[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] .
Hoger beroep
Verdachte, [verdachte] , heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 augustus 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat [verdachte] en zijn raadsman, mr. G.J.P.M. Grijmans, en wat de raadsvrouw mr. K.I. Boonstra namens de benadeelde partij [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), hebben aangevoerd.
Het vonnis
De rechtbank heeft bij vonnis van 30 oktober 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, [verdachte] veroordeeld voor zware mishandeling tot een werkstraf van 180 uren, met aftrek van het voorarrest en bij niet voldoen te vervangen door 90 dagen jeugddetentie, waarvan 60 uren, bij niet voldoen te vervangen door 30 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Verder heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer] deels toegewezen, te weten tot € 4.939,19, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, deels afgewezen en [slachtoffer] deels niet ontvankelijk verklaard in zijn vordering.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Op de zitting bij de rechtbank is de tenlastelegging gewijzigd. Aan [verdachte] is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 23 maart 2025 te/bij [Stad] en/of [Stad] , in elk geval in de [gemeente] , althans in Nederland, aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door (- zakelijk weergegeven -) (met kracht en/of op korte afstand) een (bier)fles in de richting en/of in/op en/of tegen het gezicht/hoofd van die [slachtoffer] te gooien;
subsidiair
hij op of omstreeks 23 maart 2025 te/bij [Stad] en/of [Stad] , in elk geval in de [gemeente] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door (- zakelijk weergegeven-) (met kracht en/of op korte afstand) een (bier)fles in de richting en/of in/op en/of tegen het gezicht/hoofd van die [slachtoffer] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 23 maart 2025 te/bij [Stad] en/of [Stad] , in elk geval in de [gemeente] , althans in Nederland, al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] heeft mishandeld, door hem (op korte afstand en/of met kracht) een (bier)fles in/op en/of tegen het gezicht/hoofd te gooien.
Vrijspraak
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling, maar niet met voorbedachte raad. Daartoe heeft zij aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen, zoals die in het vonnis van de rechtbank zijn opgenomen, en de verklaring van verdachte op de terechtzitting van het hof blijkt dat [verdachte] een bierflesje richting [slachtoffer] heeft gegooid, waardoor deze zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. [slachtoffer] heeft immers verklaard dat [verdachte] een gooiende beweging naar hem maakte. Ook hebben andere aanwezigen verklaard dat [verdachte] degene was die een bierflesje naar [slachtoffer] heeft gegooid.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] moet worden vrijgesproken omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat hij degene was die het bierflesje heeft gegooid dat het hoofd van [slachtoffer] heeft geraakt en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling of eenvoudige mishandeling.
Oordeel van het hof
Het hof heeft uit het onderzoek op de terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat [verdachte] het ten laste gelegde feit heeft begaan. Daarom spreekt het hof [verdachte] vrij.
Het hof overweegt daartoe als volgt.
Op grond van het dossier stelt het hof vast dat [slachtoffer] in de nacht van 23 op 24 maart 2025 in [dorp] dreigementen heeft geuit richting [verdachte] en een aantal vrienden van [verdachte] , en dat [verdachte] en zijn vrienden toen naar een rotonde in [Stad] zijn gegaan om [slachtoffer] op te wachten. Daarbij heeft één van de vrienden van [verdachte] een krat met bierflesjes meegenomen. Verder stelt het hof vast dat toen [slachtoffer] op enig moment langs [verdachte] en zijn vrienden fietste, [verdachte] een bierflesje richting [slachtoffer] heeft gegooid. Ook stelt het hof vast dat [slachtoffer] , doordat hij een bierflesje tegen zijn hoofd kreeg, zwaar lichamelijk letsel, te weten tinnitus, en overige verwondingen heeft opgelopen, waardoor nog steeds littekens bij zijn oor zichtbaar zijn.
Het openbaar ministerie verdenkt [verdachte] ervan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel te hebben toegebracht door met kracht en van korte afstand een bierflesje richting [slachtoffer] (zijn hoofd) te gooien. Of in elk geval dat [verdachte] door het gooien met een bierflesje [slachtoffer] heeft verwond.
Naar het oordeel van het hof bevat het dossier echter concrete aanwijzingen dat - naast [verdachte] - in ieder geval nog een ander persoon een bierflesje richting (het hoofd van) [slachtoffer] heeft gegooid.
Zo heeft [slachtoffer] in zijn aangifte van 23 maart 2025 verklaard dat toen hij kwam aanfietsen, [verdachte] en twee vrienden naar hem toe kwamen lopen en zij alle drie iets in hun hand, die ze omhoog hielden, hadden. [slachtoffer] zag dat [verdachte] als eerste op hem afkwam en een gooiende beweging maakte. Daarop voelde [slachtoffer] een hard en zwaar voorwerp tegen de rechterkant van zijn hoofd. Na de klap voelde [slachtoffer] dat het voorwerp ook op zijn rechterschouder terechtkwam. [slachtoffer] voelde meteen een hevige pijn aan zijn hoofd en schouder.
Daarnaast staat in de letselrapportage van de [GGD] van 8 april 2025 vermeld dat [slachtoffer] heeft aangegeven dat hij in de nacht van 22 op 23 maart 2025 in de berm door vier anderen is opgewacht, dat allen met een bierflesje hebben gegooid en dat van de vier gegooide flesjes twee flesjes [slachtoffer] hebben geraakt; één op de rechterschouder en één op de rechterzijde van het hoofd.
Verder heeft [slachtoffer] bij de raadsheer-commissaris verklaard dat er vier mensen voor hem stonden en dat hij twee keer is geraakt. Het hof begrijpt dat dat beide keren met bierflesjes is gebeurd. Hij voelde één harde klap tegen zijn schouder en hij voelde één klap op zijn hoofd. Ook heeft hij verklaard dat hij tussen 23 maart en 8 april 2025 [naam] en [naam] is tegengekomen en dat zij met elkaar hebben gesproken, en dat [naam] sorry tegen [slachtoffer] heeft gezegd.
Ten slotte heeft de politie in het proces-verbaal van bevindingen van 23 maart 2025 opgeschreven dat zij op de plaats waarover [slachtoffer] verklaart daar met iets tegen het hoofd te zijn gegooid, een compleet uit elkaar gespat bierflesje op het asfalt zag liggen, en dat er direct in de buurt van de fiets die door [slachtoffer] was achtergelaten, nog een bierflesje lag dat intact was.
Nu niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld hoeveel flesjes naar [slachtoffer] zijn gegooid, wie allemaal een flesje hebben gegooid en welk flesje [slachtoffer] daadwerkelijk tegen het hoofd heeft geraakt, kan niet vastgesteld worden dat [verdachte] degene is die het letsel aan [slachtoffer] ’ hoofd en schouder heeft veroorzaakt.
Het openbaar ministerie heeft nagelaten in de tenlastelegging op te nemen dat [verdachte] samen met andere jongens uit de groep [slachtoffer] ’ letsel hebben toegebracht. Dat had via ‘medeplegen’ of via ‘openlijk geweld’ (artikel 141 Wetboek van Strafrecht) gekund. De rechter heeft echter niet de bevoegdheid om dergelijke andere beschuldigingen in een tenlastelegging in te lezen of op te nemen. Dat mag alleen het openbaar ministerie doen door die tenlastelegging te wijzigen.
Het hof kan daarom niet anders dan [verdachte] vrijspreken van het ten laste gelegde feit.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
heeft een vordering tot schadevergoeding van € 12.762,21 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 4.939,19. [slachtoffer] heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding deels kan worden toegewezen, te weten tot € 6.439,19, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en dat [slachtoffer] voor het overige gevorderde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de bepleite vrijspraak, [slachtoffer] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering.
Oordeel van het hof
[verdachte] wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde handelen waardoor de schade zou zijn ontstaan. Daarom is [slachtoffer] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Wellicht ten overvloede merkt het hof op dat [slachtoffer] zijn vordering tot schadevergoeding bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen om de door hem geleden schade alsnog vergoed te krijgen. In dat kader zou - zonder vooruit te lopen op het oordeel van de burgerlijke rechter - een beroep op groepsaansprakelijkheid gedaan kunnen worden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. L. Pieters, mr. J. Hielkema en mr. J.A.M. Kwakman, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.J. Flach en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 20 augustus 2026.