ECLI:NL:GHARL:2026:5958

ECLI:NL:GHARL:2026:5958

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 18-06-2026
Datum publicatie 16-09-2026
Zaaknummer 21-003531-23
Rechtsgebied Strafrecht; Strafprocesrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

De militaire kamer van het hof verklaart bewezen dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de militaire politierechter in de rechtbank Gelderland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 4 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.P.K. Ruperti, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De militaire politierechter in de rechtbank Gelderland heeft verdachte vrijgesproken ten aanzien van het tenlastegelegde feit.

Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de militaire politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 16 oktober 2021 op/te Curaçao tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. Volgens de raadsman kan niet worden vastgesteld dat verdachte de persoon is op de beelden van 16 oktober 2021. Daarnaast blijkt niet uit het dossier dat de witte substantie cocaïne betreft. Niet valt uit te sluiten dat het om een andere soort drugs gaat.

Oordeel van het hof

Feiten en omstandigheden

Het hof gaat bij de beoordeling van de bewezenverklaring uit van de volgende feiten en omstandigheden.

[medeverdachte 1] is op 19 oktober 2021 in Curaçao aangehouden in het onderzoek Invenire Nexum. [medeverdachte 1] heeft op 20 oktober 2021 bij de Koninklijke Marechaussee verklaard dat hij de maanden daarvoor regelmatig drugs aan militairen heeft geleverd. De militairen benaderden hem doorgaans via WhatsApp en bestelde meestal “sos”. [medeverdachte 1] maakte op WhatsApp gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer] .

De [medeverdachte 2] heeft bij de Koninklijke Marechaussee verklaard dat hij cocaïne gebruikte en dat hij zijn drugs bestelde bij de taxichauffeur van [naam taxibedrijf] . Het bestellen van de drugs gebeurde via WhatsApp en er werd door de dealer gebruikgemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] .

[medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] hebben bij de Koninklijke Marechaussee verklaard dat zij cocaïne kochten bij taxichauffeur [medeverdachte 1] / [naam taxibedrijf] .

[medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] hebben bij de Koninklijke Marechaussee verklaard dat met “sos” cocaïne wordt bedoeld.

[verbalisant 1] heeft een filmpje bekeken dat als datum “16 oktober” vermeldt. De verbalisant herkent verdachte en [medeverdachte 6] op het filmpje. Op het filmpje is te zien dat [medeverdachte 6] een metaalachtig voorwerp lijkend op een miniatuurschepje vasthoudt. Op dit schepje ligt op de punt een witte poederachtige substantie die de verbalisant ambtshalve kent als vermoedelijk cocaïne. De verbalisant ziet dat [medeverdachte 6] het schepje met de vermoedelijke cocaïne naar de neus brengt van verdachte. Het puntje van het schepje verdwijnt vervolgens gedeeltelijk in het neusgat van verdachte en verdachte maakt een met de neus een inhalerende/snuivende beweging. De verbalisant ziet dat hierna de vermoedelijke cocaïne niet meer op het puntje van het schepje aanwezig is.

De militaire politierechter heeft verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg een foto uit het filmpje van 16 oktober voorgehouden. Verdachte heeft daarop verklaard dat hij denkt dat hij op de foto te zien is.

De [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben [medeverdachte 6] bij zijn verhoor bij de Koninklijke Marechaussee een foto uit het filmpje voorgehouden. [medeverdachte 6] heeft daarop verklaard dat de foto op een feestje is gemaakt en dat hij samen met verdachte op dat feestje aanwezig was.

[medeverdachte 6] heeft op 16 oktober 2021 een betaalverzoek ontvangen van € 150,- met als onderwerp “Voor Sos en ballon”. Hierop heeft [medeverdachte 6] op 17 oktober 2021 geantwoord met “Betaald dushiiiii”.

Nadere bewijs overwegingen

Het hof stelt in dit verband voorop dat op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden kan worden vastgesteld dat daar waar in het dossier wordt gesproken over “sos” cocaïne wordt bedoeld.

Het hof stelt vast dat verdachte en [medeverdachte 6] op het filmpje van 16 oktober (het hof begrijpt: 16 oktober 2021) zijn te zien. Het hof is van oordeel dat kan worden bewezen dat de witte poederachtige substantie op het filmpje cocaïne betreft. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte 6] op dezelfde dag een betaalverzoek heeft ontvangen voor – onder andere – “sos”. De enkele suggestie van de raadsman dat de verzender van het betaalverzoek ten aanzien van de omschrijving van het betaalverzoek wellicht een grapje heeft gemaakt, kan niet tot een ander oordeel leiden.

Uit de verklaringen van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] volgt dat er cocaïne werd gekocht bij de taxichauffeur [medeverdachte 1] . Het hof stelt vast dat “ [medeverdachte 1] ” [medeverdachte 1] betreft. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij cocaïne aan de militairen leverde. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte en medeverdachten op enig moment hebben vermoed dat er iets anders dan cocaïne was geleverd als zij cocaïne hadden besteld en de geleverde drugs hadden gebruikt. De stelling van de verdediging dat de geleverde verdovende middelen geen cocaïne betroffen, is op geen enkele manier onderbouwd. Dat de tenlastegelegde verdovende middelen niet zijn getest, staat een bewezenverklaring daarom niet in de weg.

Het hof is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit.

Voorwaardelijk verzoek

De raadsman heeft, voor het geval het hof voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig acht voor het tenlastegelegde feit, een voorwaardelijk verzoek gedaan om [medeverdachte 1] als getuige te horen.

Het hof acht het niet noodzakelijk om [medeverdachte 1] als getuige te horen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdediging de verklaring van [medeverdachte 1] alleen in die zin heeft betwist dat [medeverdachte 1] wel drugs maar geen cocaïne zou hebben verstrekt en dat zij die betwisting niet heeft onderbouwd. Bovendien vindt de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij aan de militairen cocaïne, aangeduid met “sos” en “C”, heeft geleverd steun in verscheidene andere bewijsmiddelen inclusief verklaringen van medeverdachten die net als verdachte de drugs hebben gebruikt. Er is geen aanknopingspunt dat als er cocaïne was besteld en gebruikt iets anders dan cocaïne zou zijn geleverd. De bewijsvoering bevat voldoende steunbewijs voor de verklaring van [medeverdachte 1] en in die bewijsvoering liggen factoren besloten die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid doordat zij steun geven aan de betrouwbaarheid van het betwiste onderdeel van de verklaring van [medeverdachte 1] . Het hof is dan ook van oordeel dat de omstandigheid dat de verdediging [medeverdachte 1] niet heeft kunnen ondervragen, niet in de weg staat aan het gebruik van de door hem afgelegde verklaring voor het bewijs. Het strafproces is als geheel eerlijk verlopen. Het hof wijst het verzoek af.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 16 oktober 2021 op/te Curaçao tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 315,- subsidiair 6 dagen hechtenis.

De raadsman heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft in hoger beroep bij het bepalen van een eventueel op te leggen straf in aanmerking genomen de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en de omstandigheden die zich nadien hebben voorgedaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van cocaïne. Het is algemeen bekend dat het gebruik van verdovende middelen een gevaar oplevert voor de volksgezondheid en dat het gebruik van harddrugs indirect in relatie staat tot diverse vormen van criminaliteit. Het hof rekent het verdachte aan dat hij hieraan door het aanwezig hebben van een hoeveelheid cocaïne voor eigen gebruik heeft bijgedragen. Verdachte was militair en hij was ook toen al bekend met het beleid van Defensie op het gebied van drugs. Juist hij had ervoor moeten zorgen dat hij verre bleef van het aanwezig hebben van harddrugs.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 mei 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor enig strafbaar feit is veroordeeld.

Het hof constateert dat de redelijke termijn van berechting in hoger beroep met bijna elf maanden is overschreden.

Het hof houdt voorts rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte was ten tijde van het tenlastegelegde feit 22 jaar en is ten gevolge van deze strafzaak zijn baan bij Defensie kwijtgeraakt. Daarnaast heeft verdachte lopende het onderzoek door de Koninklijke Marechaussee in Curaçao twee weken huisarrest opgelegd gekregen.

Het hof bepaalt dat het vorenstaande in ogenschouw nemend aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd. Hoewel het bewezenverklaarde in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke straf rechtvaardigt, is verdachte al zozeer door het bewezenverklaarde getroffen dat een verdere bestraffing geen strafdoel meer dient.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit arrest is gewezen door mr. R.H. Koning, mr. N.C. van Lookeren Campagne en mr. J.C.J. Legein, militair lid, in aanwezigheid van de griffier mr. M.E. Ruiter en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 18 juni 2026.

Mr. Legein is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 18 juni 2026.

Tegenwoordig:

mr. D.R. Sonneveldt, voorzitter,

mr. A. Hermelink, advocaat-generaal,

mr. L. Jansen, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. D.R. Sonneveldt

Griffier

  • mr. L. Jansen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand