ECLI:NL:GHARL:2026:6873

ECLI:NL:GHARL:2026:6873

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 26-10-2026
Datum publicatie 26-10-2026
Zaaknummer 200.368.223
Rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBMNE:2026:448

Samenvatting

Arbeidsrecht. Indienen onjuiste reiskostendeclaraties Ontslag op staande voet wel terecht. Terugbetaling loon (Wilco-beschikking), transitievergoeding en onverschuldigd betaalde reiskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof 200.368.223

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 11929958)

beschikking van 26 oktober 2026

in de zaak van

[de werknemer] ([de werknemer])

die woont in [woonplaats]

advocaat: mr. D. Schreurs

tegen

Daan B.V. (Daan)

die is gevestigd in Rotterdam,

advocaten: mrs. J. van der Voet en B.B. Kuppens.

1. Het verloop van de procedure in hoger beroep

[de werknemer] heeft bij het gerechtshof (hierna: hof) hoger beroep ingesteld tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Amersfoort , op 30 januari 2026 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:

het beroepschrift, op de griffie binnengekomen op 30 april 2026

het verweerschrift met daarin ook een hoger beroep van Daan (incidenteel hoger beroep)

het verweerschrift in incidenteel hoger beroep

de akte wijziging van het verzoek namens [de werknemer]

het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 17 juli 2026 is gehouden.

Door omstandigheden is de eerder bepaalde datum van uitspraak nader bepaald op heden.

2. De kern van de zaak en de uitkomst

[de werknemer] is door Daan op staande voet ontslagen vanwege het opzettelijk en stelselmatig indienen van onjuiste reiskostendeclaraties. Volgens [de werknemer] is dat onterecht. Zij wil weer terug in dienst en betaling van loon en een thuiswerkvergoeding. Daan meent dat het ontslag op staande voet wel terecht is en wil terugbetaling van ten onrechte betaalde reiskostenvergoeding.

De kantonrechter heeft geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet geldig is en heeft Daan veroordeeld loon na te betalen. Tegelijkertijd is de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2026 ontbonden op basis van een verstoorde arbeidsverhouding, onder toekenning van de transitievergoeding. Ook is beslist dat Daan geen thuiswerkvergoeding aan [de werknemer] hoeft te betalen en dat [de werknemer] de reiskosten niet aan Daan hoeft terug te betalen.

[de werknemer] wil in hoger beroep, na wijziging van het verzoek, dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt teruggedraaid zodat zij weer aan het werk kan, met betaling vanaf 1 maart 2026 van loon c.a. (met een aantal nevenverzoeken). Als de arbeidsovereenkomst niet wordt hersteld, wil [de werknemer] een billijke vergoeding van € 148.106,64 bruto, met in alle gevallen alsnog betaling van de thuiswerkvergoeding. Daan is ook in hoger beroep gegaan en wil dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig wordt bevonden, en wil terugbetaling van nabetaald loon, de transitievergoeding en de reiskostenvergoeding.

Het hof zal beslissen dat het ontslag op staande voet geldig was. Dat betekent dat [de werknemer] het nabetaalde loon en de transitievergoeding moet terugbetalen, net als de reiskostenvergoeding. Betaling van de thuiswerkvergoeding wordt afgewezen. Het hof licht dat hierna toe.

3. De toelichting op de beslissing van het hof

De feiten

In hoger beroep staan de volgende feiten vast, waarbij het hof rekening heeft gehouden met wat partijen daarover in hoger beroep hebben aangevoerd.

[de werknemer] is op 3 juli 2023 bij Daan in dienst getreden in de functie van Juridisch adviseur sociaal domein voor veertig uur per week. Op de arbeidsovereenkomst is de cao ABU van toepassing. Daan is een arbeidsbemiddelingsbureau met verschillende vestigingen. [de werknemer] viel onder de vestiging Amersfoort .

In de arbeidsovereenkomst is afgesproken dat Daan bij het zoeken naar een nieuwe passende opdracht een reistijd van maximaal anderhalf uur enkele reis hanteert. Ook staat in artikel 3 van de arbeidsovereenkomst: ‘De kosten die je maakt om op het werk te komen worden ook door ons vergoed. Dit is € 0,21 per kilometer (…).’

Van 3 juli 2023 tot en met 12 april 2024 was [de werknemer] door Daan geplaatst bij de gemeente [gemeentenaam1] . Van 11 november 2024 tot en met 31 maart 2025 heeft [de werknemer] gewerkt bij de gemeente [gemeentenaam2] . Van 1 april 2025 tot en met 30 juni 2025 was [de werknemer] gedetacheerd bij de gemeente [gemeentenaam3] , op een opdracht voor 24 uur per week.

Nadat de plaatsing in [gemeentenaam3] was afgerond, heeft Daan besloten om [de werknemer] onder te brengen bij de vestiging in [plaats1] omdat dat dichterbij [woonplaats] ligt. [de werknemer] was het daar niet mee eens en heeft in een e-mailbericht van 8 juli 2025 uitgelegd waarom zij, ondanks haar woonplaats [woonplaats] , een voorkeur heeft voor plaatsingen vanuit het kantoor van Daan in Amersfoort

In de periode 11 november 2024 tot en met 30 juni 2025 heeft [de werknemer] voor de dagen waarop zij op locatie werkte steeds reiskosten gedeclareerd, van haar woonplaats [woonplaats] naar [plaats2] / [plaats3] ( [gemeentenaam2] ), respectievelijk naar [gemeentenaam3] v.v. In die periode heeft zij op verschillende momenten niet daadwerkelijk deze reiskosten gemaakt, omdat zij verbleef op een ander adres dan in [woonplaats] .

[de werknemer] heeft vakantie gehad van 18 juli tot en met 18 augustus 2025. Daan heeft [de werknemer] in een gesprek op 19 augustus 2025 op staande voet ontslagen. Het ontslag is bevestigd in de brief van dezelfde datum, waarin Daan heeft geschreven: ‘Het opzettelijk en stelselmatig indienen van onjuiste reiskostendeclaraties is voor ons een dringende reden in de zin van artikel 7:678 lid 2 sub d BW. Hiermee heb jij het in jou gestelde vertrouwen ernstig beschaamd en de verplichtingen uit jouw arbeidsovereenkomst geschonden.’ Het ontslag op staande voet

Het belangrijkste geschilpunt is of er sprake is van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet. Het hof zal dat als eerste bespreken.

het juridisch kader

Een werkgever kan ontslag op staande voet geven als er sprake is van een dringende reden. Het gaat daarbij (onder meer) om daden van de werknemer waardoor in redelijkheid van de werkgever niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De werkgever moet een ontslag op staande voet onverwijld geven, en onverwijld de reden voor het ontslag meedelen. Dat betekent dat de werkgever na ontdekking van de dringende reden voortvarend moet handelen en zo snel mogelijk ontslag op staande voet moet geven. Bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van het ontslag moet het hof rekening houden met alle omstandigheden van het geval, en de aard en de ernst van de dringende reden afwegen tegen de persoonlijke omstandigheden van de werknemer.

De stelplicht en bewijslast van de onverwijldheid van het ontslag rust op de werkgever. De Hoge Raad heeft in de Econocom-beschikking het kader geschetst voor toetsing van de onverwijldheid, in een geval waarin bij de werkgever een vermoeden is gerezen dat de werknemer is betrokken bij onregelmatigheden, de werkgever onderzoek heeft ingesteld naar de gegrondheid daarvan en uit het onderzoek achtereenvolgens diverse feiten aan het licht zijn gekomen die voor de werkgever aanleiding hebben gevormd de werknemer op staande voet te ontslaan. De rechter zal ter beantwoording van de vraag of het ontslag overeenkomstig art. 7:677 lid 1 BW onverwijld is gegeven, moeten beoordelen of (i) de werkgever voldoende voortvarend onderzoek heeft verricht of laten verrichten naar de vermoede betrokkenheid bij onregelmatigheden, (ii) het onderzoek voldoende voortvarend is uitgevoerd, (iii) de werkgever zich voldoende voortvarend van de, ook tussentijdse, bevindingen uit het onderzoek op de hoogte heeft gesteld en (iv) de werkgever na kennisneming daarvan voldoende voortvarend is overgegaan tot het ontslag op staande voet. Bij de beoordeling van dit laatste kan de rechter in voorkomend geval betrekken of de tussentijdse resultaten van het onderzoek rechtvaardigen dat nader onderzoek is gedaan voordat is overgegaan tot het ontslag op staande voet.

er is een dringende reden

Daan heeft in de ontslag op staande voet-brief het opzettelijk en stelselmatig indienen van onjuiste reiskostendeclaraties als reden voor het ontslag op staande voet genoemd. Op de mondelinge behandeling bij het hof heeft Daan toegelicht dat het daarbij ging om de reiskostendeclaraties tijdens de opdracht bij de gemeente [gemeentenaam3] , met de aanname dat andere reiskostendeclaraties ook niet zouden kloppen. Vast staat dat partijen in de arbeidsovereenkomst zijn overeengekomen dat Daan alleen de reiskosten vergoedt die daadwerkelijk door [de werknemer] zijn gemaakt. Gelet op de betekenis die partijen redelijkerwijs over en weer aan artikel 3 van de arbeidsovereenkomst mochten toekennen en wat zij daarvan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, is er geen aanleiding voor een andere uitleg. Een (nadere) instructie over de wijze van declareren van de reiskosten is, anders dan [de werknemer] stelt, dan ook niet nodig. Vast staat ook dat [de werknemer] – in elk geval tijdens de plaatsing bij de gemeente [gemeentenaam3] – bewust meer reiskosten heeft gedeclareerd dan zij daadwerkelijk aan reiskosten heeft gemaakt. Zij hield bij het declareren steeds de afstand [woonplaats] – [gemeentenaam3] v.v. aan, door haar ‘zakelijke reisafstand’ genoemd. Feitelijk overnachtte zij in die periode (in elk geval een aantal keer) op aansluitende dagen bij familie of vrienden bijvoorbeeld in [plaats4] of [plaats5] en reisde van daaruit naar [gemeentenaam3] . Dat heeft zij ook stelselmatig gedaan; in de woorden van Daan door herhaaldelijk en structureel onjuiste reiskosten te declareren waarbij het gaat om meerdere declaraties die niet overeenkomen met de daadwerkelijk door [de werknemer] gemaakte reizen.

[de werknemer] heeft betwist dat de ingediende reiskostendeclaraties onjuist waren. Zij heeft zich in hoger beroep, zoals toegelicht op de mondelinge behandeling, erop beroepen dat er met Daan een afspraak is gemaakt dat zij de zakelijke reisafstand mocht aanhouden, ongeacht van waaruit zij daadwerkelijk reisde. De plaatsing in [gemeentenaam3] was buiten de afgesproken maximale reistijd van anderhalf uur enkele reis zodat zij die opdracht alleen onder voorwaarden wilde aanvaarden. Omdat zij al was begonnen met de opdracht in [gemeentenaam3] en vanwege het uitblijven van een schriftelijke bevestiging dat zij de zakelijke reisafstand mocht declareren, heeft [de werknemer] de werkzaamheden voor [gemeentenaam3] vanaf 7 april 2025 opgeschort. In een gesprek met onder meer directeur sociaal domein de heer [de directeur] (hierna: de directeur) en manager Amersfoort mevrouw [manager Amersfoort] op 8 april 2025 en telefonisch overleg met de directeur op 9 april 2025 is de afspraak van het mogen declareren van de zakelijke reisafstand volgens [de werknemer] gemaakt. Op 10 april 2025 heeft zij de werkzaamheden hervat.

Naar het oordeel van het hof heeft [de werknemer] haar betwisting dat de ingediende reiskostendeclaraties onjuist waren, onvoldoende gemotiveerd. Er is allereerst niet gebleken dat vóór 8 of 9 april 2025 al de afspraak is gemaakt dat zij de zakelijke reisafstand mocht declareren, die alleen nog op schrift bevestigd moest worden. [de werknemer] heeft zelf op 31 maart 2025 aan Daan geschreven dat er nog geen afwijkende afspraken voor [gemeentenaam3] waren gemaakt, maar dat zij die wel wilde maken, en dan op papier bevestigd wil hebben. Daarbij heeft [de werknemer] het voorstel gedaan, zoals zij dat op 29 maart 2025 al benoemde: of een onkostenvergoeding voor een eventuele hotelovernachting, ongeacht of zij daar gebruik van maakt of haar privé-netwerk aanspreekt, of een vergoeding van de zakelijke reisafstand, ongeacht waar zij verblijft. In haar e-mail van 3 april 2025 noemt [de werknemer] vervolgens dat zaken zoals onkostenvergoedingen niet helder zijn. Uit de transcriptie van een voicemailbericht van [de werknemer] aan Daan van 4 april 2025 volgt tenslotte dat [de werknemer] het niet prettig vindt om aan de slag te gaan terwijl dingen niet rond zijn.

Pas op 8 en 9 april 2025 wordt verder overlegd. Daan heeft gemotiveerd weersproken dat in het gesprek op 8 april 2025 het mogen declareren van de zakelijke reisafstand is afgesproken. Volgens Daan is in dat gesprek juist gezegd dat declaratie vanuit [woonplaats] alleen kon als dat ook het punt van vertrek was, en als dat niet zo was kon worden gedeclareerd vanaf het daadwerkelijke vertrekpunt. Dat de directeur het declareren van de zakelijke reisafstand op 9 april 2025 zou hebben toegezegd, blijkt verder nergens uit, en wordt ook weersproken door berichten en het gedrag van [de werknemer] van na dat moment. Op 28 april 2025 heeft [de werknemer] aan Daan gemaild de opdracht enkel op een aantal voorwaarden te hebben willen accepteren, waar zij nog weinig van terug ziet. Zij stelt voor een afspraak in te plannen zodat de afspraken goed afgestemd worden en het dan ook daadwerkelijk via de e-mail bevestigd wordt en uitgevoerd. In haar e-mail van 30 april 2025 aan de directeur refereert zij vervolgens aan het niet betalen en zelfs afwijzen van de onkostenvergoedingen. Als daadwerkelijk een afspraak zou zijn gemaakt dat [de werknemer] de zakelijke reisafstand mocht declareren dan had voor de hand gelegen dat zij in deze e-mails expliciet had gewezen op het bestaan van die afspraak. Bovendien heeft [de werknemer] tijdens de opdracht in [gemeentenaam3] drie keer aanspraak gemaakt op een onkostenvergoeding van € 75 per nacht voor een overnachting elders (vrienden/familie/B&B), naast de vergoeding voor de zakelijke reisafstand v.v.. Desgevraagd heeft zij op 3 juli 2025 aan de kantoorbaas van Daan gemaild deze overnachtvergoeding los te zien van de kilometervergoeding. Het declareren van zowel de zakelijke reisafstand als verblijfskosten is echter niet te rijmen met het of/of-voorstel zoals [de werknemer] dat op 29 maart 2025 deed, waaruit volgens haar de afspraak voor enkel vergoeding van de zakelijke reisafstand zou zijn gevolgd. Dat betekent dat niet vast is komen te staan dat de indiening van de declaraties voor de zakelijke reisafstand terwijl deze feitelijk anders is geweest, wordt gerechtvaardigd door een afwijkende afspraak.

[de werknemer] heeft er nog op gewezen dat Daan de ingediende reiskosten administratief heeft ingediend en verwerkt en dat die ook zijn betaald zodat zij ervan uitging dat dit akkoord was. Daarmee doet zij er kennelijk een beroep op dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij steeds de zakelijke reisafstand mocht declareren. Dat gaat echter niet op. Onweersproken is namelijk dat Daan bij deze reiskostendeclaraties niet wist dat de ingediende kilometers niet allemaal daadwerkelijk waren gereden. [de werknemer] mocht dus niet gerechtvaardigd vertrouwen op stilzwijgende toestemming of instemming van Daan. Dat de kantoorbaas van Amersfoort na mailcorrespondentie op 3 en 4 juli 2025 de reiskostendeclaratie voor de zakelijke reisafstand heeft verwerkt, zoals [de werknemer] aanvoert, leidt ook niet tot een gerechtvaardigd vertrouwen. [de werknemer] geeft namelijk in haar antwoord van 4 juli 2025 geen antwoord op de vraag of zij op de dagen dat zij een verblijfsvergoeding declareert ook de zakelijke reisafstand heeft gereden, en zij schrijft dat zij geen zin heeft om dezelfde discussie met verschillende medewerkers te voeren. [de werknemer] verwijst ook naar een gesprek in Amersfoort en wat zij bij haar direct leidinggevende heeft aangegeven, terwijl er zoals hiervoor overwogen geen sprake was van enige afspraak.

De stelling van [de werknemer] dat Daan zelf ook vond dat er geen dringende reden was omdat dat in de aangeboden concept-vaststellingsovereenkomst was opgenomen, wordt evenmin gevolgd. Daan heeft toegelicht met het aanbieden van een vaststellingsovereenkomst de negatieve gevolgen voor [de werknemer] van een ontslag op staande voet enigszins te willen verkleinen. Hieruit volgt niet dat Daan daarmee afstand heeft gedaan van haar standpunt dat er sprake is van een dringende reden.

Tenslotte wijst [de werknemer] er nog op dat niet kan worden vastgesteld dat zij de bedoeling had om Daan bij het declareren te benadelen terwijl bij fraude of misleiding opzet is vereist. Het gaat hier slechts om een verschil van inzicht over de declaratiemethode, aldus [de werknemer] . Daar gaat het hof niet in mee. De ontslag op staande voet-brief noemt het opzettelijk en stelselmatig indienen van onjuiste reiskostendeclaraties als dringende reden. [de werknemer] heeft de reiskostendeclaraties voor de opdracht in [gemeentenaam3] willens en wetens, herhaaldelijk en op vaste wijze ingediend, wetende dat die niet de daadwerkelijk gereisde kilometers weergaven, terwijl er evenmin een afspraak lag dat dat mocht. Daarmee is de aangevoerde dringende reden vast komen te staan.

het ontslag is onverwijld gegeven

Volgens [de werknemer] heeft Daan ook niet voortvarend genoeg gehandeld toen zij op de hoogte kwam van de dringende reden, zodat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven. Daan was al in juni 2024 bekend met de verblijfssituatie van [de werknemer] en had al in juli 2025 signalen over de verblijfplaats, waaronder de mededeling van [de werknemer] zelf van 3 en 4 juli 2025 dat zij bij familie en vrienden overnachtte voorafgaand aan vroege afspraken. Bovendien wist Daan op 3 en 4 juli 2025 dat zij haar kilometers op de zakelijke reisafstand baseerde. Op 8 augustus 2025 (toen onder meer de uitnodiging van ‘kennismaking in [plaats1] ’ werd gewijzigd in ‘een persoonlijk gesprek’ op 19 augustus 2025) was de ontslagreden bij Daan duidelijk bekend en pas op 19 augustus 2025 werd het ontslag verleend, aldus [de werknemer] .

Gelet op de hiervoor in 3.9 en 3.10 weergegeven maatstaf is van belang of Daan voortvarend genoeg onderzoek heeft gedaan, en na kennisneming van de bevindingen uit het onderzoek voortvarend genoeg ontslag op staande voet heeft gegeven, dan wel dat nog gerechtvaardigd nader onderzoek is gedaan voordat is overgegaan tot ontslag op staande voet.

Noch in juni 2024 noch op grond van de mededelingen van [de werknemer] van 3 en 4 juli 2025 was voor Daan in elk geval al duidelijk dat het ging om het stelselmatig indienen van onjuiste reiskostendeclaraties. In de correspondentie van 3 en 4 juli 2025 gaat het weliswaar over drie data waarop zowel de zakelijke reisafstand werd gedeclareerd als elders was overnacht, maar daarbij heeft [de werknemer] bij de kantoorbaas van Daan in Amersfoort de indruk gewekt dat dit was met instemming van Daan. Ook in combinatie met eerdere signalen van onbezorgbare verjaardagsbloemen in april 2025 en de verklaring toen (via de respectievelijke bloemisten) van de buurvrouw dat [de werknemer] al lang niet meer op dat adres woonde, stond dat niet gelijk aan wetenschap van Daan van het stelselmatig indienen van onjuiste reiskostendeclaraties, of had dat voldoende aanleiding moeten zijn een nader onderzoek in te stellen. Tijdens de afwezigheid van [de werknemer] wegens vakantie (van 18 juli tot 19 augustus 2025) is bij Daan meer duidelijk geworden: een niet-afleverbaar werkpakketje op 18 juli 2025, de onbewoonbare indruk die het woonadres van [de werknemer] op een collega maakte (die op 29 juli 2025 bloemen kwam afgeven) en de verklaring toen tegen die collega van de kaasboer tegenover, dat er al ruim een jaar niemand meer woonde en dat alleen af en toe [de werknemer] voor dat woonadres werd opgehaald bij de naastgelegen winkel. Daan had daarmee op 29 juli 2025 in combinatie met de hiervoor genoemde feitelijkheden voldoende aanwijzingen dat [de werknemer] niet in [woonplaats] woont, althans daar niet (vaak) verblijft, en dus een sterk vermoeden dat de ingediende herhaalde reiskostendeclaraties niet juist waren. Dat Daan niet af wilde gaan op enkel signalen, zoals zij aanvoert, en hoor- en wederhoor wilde toepassen is onder deze omstandigheden begrijpelijk. In zoverre rechtvaardigen de bevindingen uit het onderzoek van Daan nader onderzoek, in de zin van het in persoon willen horen van [de werknemer] . Bovendien heeft het horen van [de werknemer] betrekking op een reden (heeft zij onjuiste reiskostendeclaraties ingediend of niet?) die bij uitstek vraagt om een gesprek in persoon. Het hoorgesprek heeft vervolgens plaatsgevonden op de eerste ochtend na terugkeer van [de werknemer] na vakantie. Aan het einde van dat gesprek is ontslag op staande voet gegeven, waarmee is voldaan aan de eis van onverwijldheid.

Omdat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven, zal het hof de gevraagde gelijkluidende verklaring voor recht afgeven. Vanwege de ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2026 (die in stand blijft, zoals hieronder verder wordt toegelicht) hoeft het hof geen tijdstip te bepalen waarop de arbeidsovereenkomst eindigt.

Het verzoek om terugbetaling van het aan [de werknemer] nabetaalde loon van 19 augustus 2025 tot 1 maart 2026 en de wettelijke verhoging en wettelijke rente daarover, wordt toegewezen, te vermeerderen met wettelijke rente. Het niet verrichten van de overeengekomen arbeid komt namelijk in redelijkheid voor rekening van [de werknemer] , zowel voor de periode tussen het ontslag op staande voet (19 augustus 2025) en de beslissing van de kantonrechter waarbij het ontslag op staande voet is vernietigd (30 januari 2026) als voor de periode tussen de beslissing van de kantonrechter en de einddatum van de arbeidsovereenkomst (1 maart 2026). Daan heeft er gelet op het voorgaande geen belang bij dat separaat nog wordt bepaald dat Daan niet gehouden is tot betaling van loon over de periode na 19 augustus 2025, zodat dat verzoek wordt afgewezen.

De ontbinding van de arbeidsovereenkomst

[de werknemer] heeft in hoger beroep verzocht om herstel van de arbeidsovereenkomst. Volgens haar heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst onterecht per 1 maart 2026 ontbonden vanwege een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Zij heeft steeds naar tevredenheid gefunctioneerd en vóór de discussie over de reiskostenvergoeding is geen verstoring van de arbeidsrelatie aan de orde geweest. Er is hoogstens sprake van een nog onbesproken interpretatieverschil over de reiskostenvergoeding, zonder structureel karakter, aldus [de werknemer] . Volgens Daan is de arbeidsovereenkomst terecht ontbonden op de g-grond. Als die grond niet voldragen zou zijn, dan zou de ontbinding gebaseerd moeten worden op de e-grond (verwijtbaar handelen of nalaten) of de i-grond (cumulatiegrond).

Uit artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder g BW volgt dat een arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden als er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (de g-grond). Naar het oordeel van het hof heeft het stelselmatig indienen van onjuiste reiskostendeclaraties de arbeidsverhouding tussen Daan en [de werknemer] ernstig en duurzaam verstoord. De ontstane vertrouwensbreuk maakt dat herplaatsing niet in de rede ligt en de arbeidsovereenkomst terecht op de g-grond is ontbonden. De verzoeken van [de werknemer] tot herstel van de arbeidsovereenkomst, met daaraan gekoppelde verzoeken voor het treffen van een voorziening in verband met de onderbreking van het dienstverband en loonbetaling c.a. worden daarom afgewezen.

Voor het geval herstel van de arbeidsovereenkomst niet wordt toegewezen, maakt [de werknemer] aanspraak op de betaling van een billijke vergoeding. In haar akte wijziging van verzoek baseert [de werknemer] dat verzoek uitdrukkelijk alleen op artikel 7:683 lid 3 BW. Dat artikel geeft slechts (mogelijk) aanspraak op een billijke vergoeding als het hof concludeert dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ten onrechte heeft ontbonden, en dat is hier niet zo. Het verzoek van [de werknemer] om een billijke vergoeding wordt daarom afgewezen.

Het hof volgt Daan in haar verzoek tot terugbetaling van de transitievergoeding. Een werknemer heeft geen recht op een transitievergoeding als het einde van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Het willens en wetens stelselmatig indienen van onjuiste reiskostendeclaraties is de reden voor de vertrouwensbreuk die tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft geleid. Dat is ernstig verwijtbaar aan [de werknemer] . Het verzoek van Daan tot terugbetaling van de transitievergoeding vermeerderd met wettelijke rente zal worden toegewezen. Daan heeft geen belang gesteld bij de eveneens verzochte verklaring voor recht dat [de werknemer] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, zodat dat verzoek wordt afgewezen.

De overige financiële posten

Daan heeft in hoger beroep aanspraak gemaakt op terugbetaling van de reiskostenvergoeding die aan [de werknemer] is betaald. [de werknemer] op haar beurt maakt aanspraak op betaling van de thuiswerkvergoeding.

reiskostenvergoeding

Bij de verzochte terugbetaling van onverschuldigd betaalde reiskostenvergoeding aan Daan gaat in totaal om een bedrag van € 3.944,04 vermeerderd met wettelijke rente, voor betaalde reiskosten vanaf november 2024, over de opdrachten die [de werknemer] uitvoerde zowel bij de gemeente [gemeentenaam2] als bij de gemeente [gemeentenaam3] . [de werknemer] heeft erop gewezen dat niet is gebleken dat de reiskostendeclaraties voor de opdracht bij de gemeente [gemeentenaam2] onjuist zijn. Zelfs als aangenomen wordt dat zij tijdens die opdracht niet in [woonplaats] maar in [plaats4] en [plaats5] zou hebben overnacht, dan zijn de reiskosten die vanaf [woonplaats] in rekening zijn gebracht minder dan als dat vanaf [plaats4] of [plaats5] zou zijn gebeurd. Dat betekent volgens haar dat een bedrag van € 412,16 niet onverschuldigd is betaald.

Volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op Daan de stelplicht en zo nodig de bewijslast dat de reiskostendeclaraties door haar onverschuldigd aan [de werknemer] zijn betaald. Daan heeft ter zitting bij het hof tegenover de gemotiveerde betwisting van [de werknemer] voor de kilometers van de plaatsing bij de gemeente [gemeentenaam2] , alleen nog opgemerkt dat daar blijvende onduidelijkheid over is. Dat is niet voldoende, zodat het hof aanneemt dat € 412,16 aan reiskosten voor de plaatsing bij de gemeente [gemeentenaam2] terecht is vergoed. Hiervoor is vastgesteld dat de reiskostendeclaraties voor de opdracht bij de gemeente [gemeentenaam3] wel onjuist zijn gedeclareerd. De omvang van de terugvordering van die reiskostenvergoeding heeft [de werknemer] niet gemotiveerd betwist, waarbij het hof opmerkt dat [de werknemer] ook na herhaalde vragen daarover van Daan en ook het hof geen inzicht heeft gegeven wanneer zij vanaf welk adres naar en van de opdracht bij de gemeente [gemeentenaam3] is gereisd. Dat betekent dat het hof de van [de werknemer] gevorderde terugbetaling van (€ 3.944,04 -/- € 412,16 =) € 3.531,88 als onvoldoende weersproken zal toewijzen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 24 december 2025, zijnde de datum waarop Daan aanspraak op terugbetaling heeft gemaakt.

thuiswerkvergoeding

[de werknemer] heeft erop gewezen dat in de arbeidsovereenkomst een thuiswerkvergoeding staat opgenomen, maar dat zij die vergoeding nooit heeft ontvangen. Daan wilde dat zij dat dagelijks in het portaal invulde, maar volgens [de werknemer] gold er voorheen een vaste thuiswerkvergoeding en was zij zich er niet bewust van dit in te moeten voeren. Dat blijkt ook niet uit bijvoorbeeld een personeelshandboek. Bovendien werkte het portal niet naar behoren. [de werknemer] baseert zich in de berekening in productie 12 bij verzoekschrift op een vergoeding van € 3 per dag/€ 15 per week, en een periode van 106 weken en 1 dag (3 juli 2023 tot en met 18 juli 2025, zijnde 531 dagen) is € 1.593, of op een bedrag van € 1.353 als het hof zou oordelen dat op reisdagen geen recht bestaat op thuiswerkvergoeding, waarbij zij de reisdagen in 2023, 2024 en 2025 specificeert. In productie 12g baseert [de werknemer] zich in een andere berekening op 525 dagen.Daan betwist dat de mogelijkheid om te declareren niet openstond via het portal. De methodiek is haar meermaals uitgelegd en er wordt niet met terugwerkende kracht alsnog uitbetaald. Bovendien geldt de vergoeding alleen voor dagen waarop de volledige dag thuis wordt gewerkt en niet als op een dag ook wordt gereisd. Er bestaat aanspraak op of een reiskostenvergoeding, of een thuiswerkvergoeding, niet op beide.

In de arbeidsovereenkomst staat opgenomen dat wanneer [de werknemer] thuiswerkt zij een vergoeding ontvangt voor het hybride werken van € 3 per dag. Ter zitting is (onweersproken) door [de werknemer] toegelicht dat met het hybride werken wordt bedoeld het thuiswerken en via Teams contact houden met het kantoor. [de werknemer] heeft een aanstelling van 40u per week en gaat uit van het werken op 5 dagen per week: zij rekent immers met 5 x € 3 per dag is € 15 per week aan thuiswerkvergoeding.

Naar het oordeel van het hof gaat het om de betekenis die partijen redelijkerwijs over en weer aan het bepaalde over de thuiswerkvergoeding in de arbeidsovereenkomst mochten toekennen en wat zij daarvan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De uitleg van de thuiswerkafspraak komt erop neer dat voor elke hele dag dat [de werknemer] thuis werkte voor een opdracht recht heeft op een thuiswerkvergoeding van € 3, in beginsel met een maximum van vijf dagen per week. In een van de specificaties van de dagen waarvoor zij een thuiswerkvergoeding verzoekt (productie 12g verzoekschrift) gaat [de werknemer] om te beginnen naast het werken op 5 dagen per week uit van 17 weekenddagen waarop zij heeft gewerkt en waarvoor de thuiswerkvergoeding zou moeten worden betaald. Zij heeft echter niet gesteld dat zij opdracht heeft gekregen voor het werken op deze weekenddagen of daar anderszins een uitleg voor gegeven, zodat voor deze dagen geen recht bestaat op een thuiswerkvergoeding. Verder heeft zij in de periode van 12 april 2024 tot 11 november 2024 geen opdracht gehad. Niettemin heeft zij over deze zeven maanden wel een thuiswerkvergoeding verzocht, terwijl zij in deze maanden niet werkzaam was in de bedongen arbeid. In deze zeven maanden (zijnde afgerond 30 weken) bestaat geen aanspraak op een thuiswerkvergoeding. Ook heeft [de werknemer] voor de opdracht in [gemeentenaam3] een thuiswerkvergoeding verzocht voor vijf dagen per week gedurende 13 weken, terwijl voor de hand lag (gelet op de opdracht van 24 uur per week) dat dat bij thuiswerk tijdens deze opdracht hoogstens voor drie dagen per week zou zijn. [de werknemer] heeft daarnaast de betwisting dat geen aanspraak bestaat op een thuiswerkvergoeding als er ook aanspraak bestaat op een reiskostenvergoeding onvoldoende weersproken. Al met al is daarmee voor het hof onduidelijk gebleven voor welke – en zo ook voor hoeveel – (thuiswerk)dagen er een aanspraak zou kunnen bestaan op een vergoeding. Het hof zal daarom de verzoeken om betaling van de thuiswerkvergoeding als onvoldoende onderbouwd en uitgewerkt afwijzen.

Conclusie

Het hof gaat voorbij aan de bewijsaanbiedingen van partijen omdat geen voldoende concrete feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die tot een ander oordeel zouden leiden als ze zouden worden bewezen.

Het bovenstaande betekent dat [de werknemer] in het beroep dat zij heeft ingesteld (principaal hoger beroep) in het ongelijk wordt gesteld. Zij wordt daarom veroordeeld in de proceskosten van Daan, zowel bij de kantonrechter als in hoger beroep. In het hoger beroep van Daan (incidenteel hoger beroep) wordt Daan in het gelijk gesteld zodat [de werknemer] wordt veroordeeld in de proceskosten van Daan. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover.

De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (de beslissing is ‘uitvoerbaar bij voorraad’).

4. De beslissing

Het hof:

vernietigt in de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Amersfoort , van 30 januari 2026, behalve de beslissingen onder 4.3 en 4.4 die in stand blijven en beslist voor het overige opnieuw als volgt:

in het hoger beroep van [de werknemer]

veroordeelt [de werknemer] tot betaling van de volgende proceskosten van Daan tot aan de uitspraak van de kantonrechter:

€ 1.306 aan salaris van de advocaat van Daan (2 procespunten x het toepasselijke tarief II)

en tot betaling van de volgende proceskosten van Daan in hoger beroep:

€ 851 aan griffierecht

€ 2.580 aan salaris van de advocaat van Daan (2 procespunten × het toepasselijke tarief II)

in het hoger beroep van Daan

verklaart voor recht dat het op 19 augustus 2025 gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is;

veroordeelt [de werknemer] tot terugbetaling aan Daan van al hetgeen Daan ter uitvoering van de bestreden beschikking aan [de werknemer] heeft voldaan, waaronder begrepen het betaalde loon ter hoogte van € 6.021,21 over de periode van 19 augustus 2025 tot 1 maart 2026, de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der verschuldigdheid tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [de werknemer] tot terugbetaling van de door Daan aan haar betaalde transitievergoeding ter hoogte van € 6.167,56 bruto, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag der verschuldigdheid tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [de werknemer] tot terugbetaling van onterecht verkregen reiskostenvergoeding ter hoogte van € 3.531,88 netto vermeerderd met wettelijke rente vanaf 24 december 2025;

veroordeelt [de werknemer] tot betaling van de volgende proceskosten van Daan:

€ 1.290 aan salaris van de advocaat van Daan (2 procespunten × het toepasselijke tarief II × 0,5);

in beide hoger beroepen

verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.A. Diebels, W.F. Boele en A. Elgersma en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand