GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.365.705/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 11826841 (bewind) en 11772171 (mentorschap)
beschikking van 27 oktober 2026
in de zaak van
1. [verzoeker1] ( [verzoeker1] ),
die woont in [woonplaats] , en
2. [verzoeker2] ( [verzoeker2] ),
die woont in [woonplaats] ,
verzoekers in hoger beroep,
advocaat: mr. N.C. Milani te Almere,
en
[verweerder1] ( [verweerder1] ),die woont in [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
advocaat: voorheen mr. L.H.S. de Baar, thans mr. I.E. Smit-Kleinmoedig te Zoetermeer,
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[belanghebbende1] ( [belanghebbende1] , de rechthebbende),
die woont in [woonplaats] ,
[belanghebbende2] (de vader),
die woont in [woonplaats] ,
[belanghebbende3] ( [belanghebbende3] ),
die woont in Frankrijk,
[naam1] , handelend onder de naam
[naam2] ( [naam1] , de bewindvoerder en mentor),die kantoor houdt in [vestigingsplaats] .
1. De procedure in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de twee beschikkingen van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 25 november 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.
2. De procedure in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 24 februari 2026;
- het verweerschrift namens [verweerder1] .
De mondelinge behandeling heeft op 8 september 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- [verzoeker1] en [verzoeker2] , bijgestaan hun advocaat;
- [verweerder1] , bijgestaan door zijn advocaat;
- [naam1] als bewindvoerder en mentor;
- [belanghebbende3] ;
- de vader.
3. De feiten
[verzoeker1] , [verzoeker2] en [verweerder1] zijn de broers en [belanghebbende3] is de zus van [belanghebbende1] . [belanghebbende1] heeft een verstandelijke beperking, waardoor ze afhankelijk is van verzorging en hulpverlening. Zij woont sinds ongeveer tien jaar geleden bij [verweerder1] en zijn echtgenote.
Bij beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 19 november 2015 is de rechthebbende onder curatele gesteld, waarbij [verzoeker1] en [verzoeker2] tot curatoren zijn benoemd.
Bij beschikking van 2 december 2024 heeft de kantonrechter op verzoek van [verweerder1] de ondercuratelestelling van [belanghebbende1] met ingang van die datum opgeheven en de goederen die [belanghebbende1] (zullen) toebehoren onder bewind gesteld wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand met benoeming van [verzoeker1] en [verzoeker2] tot bewindvoerders. Daarnaast heeft de kantonrechter met ingang van diezelfde datum een mentorschap ingesteld ten behoeve van [belanghebbende1] en [verweerder1] tot mentor benoemd. Daarbij heeft de kantonrechter [verweerder1] opgedragen aan de kantonrechter te melden wanneer [zorginstelling] de huidige zorg niet langer kan leveren.
Bij beschikking van 25 november 2025 heeft de kantonrechter op verzoek van [verzoeker1] en [verzoeker2] met ingang van 1 december 2025 [verweerder1] ontslagen als mentor van [belanghebbende1] , met benoeming tot mentor [naam1] , h.o.d.n. [naam2] .
Bij afzonderlijke beschikking van 25 november 2025 heeft de kantonrechter op verzoek van [verweerder1] [verzoeker1] en [verzoeker2] ontslagen als bewindvoerders en met ingang van 1 december 2025 voornoemde [naam1] benoemd tot bewindvoerder.
4. De omvang van het geschil
[verzoeker1] en [verzoeker2] zijn het niet eens met de beschikkingen van de kantonrechter van 25 november 2025, voor zover zij daarbij zijn ontslagen als bewindvoerder en [naam1] is benoemd tot bewindvoerder en mentor. Zij hebben met drie grieven hoger beroep ingesteld. Zij verzoeken het hof de bestreden beschikkingen te vernietigen en opnieuw beschikkende te bepalen:
I. dat er geen gronden zijn voor het ontslag van appellanten als bewindvoerders en dat zij daarom bewindvoerders voor [belanghebbende1] zullen blijven;
II. dat, wanneer er wel gronden zouden zijn voor het ontslag van appellanten, mevrouw [naam3] van [naam4] BV tot bewindvoerder wordt benoemd;
III. dat als mentor wordt benoemd mevrouw [naam5] te [plaats] ,
kosten rechtens.
[verweerder1] voert verweer en verzoekt de grieven van [verzoeker1] en [verzoeker2] te verwerpen en de bestreden beschikkingen te bekrachtigen.
5. De motivering van de beschikking
Het ingestelde bewind over de (toekomstige) goederen van [belanghebbende1] en het mentorschap over haar staan niet ter discussie. Het geschil in dit beroep betreft het ontslag van [verzoeker1] en [verzoeker2] als bewindvoerders en de persoon van de benoemde bewindvoerder en mentor.
Op grond van artikel 1:448 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt een bewindvoerder ontslag verleend hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat de bewindvoerder niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden, zulks op verzoek van een medebewindvoerder of degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 lid 1 en 2 BW, dan wel ambtshalve.
Het hof is net als de kantonrechter van oordeel dat er gewichtige redenen zijn om [verzoeker1] en [verzoeker2] als bewindvoerders van [belanghebbende1] te ontslaan. Het hof neemt de overwegingen van de kantonrechter na eigen onderzoek over en voegt hier nog het volgende aan toe.
Het hof stelt voorop dat voor een succesvolle uitvoering van een beschermingsmaatregel noodzakelijk is dat de bewindvoerders goed en respectvol samenwerken en communiceren met andere voor [belanghebbende1] belangrijke personen. Daarbij gaat het met name om [verweerder1] , die samen met zijn echtgenote (deels) de verzorging van en hulpverlening voor [belanghebbende1] op zich neemt doordat [belanghebbende1] bij hen in huis woont. Daaraan ontbreekt het in deze zaak. Uit het dossier blijkt - en dit wordt bevestigd door de verklaringen ter zitting van het hof - dat de verstandhouding tussen [verweerder1] enerzijds en [verzoeker1] en [verzoeker2] anderzijds ernstig verstoord is geraakt. Het hof deelt niet de mening van [verzoeker1] en [verzoeker2] dat slechts sprake is van een enigszins verstoorde relatie.
[belanghebbende1] kwam steeds meer klem te zitten tussen haar broers in de rol van mentor en bewindvoerders en het hof acht voortzetting van die situatie niet in het belang van het welzijn van [belanghebbende1] , te meer nu [belanghebbende1] bij [verweerder1] woont. Dit laatste op zich staat er naar het oordeel van het hof al aan in de weg dat [verzoeker1] en [verzoeker2] bewindvoerders blijven. Door de gebrouilleerde verhoudingen acht het hof het voor [verzoeker1] en [verzoeker2] namelijk niet doenlijk om in deze situatie de financiële belangen van [belanghebbende1] op een goede manier te behartigen.
In artikel 1:435 lid 4 BW is, voor zover voor de situatie van [belanghebbende1] van belang, bepaald dat bij voorkeur de ouders, broers of zussen tot bewindvoerder worden benoemd. In artikel 1:452 lid 4 BW is datzelfde voor het mentorschap bepaald. In dat wat het hof hiervoor heeft overwogen liggen voldoende redenen om van de wettelijke voorkeur voor een familielid als bewindvoerder respectievelijk mentor af te wijken.
Het feit dat [verzoeker1] en [verzoeker2] minder betrokkenheid bij [belanghebbende1] ervaren als gevolg van de benoeming van [naam1] tot bewindvoerder geeft het hof geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
Het hof ziet verder geen reden om [naam1] te ontslaan en in plaats van hem een andere professionele bewindvoerder en mentor te benoemen. Tegenover de gemotiveerde betwisting door [naam1] hebben [verzoeker1] en [verzoeker2] onvoldoende onderbouwd dat [naam1] niet goed waakt over de financiële en niet-financiële belangen van [belanghebbende1] . Het hof merkt nog op dat ook overigens niet is gebleken van enige contra-indicatie voor de geschiktheid van de huidige bewindvoerder/mentor. Niet gebleken is namelijk dat [naam1] zijn taken als bewindvoerder en mentor niet goed uitvoert of daarvoor ongeschikt is. Ook heeft het hof niet kunnen vaststellen dat de bewindvoerder en mentor de familie niet passend informeert.
Het hof zal de bestreden beschikkingen daarom in stand laten (bekrachtigen).
6. De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikkingen bekrachtigen.
7. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de twee beschikkingen van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 25 november 2025, uitgesproken onder zaaknummers 11826841 (bewind) en 11772171 (mentorschap);
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.B. Kamminga, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en
mr. C. Coster, bijgestaan door mr. M. Marsnerova als griffier, en is op 27 oktober 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.