht ergernis bij de verdachte heeft opgeroepen. Dit enkele gegeven rechtvaardigt echter in geen enkel opzicht de harde vuistslag die de verdachte later op de avond kalm en kennelijk welbewust aan de aangever heeft gegeven. Op het moment van de zware mishandeling was het slachtoffer net achttien jaar oud. Door zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem veel pijn en letsel toegebracht. Door de vuistslag is de verdachte buiten bewustzijn geraakt en heeft hij een dubbele kaakfractuur opgelopen, waaraan hij twee keer is geopereerd. Na de eerste operatie is het slachtoffer acht kilo afgevallen omdat hij door zijn gebroken kaak een lange tijd slechts met moeite iets kon eten. Met gebruikmaking van zijn spreekrecht heeft het slachtoffer op de zittingen in eerste aanleg en in hoger beroep verteld wat voor impact de zware mishandeling op hem en zijn omgeving heeft gehad. Zo heeft hij zijn sollicitatie bij Defensie moeten uitstellen, durfde hij een lange tijd niet alleen over straat en ervaarde hij psychische problemen. Ook heeft hij nog steeds nachtmerries over wat er is gebeurd. Het hof overweegt tot slot dat het feit zich op de openbare weg heeft afgespeeld, in het zicht van getuigen, waardoor gevoelens van onveiligheid in de samenleving vergroot kunnen worden. Het hof rekent dit alles de verdachte aan.
Blijkens het strafblad van de verdachte is hij niet eerder veroordeeld ter zake van een misdrijf. Gelet op het feit dat de verdachte kan worden aangemerkt als een first offender is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat de op te leggen straf vooral als waarschuwing voor de verdachte moet dienen en tot gevolg moet hebben dat de verdachte – die als eigenaar van een café werkt en in die hoedanigheid mogelijk vaker in soortgelijke situaties verzeild zal raken – niet nogmaals de fout in gaat. Gelet op de ernst van het feit kan echter niet worden volstaan met alleen een voorwaardelijke straf. Om die reden zal het hof naast een voorwaardelijke gevangenisstraf een taakstraf opleggen. Het hof acht de straf zoals door de advocaat-generaal is gevorderd passend.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in hoger beroep is overschreden. Het hoger beroep is namens de verdachte ingesteld op 18 oktober 2024. Het hof wijst op 26 oktober 2026 arrest. Dit brengt een overschrijding van de redelijke termijn van acht dagen met zich. Gelet op de geringe overschrijding van de redelijke termijn volstaat het hof met de enkele constatering daarvan.
Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis, passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 9.817,98, bestaande uit € 8.500,00 aan immateriële schade en € 1.317,98 aan materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard, wegens de vrijspraak van de verdachte. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Immateriële schade
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen.
De raadsvrouw heeft het hof verzocht de vordering aanzienlijk te matigen.
Het hof overweegt als volgt.
De benadeelde partij heeft door het handelen van de verdachte lichamelijk letsel opgelopen, te weten een dubbele kaakfractuur, waaraan hij twee keer geopereerd moest worden. Daarnaast blijkt uit de vordering van de benadeelde partij dat de benadeelde partij door de zware mishandeling mentale klachten heeft opgelopen die samenhangen met forse vermijding, herbeleving en aandachts- en concentratieproblemen. Ook heeft de benadeelde partij last van slaapproblemen en vermoeidheid en is sprake van energieverlies en veranderde eetlust.
Op grond van artikel 6:106 onder b BW (oplopen lichamelijk letsel en op andere wijze in haar persoon aangetast) heeft de benadeelde partij dan ook recht op een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding. Naast de hiervoor genoemde omstandigheden heeft het hof bij deze begroting ook gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en op de zogeheten Rotterdamse schaal. Al met al acht het hof het gevorderde bedrag van € 8.500,00 billijk en zal dit worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen datum.
Materiële schade
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen.
De raadsvrouw heeft het hof primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren wegens de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich over de afzonderlijke schadeposten uitgelaten en per schadepost geconcludeerd dat het bedrag niet-ontvankelijk dient te worden verklaard dan wel het hof verzocht de vordering aanzienlijk te matigen wat betreft de schadeposten verlies verdienvermogen en zaakschade.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 704,47, zoals door de benadeelde partij voldoende onderbouwd is gevorderd. Het hiervoor genoemde bedrag bestaat uit € 69,35 voor kosten voor de periode in het ziekenhuis, € 235,90 voor medische kosten, € 116,14 voor reis- en parkeerkosten en € 283,08 voor het verlies aan verdienvermogen. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Ten aanzien van de overige gevorderde posten, te weten het bedrag van € 94,31 voor het bezoek van familieleden in het ziekenhuis, de € 125,00 voor toekomstige kosten, de € 247,20 voor huishoudelijke hulp en het bedrag van € 147,00 voor de zilveren collier, is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 9.204,47 (negenduizend tweehonderdvier euro en zevenenveertig cent) bestaande uit € 704,47 (zevenhonderdvier euro en zevenenveertig cent) materiële schade en € 8.500,00 (achtduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 9.204,47 (negenduizend tweehonderdvier euro en zevenenveertig cent) bestaande uit € 704,47 (zevenhonderdvier euro en zevenenveertig cent) materiële schade en € 8.500,00 (achtduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 71 (eenenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 28 mei 2023.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E.J Hofstee, mr. C.A. Boom en mr. M.T.C. de Vries, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Zoet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 oktober 2026.
mr. E.J. Hofstee is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.