ECLI:NL:GHARL:2025:3966

ECLI:NL:GHARL:2025:3966, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30-06-2025, 21-001974-24

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 30-06-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 21-001974-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Jeugdzaak. Het hof acht bewezen dat de destijds minderjarige verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op zijn moeder. Het hof is van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen zijn om vast te stellen dat van een poging tot moord sprake is geweest. Verdachte is met zijn handelen aanzienlijk veel te ver gegaan maar deed dat in een staat van angst en paniek door de dreiging die op dat moment van zijn moeder uitging. Het hof honoreert het door de raadsman aangevoerde beroep op noodweerexces nu de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging het onmiddellijk gevolg is geweest van de hevige gemoedsbeweging bij verdachte. Verdachte is daarom ten aanzien van het bewezenverklaarde niet strafbaar en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Uitspraak

Noodweer

Volgens artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kan een beroep op noodweer

alleen slagen indien het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van

eigen lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waaronder onder

omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo’n aanranding.

Indien door of namens verdachte een beroep wordt gedaan op noodweer, dan moet de

rechtbank allereerst beoordelen of de feitelijke toedracht, zoals door verdachte aan het

verweer ten grondslag is gelegd en uit de wettelijke bewijsmiddelen moet worden afgeleid,

aannemelijk is geworden. De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de door verdachte

geschetste toedracht een beroep op noodweer rechtvaardigt. Meer concreet moet de

rechtbank de vraag beantwoorden of het door verdachte begane feit was geboden door de

noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

Voor de vaststelling van de feiten en omstandigheden waarop het beroep op noodweer

steunt, geldt – anders dan voor de beslissing over de bewezenverklaring – niet als maatstaf

dat deze feiten en omstandigheden zich ‘buiten redelijke twijfel’ hebben voorgedaan. Bij de

beoordeling van de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer gaat het er slechts om

dat die feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden. Aan het oordeel dat de gestelde feitelijke grondslag voldoende aannemelijk is geworden, staat enige onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht niet in de weg.

Noodweersituatie

De rechtbank is, met de raadsman, van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat

moeder dreigend met een mes op [Verdachte] af is gelopen en dat daarbij sprake is geweest van

een noodweersituatie.

Zo heeft [Verdachte] direct aan de telefoon met 112 verklaard dat zijn moeder heeft geprobeerd

om hem te steken en dat een gevecht met messen heeft plaatsgevonden. Ook tegen de politie

heeft hij dat al verteld direct na zijn aanhouding toen hij vanaf de woning naar het

politiebureau werd vervoerd. Bij de nadere verhoren door de politie heeft [Verdachte] op dit punt

ook steeds consequent en consistent verklaard. Daarnaast past de verklaring van [Verdachte] bij de omstandigheid dat twee bebloede messen in de slaapkamer van moeder zijn aangetroffen,

waar de steekpartij heeft plaatsgevonden, en het letsel dat bij [Verdachte] is vastgesteld. Dat letsel

lijkt, volgens een deskundige, eerder door een mes te zijn veroorzaakt dan bijvoorbeeld door

krassen met een nagel.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding gericht tegen [Verdachte] en dat [Verdachte] zich mocht verdedigen.

Proportionaliteit

De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of de wijze van verdediging door

[Verdachte] proportioneel was. Uit de proportionaliteitseis volgt dat een gedraging niet straffeloos is als deze gedraging - als verdedigingsmiddel - niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal.

[Verdachte] heeft verklaard dat hij tijdens het gevecht met een mes heeft gezwaaid en vervolgens

zijn moeder bij de pols heeft gepakt, waarna haar mes op de grond zou zijn gevallen. Tijdens het vallen van het mes zou [Verdachte] zijn moeder hebben gestoken. De forensisch arts benoemt dat een deel van het letsel bij moeder door het door [Verdachte] geschetste scenario kan worden verklaard, maar dat dit niet geldt voor al het letsel. Zo benoemt de forensisch arts dat de aangetroffen verwondingen aan de hals veel waarschijnlijker zijn onder een hypothese van een (meer statische) geweldinwerking zoals (zich) krassen en snijden, dan onder een (meer dynamische) geweldinwerking van zwaaien met een mes. Ook blijkt uit het forensisch geneeskundig onderzoek dat twee (diepe) steekwonden in de rug van moeder zijn

aangetroffen, welke niet door [Verdachte] kunnen worden verklaard. Naar het oordeel van de

rechtbank past dit letsel niet bij het zwaaien met een mes en de verklaring van [Verdachte] dat hij

zijn moeder alleen op het moment dat zij het mes liet vallen heeft gestoken. Gelet op het

geconstateerde letsel enerzijds en de verklaring van [Verdachte] anderzijds, moet [Verdachte] zijn

moeder meerdere malen van verschillende kanten diep in het lichaam ter hoogte van onder

andere hart en longen met een mes hebben gestoken, op het moment dat zijn moeder haar

mes al had laten vallen.

De rechtbank is van oordeel dat het gebruik door [Verdachte] van een mes op zichzelf een

proportionele manier was om zichzelf te verdedigen. De rechtbank is echter ook van oordeel

dat [Verdachte] te ver is gegaan in die verdediging.

Op het moment dat het mes van moeder op de grond viel, was het niet noodzakelijk voor

[Verdachte] om zich te verdedigen middels het meermaals met kracht steken in het bovenlichaam

van moeder. Voor de rechtbank is uit de verklaringen van [Verdachte] niet duidelijk geworden

waarom dat wel nodig was. [Verdachte] heeft daarmee de grenzen van de noodzakelijke

verdediging overschreden, [Verdachte] is te lang en te heftig door gegaan. Het beroep op

noodweer zal daarom worden verworpen.

Conclusie

Omdat het beroep op noodweer is verworpen, heeft [Verdachte] door zijn moeder (meermalen) te

steken met een mes een strafbaar feit gepleegd, namelijk: poging tot doodslag.

Noodweerexces

De vraag die vervolgens beantwoord moet worden, is of [Verdachte] een verwijt kan worden

gemaakt van het strafbare feit dat hij heeft gepleegd. De verdediging heeft aangevoerd dat bij [Verdachte] sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de

ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding (hof: namelijk doordat zijn moeder met een mes op hem af kwam). Overschrijding van de grenzen van de

noodzakelijke verdediging is niet strafbaar indien deze overschrijding het onmiddellijke

gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, die door de aanranding is veroorzaakt.

Daarbij dient aannemelijk te zijn dat de gemoedsbeweging, die het directe gevolg was van de aanranding, van doorslaggevend belang is geweest voor de gedraging. Niet is vereist dat

geheel kan worden uitgesloten dat ook andere factoren mede hebben bijgedragen aan het

ontstaan van die hevige gemoedsbeweging. Bij de beantwoording van de vraag of in een

concreet geval sprake is van het hier bedoelde ‘onmiddellijke gevolg’, kan betekenis worden

toegekend aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn

overschreden alsmede aan de aard en intensiteit van de hevige gemoedsbeweging. Verder

kan het tijdsverloop tussen de aanranding en de verdedigingshandeling van belang zijn.

Het hof leidt uit het dossier en het verhandelde ter zitting af dat bij [Verdachte] sprake is geweest van een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. Hij is in de woning van zijn moeder, waar hij op dat moment verbleef, door zijn moeder met een mes aangevallen. Dat dit [Verdachte] in een hevige gemoedsbeweging heeft gebracht waarbij hij de grenzen van noodzakelijkheid heeft overschreden, blijkt uit het volgende.

Bij de politie heeft [Verdachte] verklaard dat hij de pols van zijn moeder pakte om haar het steken te beletten en om te zorgen dat ze haar mes zou laten vallen. Toen ze het mes liet vallen, was hij bang dat ze het alsnog zou oppakken en zou gaan steken. Daarom had hij haar gestoken. Hij was bang en wist niet wat hij moest doen. Het ging heel snel.

Ter zitting van het hof heeft hij in grote lijnen hetzelfde verklaard.

Direct na het steekincident heeft [Verdachte] 112 gebeld. Uit de transcriptie van het gesprek tussen [Verdachte] en de centralist van de meldkamer blijkt dat [Verdachte] in paniek en ontreddering verkeert. Hij vraagt de centralist of zij zijn moeder nog kunnen redden en zegt bij herhaling “mama”.

Op het moment dat verbalisant [verbalisant 2] ter plaatse kwam, hoorde hij [Verdachte] zeggen: “Ze is binnen boven, jullie moeten haar redden” en vragen: “Gaan jullie mijn moeder redden? Wie zijn al die mensen? Ze kijken naar mij.”.

[verbalisant 2] zag dat [Verdachte] om zich heen keek en het leek of hij onder invloed verkeerde of dat hij zich niet realiseerde wat er aan de hand was. [Verdachte] maakte op [verbalisant 2] een zeer verwarde indruk.

Verbalisant [verbalisant 1] vroeg aan [Verdachte] of de vrouw in het huis zijn moeder was. [verbalisant 1] hoorde dat [Verdachte] hier warrig op reageerde met de woorden: “Gaat het wel goed? Wat is er met mijn moeder aan de hand? Dat is mijn moeder? Moet ik erheen?”.

Ook verbalisant [verbalisant 2] kwam na de melding ter plaatse. Hij hoorde [Verdachte] “mijn moeder, mijn moeder” roepen. [verbalisant 2] keek [Verdachte] in de ogen en zag angst en paniek.

Uit dit samenstel van [Verdachte] verklaring en de waarnemingen van de politie leidt het hof af dat [Verdachte] niet alleen tijdens het incident maar ook daarna in ontreddering verkeerde. De staat waarin de politie hem zeer kort na het incident aantrof, heeft naar het oordeel van het hof a fortiori ook tijdens het incident bestaan. Daarmee is volgens het hof de hevige gemoedsbeweging tijdens het steekincident een gegeven.

Conclusie

Gelet op het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat het bewezenverklaarde handelen van [Verdachte] verontschuldigbaar is geweest.

Hij is met zijn handelen aanzienlijk veel te ver gegaan maar deed dat in een staat van angst en paniek door de dreiging die op dat moment van zijn moeder uitging.

Het hof zal het beroep op noodweerexces honoreren nu de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging het onmiddellijk gevolg is geweest van de hevige gemoedsbeweging bij [Verdachte] .

[Verdachte] is daarom ten aanzien van het bewezenverklaarde niet strafbaar en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ten overvloede overweegt het hof dat het ter terechtzitting uit de verklaring en de opstelling van [Verdachte] heeft kunnen vaststellen dat ook hij groot verdriet ervaart om wat er is gebeurd.

Niet alleen heeft hij in de drie jaar sinds het gebeurde geen contact met zijn moeder gehad, maar ook moet hij leven met het feit dat zij door zijn hand het grootste deel van haar gezichtsvermogen is verloren, nog afgezien van de overige verwondingen waarvan zij ook nu nog niet geheel is hersteld.

Ook met zijn drie zusjes heeft hij sindsdien geen contact meer, wat hij heel erg vindt.

Zo beschouwd is dit een situatie die wel eens wordt beschreven met de hol klinkende frase: “deze situatie kent alleen maar verliezers”. In dit geval is dat echter nu eens helemaal waar.

Voorwaardelijk verzoek

De raadsman heeft bij appelschriftuur van 16 mei 2024 verzocht vier getuigen te horen die zouden kunnen verklaren over eerdere incidenten tussen [Verdachte] en zijn moeder. Dit zou een rol hebben gespeeld bij de gemoedsbeweging van [Verdachte] en is volgens de raadsman van belang bij de beoordeling van zijn strafbaarheid.

De poortraadsheer heeft op 30 december 2024 beslist dat er vooralsnog geen aanleiding wordt gezien om in de verzoeken te bewilligen. Aan de raadsman is te kennen gegeven dat hij deze verzoeken desgewenst tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak kan herhalen.

Ter terechtzitting bij het hof heeft de raadsman deze verzoeken inderdaad herhaald, zij het in voorwaardelijke vorm. Ingeval het hof van oordeel is dat er geen eerdere incidenten hebben plaatsgevonden, wordt verzocht deze vier getuigen alsnog te (doen) horen.

Gelet echter op het oordeel van het hof over de strafbaarheid van [Verdachte] behoeft dit verzoek geen verdere bespreking.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte de primair tenlastegelegde poging tot doodslag heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld.

Verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Aldus gewezen door

mr. M.L.H.E. Roessingh-Bakels, voorzitter,

mr. R.W. van Zuijlen en mr. D. Visser, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. Kaatman, griffier,

en op 30 juni 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 30 juni 2025.

mr. M.L.H.E. Roessingh-Bakels, voorzitter,

mr. M.W. Hemelaar, advocaat-generaal,

mr. E. van der Zandt, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

Verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand