ECLI:NL:GHARL:2024:1664

ECLI:NL:GHARL:2024:1664, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 06-03-2024, 21-002887-21

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 06-03-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 21-002887-21
Rechtsgebied Strafrecht; Strafprocesrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBMNE:2017:5922
Formele relatie: ECLI:NL:GHARL:2020:368
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2021:947
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2025:1210
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Amersfoortse brandstichting, terugwijzing Hoge Raad In deze zaak oordeelt het hof voor de tweede keer over (een deel van) de tenlastegelegde feiten. De Hoge Raad had de zaak namelijk teruggewezen naar het hof wegens een motiveringsgebrek ten aanzien van het gebruik van verdachtes uitlatingen tegenover een verdekte politiefunctionaris. Verdachte is tussen de reguliere politieverhoren op de luchtplaats van het politiebureau in contact gebracht met de niet als zodanig kenbare opsporingsambtenaar, de Stelselmatige Informatie-inwinster (SI). Anders dan de rechtbank komt het hof tot de conclusie dat de door de inzet van de SI verkregen verklaringen zijn afgelegd in strijd met de in artikel 29, eerste lid, Sv tot uitdrukking gebrachte en in artikel 6, eerste lid, EVRM besloten liggende verklaringsvrijheid van verdachte. Er blijkt onvoldoende dat bij de inzet van de SI rekening is gehouden met de kenbaar kwetsbare persoonlijkheid van verdachte. Dit leidt volgens het hof niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM, zoals door de verdediging is bepleit, maar tot uitsluiting van de verklaringen van verdachte die door de inzet van de SI zijn verkregen. Ook zonder deze verklaringen komt het hof tot een veroordeling van verdachte voor beschadiging van haar moeders auto, brandstichting in een woning waarbij haar halfzusje om het leven is gekomen en levensgevaar voor zich in de naastgelegen woningen bevindende personen te duchten was. Voor het hof zijn daarbij in het bijzonder aankopen van belang die door verdachte zijn gedaan, zoals een bus zwarte spuitverf, terpentine, een jerrycan en benzine, en daarnaast de sterk vergelijkbare sporen die bij de verschillende feiten zijn aangetroffen. Gelet op de rapportages van de deskundigen worden de bewezenverklaarde feiten verminderd aan verdachte toegerekend. Het hof vindt de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren in beginsel een passende bestraffing, maar komt door een substantiële overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen deze zaak is berecht tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en negen maanden. Daarnaast wordt aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opgelegd. De vorderingen van de benadeelde partijen, de bewoners van de naastgelegen woningen van waar de brand heeft plaatsgevonden, worden voor wat betreft de materiële schade toegewezen.

Uitspraak

Conclusies van het hof

Op grond van de hierboven weergegeven, uit de bewijsmiddelen volgende, relevante feiten en omstandigheden komt het hof voor wat betreft de tenlastegelegde feiten tot de volgende conclusies.

Ten aanzien van feit 2

Verdachte heeft op 18 april 2016, een week voordat er benzine en een zwarte streep is waargenomen op en rondom de auto van haar moeder, binnen een tijdsbestek van een half uur zowel een bus zwarte spuitverf bij [bedrijf] in [plaats] als een jerrycan en benzine bij [bedrijfsnaam 2] in [plaats] aangeschaft.

Naar het oordeel van het hof past (de aankoop van) de zwarte spuitverf goed bij de dikke zwarte, deels vernevelde streep die op de ruit van het bestuurdersportier van de Citroën Saxo te zien is.

Daar komt bij dat uit de verklaring en het sms-bericht van getuige [getuige 2] blijkt dat verdachte met haar heeft gesproken over haar plan om de auto van haar moeder in de fik te steken en dat zij een jerrycan met benzine wilde halen bij de benzinepomp.

Voorts is van belang dat [getuige 2] er kennelijk van op de hoogte was, zo leidt het hof af uit het sms-bericht van [getuige 2] aan verdachte van 28 april 2016, 21.15 uur (p. 140 pv) dat verdachte daadwerkelijk benzine had gekocht en over een auto heen had gegooid. In die sms staat namelijk onder andere het volgende te lezen: “Opdonderen, jij bent psychopaat mevrouw, jij koopt benzine en gooit het over een auto heen."

Dat verdachte met een dergelijk idee rondliep, wordt tot slot ook bevestigd door getuige [getuige 3] die dat weer van [getuige 2] had gehoord.

Uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, die door het hof nadrukkelijk in onderlinge samenhang worden beschouwd, leidt het hof af dat verdachte degene is geweest die de auto van haar moeder met benzine heeft overgoten en een zwarte substantie op de ruit van het bestuurdersportier heeft aangebracht.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat verdachte de auto hierdoor opzettelijk heeft beschadigd.

Ten aanzien van de feiten 4 en 5

Wat betreft de betrokkenheid van verdachte bij de woningbrand aan de [adres 1] overweegt het hof allereerst dat verdachte door de resultaten van het vergelijkend verfonderzoek van het NFI in direct verband kan worden gebracht met deze brandstichting.

Na de woningbrand zijn op die woning op de stenen buitenmuur, het kozijn en de voordeur zwarte verkleuringen aangetroffen.

Het NFI heeft na onderzoek geconcludeerd dat de zwarte verf uit de spuitbus die de politie in april 2017 bij de [bedrijf] heeft aangeschaft, alkydverf betreft en dat dergelijke verf is aangetroffen op de woning en op de deur van de [adres 1] .

Volgens de verklaring van de filiaalmanager van de [bedrijf] is die verf sinds de aankoop door verdachte van een soortgelijke bus op 18 april 2016 ongewijzigd van samenstelling.

Daarmee komen de sporen op het kozijn en op de gemetselde buitenmuur van het pand qua bindmiddelsamenstelling overeen met verf uit de [bedrijf] spuitbussen.

Het hof overweegt daarnaast dat bij feit 2 en bij de feiten 4 en 5 sterk vergelijkbare sporen zijn aangetroffen.

Immers, op het raamkozijn van de [adres 1] is een zwartkleurige stof waargenomen in de vorm van een verneveld spetterpatroon terwijl ook op de Citroën Saxo van verdachtes moeder een zwarte vernevelde streep is waargenomen. Hiervoor oordeelde het hof al dat bewezen is dat verdachte die auto heeft beschadigd, onder andere door er zwarte verf op te spuiten.

Zowel de moeder van verdachte als haar zuster [naam zus] , die beiden aan de [adres 1] te [plaats] woonden en het pand dus zeer regelmatig zagen, hebben na de brand verklaard dat zij de zwarte verkleuring niet eerder op de woning hebben waargenomen. Het hof gaat er dan ook, anders dan de raadsman, van uit dat de verf op de woning is aangebracht op hetzelfde moment dat de brand is aangestoken.

Het hof ziet deze zwarte verfsporen op die woning, net als bij de Citroën Saxo, daarom als dadersporen.

Ook acht het hof van belang dat de klassieke terpentine die blijkens het rapport van het NFI is aangetroffen in de brandmonsters uit de woning, qua samenstelling overeenkomt met de door verdachte bij [bedrijfsnaam 3] aangeschafte vijfliterfles klassieke terpentine.

Verdachte heeft over die aanschaf niet willen verklaren. Tijdens de zoeking in haar woning is die stof en die verpakking niet aangetroffen.

Het hof is van oordeel dat de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd een zodanig sterk, duidelijk en consistent beeld opleveren dat bewezen is dat verdachte op 14 januari 2017 opzettelijk brand heeft gesticht in de woning aan de [adres 1] te [plaats] , waarbij gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor zich in die woning en de belendende woningen bevindende personen te duchten was, en ten gevolge waarvan haar halfzusje [slachtoffer 2] is overleden.

Bij dit bewijsoordeel heeft voor de overtuiging van het hof een rol gespeeld dat het begaan van de tenlastegelegde feiten 4 subsidiair en 5 past in een patroon van gedragingen en uitlatingen van verdachte met betrekking tot haar moeder.

Daarnaast had verdachte ook een motief voor het begaan van die feiten vanwege haar niet aflatende grote boosheid jegens haar moeder.

Het hof komt net als de rechtbank tot het oordeel dat verdachte haar zusje [slachtoffer 2] niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd. Voor een bewezenverklaring van de onder feit 4 primair tenlastegelegde moord is immers vereist dat komt vast te staan dat het handelen van verdachte het gevolg is geweest van een tevoren genomen besluit en dat zij tussen het nemen van het besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Daarvan is het hof niet gebleken.

Net als de rechtbank zal het hof verdachte dan ook vrijspreken van moord.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 meest subsidiair, 4 subsidiair en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

2. meest subsidiairzij in of omstreeks de periode van 25 april 2016 tot en met 26 april 2016

te [plaats] , althans in het arrondissement [arrondissement] ,

opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (merk Citroën Saxo),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] ,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt,

door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk zwarte verf, althans een zwarte substantie op voornoemde auto te spuiten, althans aan te brengen en/of (was)benzine op/over voornoemde auto heen te gieten, althans aan te brengen;

4. subsidiairzij op of omstreeks 14 januari 2017 te [plaats] ,

althans in het arrondissement [arrondissement] ,

opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een woning aan de [adres 1] ,

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk

- (een ruime hoeveelheid) terpentine in de hal van voornoemde woning gebracht/gegoten/gesproeid en/of

- (vervolgens) het ventiel van een bus spuitverf ingedrukt en ingedrukt gehouden en/of

- (vervolgens) bij de hierdoor verspoten damp/verf een vlam gehouden en/of

- (vervolgens) de hierdoor ontstane (steek)vlam gericht op/door de in de voordeur van voornoemde woning geplaatste (geopende) brievenbus en/of de goederen en/of stoffering in de zich daarachter bevindende hal, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met de brievenbus en/of de voordeur en/of het interieur van voornoemde woning,

ten gevolge waarvan die woning en/of de inboedel van die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor de inboedel van die woning,

in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of

zwaar lichamelijk letsel voor zich in die woning bevindende perso(o)nen,

in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was, welk feit de dood van [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad;

5.zij op of omstreeks 14 januari 2017 te [plaats] ,

althans in het arrondissement [arrondissement] ,

opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een woning gelegen aan de [adres 1] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk

- (een ruime hoeveelheid) terpentine in de hal van voornoemde woning gebracht/gegoten/gesproeid en/of

- (vervolgens) het ventiel van een bus spuitverf ingedrukt en ingedrukt gehouden en/of (vervolgens) bij de hierdoor verspoten damp/verf een vlam gehouden en/of

- (vervolgens) de hierdoor ontstane (steek)vlam gericht op/door de in de voordeur van voornoemde woning geplaatste (geopende) brievenbus en/of de goederen en/of stoffering in de zich daarachter bevindende hal,

in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met de brievenbus en/of de voordeur en/of het interieur van voornoemde woning,

ten gevolge waarvan de (inboedel van de) belendende woningen gelegen aan de [adres 3] en [adres 4] geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand,

in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de (inboedel van) overige belendende woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor in die belendende woningen aanwezige perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 2 meest subsidiair bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Het onder 4 subsidiair en 5 bewezenverklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Strafbaarheid van de verdachte

Standpunt van de verdediging

Door de raadsman is bepleit dat verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten psychotisch was, als gevolg waarvan zij geen strafbare dader is en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich niet expliciet uitgelaten over de strafbaarheid van verdachte. Zij heeft het standpunt van het OM, dat verdachte in verband met haar schizofrenie verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht, betrokken bij de vraag naar de op te leggen straf en/of maatregel.

Oordeel van het hof

Het hof heeft kennisgenomen van een door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), locatie Pieter Baan Centrum (PBC), uitgebracht rapport van 19 oktober 2017 naar aanleiding van een observatieonderzoek.

Ondanks verdachtes beperkte medewerking aan het onderzoek en het ontbreken van hetero-anamnestische informatie en specifieke symptoombeschrijvingen vanuit de ggz, hebben de deskundigen van het PBC aan de hand van alle beschikbare informatie en de klinische bevindingen tijdens de periode van observatie vastgesteld dat bij verdachte in brede zin sprake is van een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling.

In 2019 heeft opnieuw gedragsdeskundig onderzoek plaatsgevonden waaraan verdachte (gedeeltelijk) heeft meegewerkt. In het hieruit voortgevloeide aanvullend triple rapport Pro Justitia van 31 juli 2019, opgemaakt door [psychiater] (psychiater), [psycholoog] (GZ-psycholoog) en [milieuonderzoeker] (forensisch milieuonderzoeker), wordt met betrekking tot de bij verdachte bestaande stoornis en de toerekenbaarheid onder meer overwogen, zakelijk weergegeven:

‘Bij betrokkene is sprake van schizofrenie. Haar ziektebeeld wordt met name gekenmerkt door desorganisatie, paranoïde gedachten en benadelingsdenken. Gezien de aard en ernst van de stoornis en het beloop van betrokkenes toestandsbeeld over de afgelopen jaren kan gesteld worden dat deze stoornis ook aanwezig was op het moment van het tenlastegelegde. De schizofrenie heeft een bepalende rol gespeeld in de totstandkoming van de tenlastegelegde feiten.’

en

‘Betrokkene heeft niet met ondergetekenden willen spreken over de tenlastegelegde feiten. Gezien de aard en omvang van betrokkenes pathologie, het chronologisch beloop van haar klachten en problematiek en de dynamiek die wordt waargenomen in de onderzoeksgesprekken kunnen er toch uitspraken worden gedaan over de mate van toerekening. Er worden door ondergetekenden geen aanwijzingen gezien dat betrokkene langdurig vrij is geweest van psychotische klachten.’

In het rapport van 31 juli 2019 adviseren de deskundigen om verdachte de feiten in verminderde mate toe te rekenen. Er is door hen te weinig zicht verkregen op de delictscenario’s om een verdere vermindering van de toerekenbaarheid te onderbouwen.

Na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad is aanvullend gedragskundig onderzoek verricht door de eerder ook betrokken deskundigen [psychiater] en [psycholoog] .

Dat onderzoek, waaraan verdachte wel heeft meegewerkt, heeft geleid tot het Pro Justitia rapport van 27 februari 2023.

De deskundigen concluderen daarin dat op basis van het nieuwe gesprekscontact en de beschikbare informatie over het detentieverloop in de afgelopen drie jaar duidelijk is geworden dat er in diagnostisch opzicht geen wijzigingen zijn ten opzichte van de eerdere rapportages.

De deskundigen rapporteren onder andere het volgende:

‘Het geheel overziend kan op basis van de thans verkregen indrukken en aanvullende medische informatie worden gesteld dat de eerder gestelde diagnose ten aanzien van de chronische psychotische kwetsbaarheid van betrokkene gehandhaafd kan blijven. Er is bij herhaling sprake van ernstige psychotische ontregelingen waarbij sprake is van wanen, formele denkstoornissen, hallucinaties, desorganisatie, ontremming agressie.

Maar ook in periodes van relatieve stabiliteit, zoals ten tijde van het huidige onderzoek waarin betrokkene adequaat is ingesteld op antipsychotische medicatie, worden nog steeds (rand)psychotische fenomenen bemerkt zoals de neiging tot overwaardige- en betrekkingsideeën en benadelingsdenken, lichte formele denkstoornissen, perseveren en onvermogen tot het aanbrengen van structuur. Betrokkene maakt daarbij een beperkt belastbare en kwetsbare indruk. Ziektebesef en inzicht ontbreken volledig bij betrokkene en er is geen intrinsieke behandelmotivatie.

Vastgestelde psychotische fenomenen in detentie sluiten aan bij het beeld dat ook al eerder bij betrokkene werd beschreven tijdens de diverse opnames in de GGZ vanaf haar 21e levensjaar. Er werd in deze opnames gesteld dat er sprake zou zijn van psychotische decompensaties in het kader van paranoïde schizofrenie. De ontstaansleeftijd van symptomen, de achteruitgang in haar functioneren, het terugtrekgedrag, het optreden van hallucinatoir gedrag en paranoïdie, passen bij een schizofrene ontwikkeling. Daarnaast is er bij betrokkene sprake van een genetische belasting vanuit vaders kant.

Het geheel overziend lijkt er bij betrokkene dan ook al jarenlang sprake van een chronisch psychotische kwetsbaarheid die tot op heden voortduurt en die geclassificeerd kan worden als schizofrenie van het paranoïde type. Hoewel er binnen de psychotische ontregelingen ook wel sprake lijkt van maniforme kenmerken zoals het seksueel grensoverschrijdende gedrag, zijn deze onvoldoende omvangrijk of pervasief om te spreken van een schizoaffectieve stoornis. Daarvoor moet immers sprake zijn van aanwezige stemmingssymptomen gedurende het grootste deel van de actieve en restfase van de ziekte, en dit is niet het geval bij betrokkene.’

Naar het oordeel van de deskundigen heeft de schizofrenie een bepalende rol gespeeld in de totstandkoming van de tenlastegelegde feiten, indien bewezen verklaard.

Met betrekking tot de vraag in hoeverre de tenlastegelegde feiten verdachte kunnen worden toegerekend, rapporteren de deskundigen:

‘Vanuit betrokkenes problematiek wordt primair vastgesteld dat er sprake is van een massaal en onveranderlijk benadelingsdenken dat pathologische vormen heeft aangenomen bij betrokkene.

Gedurende de onderzoeksgesprekken wordt gezien dat zodra thematiek besproken wordt die raakt aan dit benadelingsdenken, dit ook weer actueler wordt in haar denken, spanning gemakkelijk oploopt en haar toestandsbeeld verslechtert waarbij er ook formele denkstoornissen ontstaan en desorganisatie optreedt. Deze zelfde dynamiek wordt terugkijkend gezien in de periode die vooraf gaat aan meerdere ten laste gelegde feiten. Ook dan is sprake van bepaalde spanningsverhogende gebeurtenissen waardoor haar benadelingsdenken en haar agitatie zeer waarschijnlijk zijn toegenomen en haar zelfregulatie mechanismen onder druk zijn komen te staan. Daarnaast was betrokkene vermoedelijk in die periode niet trouw in het gebruik van haar medicatie. Vanuit de schizofrenie is haar zelfregulerend vermogen zeer beperkt, is er sprake van desorganisatie, is haar realiteitstoetsing verstoord en komt deze nog verder onder druk te staan bij oplopende spanning waardoor betrokkene sterk beperkt werd in haar keuze- en handelingsvrijheid. Er wordt te weinig zicht verkregen op de delict-scenario’s om een verdere vermindering te onderbouwen. Niet uitgesloten is dat psychotische ideeën of wanen onontkoombaar en allesoverheersend betrokkenes gedrag hebben bepaald.’

Gelet op de inhoud van de rapportages, de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat het begaan van de bewezenverklaarde feiten weliswaar verminderd aan verdachte kan worden toegerekend, maar niet dat verdachte ten tijde van het begaan van die feiten helemaal ontoerekeningsvatbaar was, dat wil zeggen dat zij niet in enige mate in staat was een afweging te maken, de wederrechtelijkheid van haar gedragingen te begrijpen en overeenkomstig dat begrip te handelen.

In de over verdachte opgemaakte rapporten wordt, naar de kern genomen en samenvattend, geconcludeerd dat de geestelijke problematiek van verdachte een grote invloed heeft gehad op het begaan van de bewezenverklaarde feiten, maar dat een volledige ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte niet kan worden vastgesteld of uitgesloten.

Mede op grond van de eigen indruk die het hof uit de inhoud van het dossier en het contact met verdachte op zitting van haar heeft gekregen, komt het hof tot het, gedeeltelijk dus ook zelfstandig gevormde, oordeel dat het handelen van verdachte in overwegende mate maar niet volledig door haar stoornis werd bepaald.

Om die reden is van volledige ontoerekeningsvatbaarheid geen sprake.

Het hof zal verdachte in het kader van de vraag naar de op te leggen straf en/of maatregel daarom verminderd toerekeningsvatbaar achten.

Het beroep op volledige ontoerekeningsvatbaarheid wordt verworpen.

Aangezien geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit, is verdachte strafbaar.

Oplegging van straf en maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 4 subsidiair en 5 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar met aftrek van het voorarrest, en tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met verpleging van overheidswege.

De raadsman heeft verzocht om geen TBS op te leggen. Verdachte wil zich vrijwillig laten opnemen in een psychiatrisch ziekenhuis, zodat ook een zorgmachtiging van de strafrechter achterwege kan blijven. Voor het geval het hof wel tot oplegging van TBS komt, kan volgens de raadsman worden volstaan met een terbeschikkingstelling met voorwaarden.

Bij de bepaling van de straf en/of maatregel heeft het hof rekening gehouden met de aard en de ernst van de bewezen en strafbaar verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en met de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting van zowel de rechtbank als het hof en de over verdachte uitgebrachte rapportages.

Het hof heeft bij zijn straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig misdrijf door brand te stichten in een woning waar op dat moment haar zuster en halfzusje lagen te slapen.

Haar elfjarige halfzusje [slachtoffer 2] is door de brand om het leven gekomen. Haar zuster [naam zus] heeft de woning tijdig via het dak kunnen ontvluchten, nadat het haar niet was gelukt om [slachtoffer 2] wakker te schreeuwen en te bellen. Zij heeft [slachtoffer 2] , die op zolder sliep, door de rookontwikkeling niet kunnen bereiken om haar in veiligheid te brengen.

Met dat grote verdriet zal [naam zus] de rest van haar leven te maken hebben. Ook verdachtes moeder is door de dood van [slachtoffer 2] hard getroffen en daarnaast heeft het handelen van verdachte geleid tot groot leed en onherstelbaar verlies bij de rest van de familie en de naaste omgeving van het slachtoffer. [slachtoffer 2] zelf heeft het leven verloren op een moment dat dat nog maar net was begonnen. Ze zal haar leven nooit verder vorm kunnen geven of kunnen genieten van wat dat leven haar te bieden zou kunnen hebben gehad.

Het hof is ervan overtuigd dat de dood van [slachtoffer 2] niet verdachtes bedoeling is geweest.

Volgens een aantal getuigen was zij immers erg gesteld op haar kleine (half)zusje en heeft zij vaak voor haar gezorgd op momenten dat haar moeder dat naliet.

Het hof heeft alle aanleiding om aan te nemen dat verdachte de bedoeling had om haar moeder met deze brandstichting te treffen, net zoals met de beschadiging van haar moeders auto door die enkele maanden voor de fatale brand met benzine te overgieten en met verf te besmeuren. De auto van de moeder van verdachte stond in de nacht van de brand geparkeerd in de directe nabijheid van haar woning, zodat verdachte kon denken dat haar moeder die nacht thuis was.

Door de brandstichting is ook gevaar ontstaan voor de woningen aan weerskanten van het huis van de moeder van verdachte.

Ook was er levensgevaar voor de bewoners van die huizen die op het moment van de brand, in het holst van de nacht, nietsvermoedend lagen te slapen. Ook dat gevaar heeft verdachte voor lief genomen. Gelukkig zijn die bewoners op tijd wakker geworden en hebben ze hun woningen tijdig kunnen verlaten. Wel hadden zij door de rookontwikkeling schade aan hun huizen en inboedels.

Verdachte heeft voor deze misdrijven geen verantwoordelijkheid genomen.

Ze heeft de brandstichting nooit ontkend maar heeft er vanaf het begin voor gekozen om over de feiten te zwijgen. Daardoor blijven haar familie en verdere omgeving met grote vragen achter.

Bij de strafoplegging heeft het hof in aanmerking genomen dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Het hof houdt rekening met de omstandigheid dat verdachte, zoals hiervoor is overwogen, verminderd toerekeningsvatbaar is.

Naar het oordeel van het hof kan gezien de ernst van de bewezenverklaarde feiten, waaronder in het bijzonder de brandstichting in de woning, en gelet op de mate van strafrechtelijke verantwoordelijkheid die verdachte hiervoor draagt, niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Bij het bepalen van de precieze hoogte daarvan neemt het hof in aanmerking dat brandstichting met de dood tot gevolg een van de zwaarste misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht is. Er staat levenslange gevangenisstraf op.

Het hof is van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde straf van zeven jaar gevangenisstraf een passende bestraffing voor de bewezenverklaarde feiten is.

Schending redelijke termijn

Het hof overweegt ambtshalve met betrekking tot het procesverloop in hoger beroep het volgende.

In artikel 6, eerste lid, van het EVRM is het recht gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt geldt in deze zaak, waarin de verdachte in verband met de bewezenverklaarde feiten langer dan zestien maanden in voorlopige hechtenis heeft verbleven, dat de behandeling ter terechtzitting met een eindarrest dient te zijn afgerond binnen zestien maanden nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of haar raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Namens verdachte is op 11 december 2017 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 28 november 2017.

Het hof heeft voor het eerst op 16 januari 2020 arrest gewezen.

Dat arrest is door de Hoge Raad op 22 juni 2021 vernietigd.

Het hof wijst dit arrest op 6 maart 2024.

Dit alles betekent dat in dit hoger beroep sprake is van een substantiële overschrijding van de redelijke termijn.

Hoewel het in deze zaak zeer ernstige feiten betreft en de zaak bovendien complex is, valt de genoemde overschrijding niet, althans niet geheel, te verklaren door de ingewikkeldheid van de zaak of de opstelling van de verdediging.

Het hof is aldus van oordeel dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden en dat deze omstandigheid tot gevolg moet hebben dat de op te leggen straf met drie maanden wordt verminderd.

Ten aanzien van de vraag of naast oplegging van een gevangenisstraf de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging opgelegd dient te worden, overweegt het hof het volgende.

Oplegging van de maatregel

Om de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege te kunnen opleggen, moet op grond van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Zo moet sprake zijn van een veroordeling voor een feit waarvoor tenminste een gevangenisstraf van vier jaar of meer opgelegd kan worden (naast een aantal specifiek in de wet genoemde delicten), moet door de rechter de aanwezigheid van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens zijn vastgesteld, moet vastgesteld worden dat die stoornis ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde bestond, moet sprake zijn van recidivegevaar en moeten door tenminste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, rapportages zijn opgemaakt die maximaal een jaar oud zijn.

Rapportages

Het hof heeft kennisgenomen van het PBC-rapport van 17 oktober 2017, het aanvullend triple Pro Justitia rapport van 31 juli 2019 en de aanvulling daarop van 27 februari 2023.

Strafbedreiging

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood tot gevolg heeft, is een strafbaar feit dat bedreigd wordt met een levenslange gevangenisstraf. Hiermee is, alleen al bij een bewezenverklaring voor feit 4, voldaan aan de eis dat het een strafbaar feit betreft dat een strafbedreiging van vier jaar of meer kent.

Stoornis

Bij verdachte is door de deskundigen schizofrenie van het paranoïde type vastgesteld. Het hof neemt deze conclusie over en stelt vast dat betrokkene lijdt aan een ziekelijke stoornis.

Gelijktijdigheid

Gezien de aard en de ernst van de stoornis en het beloop van het toestandsbeeld van verdachte over de afgelopen jaren zoals deze uit de rapportages en de overige inhoud van het dossier naar voren komen, stelt het hof vast dat de stoornis ook aanwezig was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten.

Toerekenbaarheid

Het hof heeft vastgesteld dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde leed aan schizofrenie en gaat daarbij uit van een verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten.

Recidivegevaar

Het risico op recidive wordt, als gevolg van de pathologische risicofactoren in combinatie met het ontbreken van stabiliteit, medicatietrouw, ziekte-inzicht, behandelmotivatie en een steunend netwerk, door de deskundigen en in navolging van de deskundigen ook door het hof, als hoog ingeschat. Er zijn nauwelijks beschermende factoren. Verdachtes denken wordt in sterke mate beheerst door benadelingsdenken en er is sprake van een verstoorde realiteitstoetsing. Hierdoor blijft haar boosheid, vooral in de richting van haar familieleden, bestaan. Vanwege de aard en omvang van de vastgestelde problematiek zal naar verwachting een langdurig behandel- en begeleidingstraject noodzakelijk zijn binnen een omgeving met een in het begin hoog beveiligingsniveau.

Alles afwegende, is het hof van oordeel dat het terugdringen van het recidiverisico en de noodzakelijke bescherming van de maatschappij niet anders kunnen worden gerealiseerd dan door middel van het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, zoals eerder ook door de rechtbank is opgelegd.

Voor oplegging van een maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden zoals door de raadsman bepleit, ziet het hof geen ruimte, nu verdachte geen ziekte-inzicht heeft en ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting zelfs in een gecontroleerde en gestructureerde setting als het PPC nog dwangbehandeling krijgt.

Daarnaast heeft zij ter terechtzitting van het hof gezegd eigenlijk te willen stoppen met het gebruik van medicatie zodra zij in een rustiger vaarwater zou zitten.

Met het enkele stellen van voorwaarden in het kader van een TBS met voorwaarden zal het hoge recidiverisico naar het oordeel van het hof niet voldoende kunnen worden ingeperkt.

De maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd wegens een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en is daarom ongemaximeerd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 700,-, bestaande uit een bedrag van

€ 400,- aan materiële schade en € 300,- aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot het bedrag aan materiële schade van € 400,-. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof moet dus in hoger beroep alleen oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover die in eerste aanleg is toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 5 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreekse schade heeft geleden. De vordering is voldoende onderbouwd.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.384, 55 , bestaande uit een bedrag van

€ 1.634, 55 aan materiële schade en een bedrag van € 750,- aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot € 1634, 55 , het bedrag van de materiële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Ten aanzien van de gevorderde materiële schade is het hof met de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 5 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreekse schade heeft geleden. De vordering is op dit punt voldoende onderbouwd en is dan ook voor toewijzing vatbaar.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade stelt het hof voorop dat voor vergoeding van immateriële schade een wettelijke grondslag is vereist, zoals opgenomen in artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek, en dat het daarbij gaat om een limitatief aantal gronden. Deze vergoeding kan worden toegekend indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Lichamelijk letsel of een aantasting in de eer of goede naam is door de benadeelde niet gesteld en is ook niet gebleken.

Van een aantasting in de persoon op andere wijze is sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen, waarbij geldt dat degene die zich hierop beroept in beginsel voldoende concrete gegevens moet aanvoeren waaruit kan volgen dat door het bewezenverklaarde psychische schade is ontstaan. Het hof constateert dat de benadeelde partij geen objectieve en concrete gegevens heeft aangedragen op basis waarvan geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Indien objectieve en concrete gegevens aan de vordering ontbreken, kunnen de aard en de ernst van de normschending al dan niet in combinatie met de gestelde gevolgen daarvan in bepaalde gevallen voor de benadeelde meebrengen dat voornoemde aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen. Het hof ziet in de onderhavige zaak evenwel onvoldoende aanleiding voor het aannemen van immateriële schade op deze grond, hoezeer het hof ook begrip heeft voor de schok die dit feit bij de benadeelde en zijn gezin teweeg gebracht zal hebben.

Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering voor zover die betrekking heeft op immateriële schade. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen. De vordering kan desgewenst bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 37a, 37b, 55 , 57 , 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair, 2 subsidiair, 2 meer subsidiair en 4 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 meest subsidiair, 4 subsidiair en 5 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 meest subsidiair, 4 subsidiair en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren en 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat zij van overheidswege zal worden verpleegd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 5 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,- (vierhonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 5 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,- (vierhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 14 januari 2017.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 5 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.634, 55 (duizend zeshonderdvierendertig euro en vijfenvijftig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 5 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van

€ 1.634, 55 (duizend zeshonderdvierendertig euro en vijfenvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 14 januari 2017.

Aldus gewezen door

mr. M.L.H.E. Roessingh-Bakels, voorzitter,

mr. J. Corthals en mr. J. Steenbrink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier,

en op 6 maart 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand