[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Verdachte, [verdachte] , heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 september 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de kinderrechter.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat [verdachte] en zijn raadsman, mr. H.C.L. Crozier, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De kinderrechter heeft, zoals volgt uit het hiervoor genoemde vonnis waartegen het hoger beroep gericht is:
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de kinderrechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 25 mei 2025 te [plaats] , in de gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/op een pand, te weten basisschool [naam 1] , gelegen aan of bij de [adres 2] , aldaar, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht, door (isolatie)wol wat zich tussen en/of in/op de muur van voornoemd(e) basisschool/ pand bevond, in elk geval een brandbare stof, met een aansteker aan te steken en/of (een) stuk van die/dat brandende (isolatie)wol in het ventilatiesysteem/luchtbehandelingssysteem van dat pand heeft gegooid/laten vallen, althans opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met een brandbare stof, ten gevolge waarvan dat ventilatiesysteem/luchtbehandelingssysteem geheel of gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de inventaris/inboedel van die basisschool/dat pand en/of voor die basisschool/dat pand, te duchten was;
Vrijspraak
Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde brandstichting wettig en overtuigend bewezen kan worden. Bij het vaststellen van wat de rol was van [verdachte] is voornamelijk de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] van belang. Die verklaring [medeverdachte 2] is authentiek, omdat wat hij heeft verklaard ook belastend is voor hemzelf. Verder zijn [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] ook na de gestichte brand op het dak nog bij elkaar gebleven. Gelet hierop kan bewezen worden dat aan de zijde van [verdachte] sprake was van medeplegen. Ook als [medeverdachte 2] het stichten van brand zou hebben voorgesteld, dan hebben [verdachte] en [medeverdachte 1] – gelet op de voornoemde omstandigheden – daarmee ingestemd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde brandstichting. Het is [medeverdachte 2] die de brand heeft gesticht. [verdachte] heeft niet ontkend dat hij in het hokje op het dak samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] een joint heeft geroken. Dat [verdachte] samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ook na de gestichte brand nog op het dak was, wil nog niet zeggen dat er een gezamenlijk plan was om die brand te stichten. [verdachte] wilde hier niets mee te maken hebben en heeft afstand genomen vanaf het moment dat [medeverdachte 2] brand wilde stichten op het dak. Zo heeft hij eerst tegen [medeverdachte 2] gezegd dat hij het niet moest doen en is daarna hij weggegaan. Verder is [medeverdachte 2] verklaring naar zijn oordeel niet authentiek, nu hij heeft geprobeerd zijn rol kleiner te maken dan die eigenlijk was.
Het oordeel van het hof
Niet ter discussie staat dat er in de middag van 25 mei 2025 brand is gesticht en ontstaan op het dak van de [naam 1] in [plaats] . Ook staat niet ter discussie dat [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] toen samen op het dak van de school waren. De vraag die het hof moet beantwoorden is wie van hen brand heeft gesticht, wat de rol van de ander(en) was en of deze rol een strafbare rol is geweest.
Verklaringen van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] (de verdachten)
Het hof heeft in verband daarmee als eerste gekeken naar de verklaringen die [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] daarover hebben afgelegd.
[verdachte] zelf heeft tijdens zijn verhoor bij de politie en op de zitting van de kinderrechter en het hof steeds ontkend een strafbare rol te hebben gehad. Hij was op het dak van de school in het hokje een joint aan het roken met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Toen [medeverdachte 2] met het idee kwam om een stukje wol met een aansteker in brand te steken, heeft [verdachte] tegen hem gezegd dat hij dit niet moest doen. Toen [medeverdachte 2] dit toch ging doen is [verdachte] weggegaan. [verdachte] ging weg nadat hij zag dat er rook was. Hij is als eerste van het dak gegaan.
[medeverdachte 1] heeft tijdens zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij samen met [verdachte] en [medeverdachte 2] op het dak was. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat één iemand wol pakte en dat hij voordat hij het wist een steekvlam zag. Deze wol werd in een ventilatieschacht gegooid. [medeverdachte 1] zag dit toen hij als eerste weg ging. [medeverdachte 1] heeft gezegd dat ze het niet moesten doen. [medeverdachte 1] heeft er bij de politie voor gekozen om geen namen te noemen bij de vraag wie de brand heeft aangestoken. [medeverdachte 1] heeft kort na de brand zijn tas in de bosjes verstopt, omdat hij in het politiesysteem als wapengevaarlijk staat vermeld en over de inhoud van de tas vragen gesteld konden worden.
[medeverdachte 2] heeft tijdens zijn eerste verhoor bij de politie verklaard dat hij samen met ‘ [naam 2] ’ en ‘ [naam 3] ’ op het dak van de school was en dat ‘ [naam 3] ’ de cabine met een aansteker in brand heeft gestoken. Zij zagen alleen rook en zijn toen weggegaan. Nadat de politie de volgende dag [medeverdachte 2] confronteerde met dat [medeverdachte 1] zelf had verklaard erbij te zijn geweest, heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij met [medeverdachte 1] en [verdachte] op het dak van de school was. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij aan het ‘chillen’ waren in een box en dat één van hen had bedacht om een brandje te stichten en dat zij er allemaal mee hebben ingestemd, omdat ‘zij het wel leuk vonden’. Dit is met een aansteker gedaan. Volgens [medeverdachte 2] waren in de box zijkanten en als die open gemaakt werden, was daar dan iets blauws en wits en dat ‘het witte in brand is gestoken omdat dat het snelst ging’. Ze deden de box gelijk dicht. [medeverdachte 2] zag alleen rook en is toen weggegaan. Zijn telefoon is op het dak gevallen. [medeverdachte 2] heeft verklaard niet te willen zeggen wie de brand heeft aangestoken, maar wel dat hij het zelf niet heeft gedaan.
Op basis van deze verklaringen kan het hof niet vaststellen dat [verdachte] degene is geweest die de brand heeft aangestoken.
Camerabeelden en foto’s van de beelden
Naast deze verklaringen, heeft het hof de beelden in het dossier bekeken. Ook heeft het hof de foto’s van deze beelden gezien die in het dossier zijn opgenomen en de omschrijving van wat er op de beelden te zien is. Het hof kan op basis van de beelden niet vaststellen wie de brand heeft aangestoken.
Dit betekent dat het hof op basis van het voorliggende dossier (de verklaringen en de beelden) niet kan vaststellen dat [verdachte] de persoon is geweest die de brand heeft aangestoken. Daarmee kan hij in ieder geval niet als pleger van de brandstichting geworden aangemerkt.
Medeplegen
Daarnaast heeft het hof gekeken of [verdachte] samen met anderen (medeplegen) brand heeft gesticht, zodat hij daar wel voor verantwoordelijk is. Een medepleger is een verdachte die samen met iemand anders of meer anderen een strafbaar feit pleegt. Als medepleger kun je schuldig zijn, als duidelijk is dat je voldoende nauw en bewust hebt samengewerkt met anderen bij het plegen van dat strafbare feit. Ook als [verdachte] handelen niet bestaat uit het samen uitvoeren van het strafbare feit, maar uit bijvoorbeeld het geven van informatie, het op de uitkijk staan, het helpen bij de vlucht (handelingen die meestal bij ‘medeplichtigheid’ horen) kan toch sprake zijn van voldoende samenwerking van [verdachte] met anderen om van medeplegen te kunnen spreken. Zijn bijdrage moet dan wel belangrijk genoeg zijn. Om te beoordelen of iemand een medepleger is, wordt bijvoorbeeld gekeken naar de vraag hoe sterk de samenwerking was, wie welke taken had, welke rol de medepleger had bij de eventuele voorbereiding, uitvoering of afronding van het strafbare feit en hoe belangrijk zijn rol was.
Het hof vindt op basis van de stukken dat daaruit onvoldoende volgt dat tussen [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Het hof kan niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat zij bijvoorbeeld een gezamenlijk plan hadden om brand te stichten. Alleen [medeverdachte 2] verklaart hierover en dat vindt het hof onvoldoende. Bij zijn verklaring bij de politie zijn namelijk best wat vraagtekens te zetten. Dat [verdachte] aanwezig was op het dak waar de brand werd gesticht, is naar het oordeel van het hof niet voldoende om wel tot het oordeel te komen dat er sprake was van een gezamenlijke uitvoering van de brandstichting. Ook de inhoud van chatgesprekken van na de brandstichting die in het dossier zitten, bevatten onvoldoende informatie om vast te kunnen stellen wat de rol van [verdachte] was bij de brandstichting.
Omdat het hof onvoldoende kan vaststellen wat er precies is gebeurd, spreekt het [verdachte] vrij van de ten laste gelegde brandstichting.
Beslag
Onttrekking aan het verkeer
Wat betreft de in beslag genomen en niet teruggegeven aansteker (goednummer: PL0100-2025136477-1832350) komt het hof tot het volgende oordeel.
Op grond van artikel 36b, eerste lid, sub 3, van het Wetboek van Strafrecht kan onttrekking aan het verkeer van in beslaggenomen voorwerpen worden opgelegd, wanneer wordt vastgesteld dat een strafbaar feit is begaan, ook als de verdachte daarvoor wordt vrijgesproken en een ander daarvoor verantwoordelijk is.
Het hof stelt vast – zie hiervoor – dat op 25 mei 2025 brand op het dak van de school is gesticht. Verder vindt het hof het aannemelijk dat de in beslag genomen en op het dak aangetroffen aansteker is gebruikt bij het stichten van deze brand. Die aansteker is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu het feit daarmee is begaan. Het ongecontroleerde bezit daarvan is dan in strijd met het algemeen belang en de wet. Het hof beveelt daarom dat de aansteker wordt onttrokken aan het verkeer.
Teruggave aan rechthebbende
De in beslag genomen rugzak van het merk Vanguard (goednummer: PL0100-2025136477-1832779) wordt aan [medeverdachte 1] teruggegeven.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij (de eigenaar van de luchtbehandelingsinstallatie) heeft een vordering tot schadevergoeding van € 25.454,- ingediend. De benadeelde partij is door de kinderrechter niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de kinderrechter gevorderde schadevergoeding.
[verdachte] wordt niet schuldig verklaard aan het ten laste gelegde handelen waardoor de schade zou zijn ontstaan. Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- aansteker (goednummer: PL0100-2025136477-1832350).
Gelast de teruggave aan [medeverdachte 1] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- rugzak, merk Vanguard (goednummer: PL0100-2025136477-1832779).
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door mr. I.M. Nusselder, mr. A.F. van Kooij en mr. R. Godthelp, in aanwezigheid van de griffier mr. A. Abdulkarim en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 14 september 2026.
Mr. Nusselder is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.