[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1978 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 oktober 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R. Zilver, en wat de advocaat van de benadeelde partij, mr. [benadeelde] , hebben aangevoerd.
Verdachte is door de rechtbank Gelderland vrijgesproken van wat aan hem onder 2 en 3 is ten laste gelegd. Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die vrijspraken. Verdachte kan tegen een beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep instellen. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraken.
Het vonnis
De rechtbank Gelderland heeft bij vonnis van 21 november 2023, waartegen het hoger beroep is gericht:
Het hof vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, ten laste gelegd dat:
1. primair[bedrijf 1] in of omstreeks de periode van 1 november 2018 tot en met 1 december 2018
te [plaats 1] , althans in Nederland en/of Duitsland en/of Zuid-Korea
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[benadeelde] en/of [slachtoffer]
heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten
- het aangaan van een koopovereenkomst tussen [benadeelde] en [bedrijf 1] met betrekking tot een havenkraan Liebherr LHM250 serienummer [nummer] en/of
- afgifte van een geldbedrag van (in totaal) 765.000 euro,
door
- in de persoon van (middellijk bestuurder) [verdachte] met [slachtoffer] in [plaats 2] (Dld) de havenkraan Liebherr LHM250 serienummer [nummer] te bekijken,
- tegen [benadeelde] en/of [slachtoffer] te doen voorkomen dat genoemde havenkraan door [bedrijf 1] was aangekocht bij het bedrijf [bedrijf 2] ,
- in/door de genoemde koopovereenkomst aan te geven/te doen voorkomen dat [bedrijf 1] (onbezwaard) eigenaar was van genoemde havenkraan of dit op korte termijn zou worden,
- per email aan [slachtoffer] een koopovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] met betrekking tot bovengenoemde havenkraan (pag 100038-1000040) te doen toekomen, waarbij in deze koopovereenkomst (relevante) tekstdelen (waaronder de datum van betaling en ondertekening en/of prijzen/bedragen en/of betalingscondities/eigendomsvoorbehoud) onleesbaar waren gemaakt,
- per email aan [slachtoffer] een bankafschrift/transactieoverzicht (pag 1000048) te doen toekomen, met betrekking tot/ten bewijze van een betaling van [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] , waarbij op dit bankafschrift/transactieoverzicht (relevante) tekstdelen (waaronder de boekingsdatum en het (overgemaakte) geldbedrag) onleesbaar waren gemaakt en/of
- zich voor te doen als een bonafide verkoper
zulks terwijl hij, verdachte, tot voren omschreven feit(en) opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging(en) feitelijke leiding heeft gegeven;
1. subsidiairhij in of omstreeks de periode van 1 november 2018 tot en met 1 december 2018
te [plaats 1] , althans in Nederland en/of Duitsland en/of Zuid-Korea
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[benadeelde] en/of [slachtoffer]
heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten
- het aangaan van een koopovereenkomst tussen [benadeelde] en [bedrijf 1] met betrekking tot een havenkraan Liebherr LHM250 serienummer [nummer] en/of
- afgifte van een geldbedrag van (in totaal) 765.000 euro,
door
- met [slachtoffer] in [plaats 2] (Dld) de havenkraan Liebherr LHM250 serienummer [nummer] te bekijken,
- tegen [slachtoffer] te doen voorkomen dat genoemde havenkraan door [bedrijf 1] was aangekocht bij het bedrijf [bedrijf 2] ,
- in/door de genoemde koopovereenkomst aan te geven/te doen voorkomen dat [bedrijf 1] (onbezwaard) eigenaar was van genoemde havenkraan of dit op korte termijn zou worden,
- per email aan [slachtoffer] een koopovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] met betrekking tot bovengenoemde havenkraan (pag 100038-1000040) te doen toekomen, waarbij in deze koopovereenkomst (relevante) tekstdelen (waaronder de datum van betaling en ondertekening en/of prijzen/bedragen en/of betalingscondities/eigendomsvoorbehoud) onleesbaar waren gemaakt,
- per email aan [slachtoffer] een bankafschrift/transactieoverzicht (pag 1000048) te doen toekomen, met betrekking tot/ten bewijze van een betaling van [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] , waarbij op dit bankafschrift/transactieoverzicht (relevante) tekstdelen (waaronder de boekingsdatum en het (overgemaakte) geldbedrag)onleesbaar waren gemaakt en/of
- zich voor te doen als een bonafide verkoper;
1. meer subsidiair[bedrijf 1] in of omstreeks de periode van 1 november 2018 tot en met 29 januari 2019
te [plaats 1] , althans in Nederland en/of Duitsland en/of Zuid-Korea
opzettelijk een hoeveelheid geld, te weten een geldbedrag van (in totaal) 765.000 euro
in elk geval enig goed/geldbedrag,
geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] en/of [slachtoffer] ,
in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en
welke gelden/geldbedrag verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten door betaling door [benadeelde] en/of [slachtoffer] in verband met de aankoop van een havenkraan Liebherr LHM250 serienummer [nummer]
wederrechtelijk zich heeft toegeëigend
zulks terwijl hij, verdachte, tot voren omschreven feit opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging(en) feitelijk leiding heeft gegeven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feitelijk leidinggeven aan oplichting wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hiertoe heeft hij, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat verdachte gebruik heeft gemaakt van een valse hoedanigheid door zich voor te doen als onbezwaard eigenaar van de Liebherr LHM250 havenkraan. Er is eveneens sprake van een samenweefsel van verdichtsels, nu verdachte doelbewust cruciale passages over het eigendomsvoorbehoud uit de overeenkomst tussen [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) en [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) heeft weggelakt en die overeenkomst vervolgens aan zijn beoogd koper, [benadeelde] (hierna: [benadeelde] ) voor te leggen. Dat weglakken kan niet anders dan opzettelijk en met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening zijn verricht, aldus de advocaat-generaal. Ten slotte heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat de handelingen aan de rechtspersoon kunnen worden toegerekend en dat bewezen kan worden dat verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven; verdachte heeft de gedragingen van de rechtspersoon actief en effectief aangestuurd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het aan verdachte tenlastegelegde. Hiertoe heeft hij ten aanzien van het primair en subsidiair ten laste gelegde, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat verdachte geen gebruik heeft gemaakt van een valse naam. De enkele omstandigheid dat iemand zich in strijd met de waarheid voordoet als bonafide verkoper, die in staat en voornemens is de bij hem gekochte en vooruitbetaalde goederen te leveren, brengt op zichzelf niet met zich mee dat kan worden gesproken van oplichting. Daarnaast heeft verdachte geen gebruik gemaakt van een samenweefsel van verdichtsels. Daarbij gaat het erom dat sprake moet zijn van een op meer dan één enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken. In dit geval gaat het om een enkele leugenachtigheid, namelijk de gepretendeerde onbezwaard eigendom. Om diezelfde reden is evenmin sprake van listige kunstgrepen. Verder heeft verdachte in het naar [benadeelde] gestuurde koopcontract geen passages zwartgelakt met het oogmerk tot misleiding van [benadeelde] . De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat [benadeelde] niet de in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid in acht heeft genomen.
Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat geen sprake is van wederrechtelijke toe-eigening, nu het ontvangen van een koopsom en het nalaten van het leveren van de verschuldigde tegenprestatie geen reden is om af te wijken van de regel uit het burgerlijk recht dat de ontvangen koopsom na het effectueren van de betaling tot het vermogen van de (nalatige) verkoper is gaan behoren.
Oordeel van het hof
Verdachte heeft aangevoerd dat vrijspraak moet volgen. Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Het hof overweegt hiertoe het volgende.
Inleiding
[benadeelde] heeft op 9 november 2018 een koopovereenkomst gesloten met [bedrijf 1] tot de koop van een havenkraan, model Liebherr LHM250, met serienummer [nummer] , voor de prijs van € 765.000,00. Ten aanzien van deze prijs is bepaald dat 10 procent binnen 3 dagen na ondertekening van de overeenkomst als aanbetaling dient te worden betaald en dat 90 procent vóór verzending binnen 2 weken na ondertekening van de overeenkomst dient te zijn betaald. In deze koopovereenkomst is voorts bepaald dat de eigendom van de kraan overgaat op de koper op het moment van volledige betaling van het saldo op de bankrekening van de verkoper. Tevens is bepaald dat [bedrijf 1] de koper het volledige eigendom van de kraan garandeert zonder enige beperking, zakelijke garantie en rechten van derden. De koopsom is vervolgens door [benadeelde] in twee delen, respectievelijk op 14 en 29 november 2018, voldaan.
Per e-mailbericht van 21 november 2018 verzocht [slachtoffer] van [benadeelde] verdachte om de eigendomsbewijzen van de havenkraan over te leggen, zodat zij een bedrag konden lenen bij de bank om de koopsom van de kraan te financieren. Per e-mailbericht van 26 november 2018 reageerde verdachte door 2 documenten mee te sturen: een deels onleesbaar gemaakte koopovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] met betrekking tot de Liebherr havenkraan met serienummer [nummer] en een deels onleesbaar gemaakt bankafschrift als bewijs dat [bedrijf 1] een betaling had gedaan aan [bedrijf 2] . In de door verdachte aan [benadeelde] verstrekte koopovereenkomst zijn de bepalingen over de prijs, de eigendomsoverdracht, de levering en de datum van ondertekening zwartgelakt (onleesbaar gemaakt). Uit de zich in het dossier bevindende originele koopovereenkomst blijkt dat in het artikel over de prijs bepaald is dat er een aanbetaling dient te geschieden van 5 procent en dat het overige bedrag uiterlijk op 31 maart 2019 betaald dient te worden. In het artikel over de eigendomsoverdracht en de levering is, voorzover hier van belang, bepaald dat de eigendom in het eerste kwartaal van 2019 op [bedrijf 1] zal worden overgedragen. Zulks afhankelijk van het moment van betaling van de volledige koopsom, maar in ieder geval nooit eerder dan 1 januari 2019. Tevens is bepaald dat [bedrijf 2] de eigendom van het te leveren object voorbehoud tot de volledige betaling van alle vorderingen. De datum van ondertekening is 15 november 2018. Op het door verdachte aan [slachtoffer] verstrekte bankafschrift zijn de overboekingsdatum en het overgemaakte geldbedrag zwartgelakt.
Op 16 november 2018 wordt de aanbetaling van € 76.500,00 van [benadeelde] op de bankrekening van [bedrijf 1] ontvangen en aansluitend wordt op dezelfde dag een bedrag van € 25.000,00 door [bedrijf 1] naar de bankrekening van [bedrijf 2] overgemaakt. Op 29 november 2018 wordt vervolgens het resterende bedrag van de koopsom ad € 688.500,00 van [benadeelde] ontvangen op de bankrekening van [bedrijf 1] . In de periode daarna worden er diverse (substantiële) bedragen van de bankrekening van [bedrijf 1] overgemaakt naar andere bankrekeningen van verdachte en aan verdachte gerelateerde (rechts)personen. Er vindt geen betaling meer plaats aan [bedrijf 2] .
De advocaat van [bedrijf 2] liet in een e-mail van 17 oktober 2019 aan de advocaat van [benadeelde] weten dat [bedrijf 1] een koopovereenkomst met [bedrijf 2] had gesloten en een aanbetaling had gedaan. [bedrijf 1] heeft het resterende deel van de koopsom niet betaald, waardoor [bedrijf 2] eigenaar bleef van de kraan. [bedrijf 1] kon en mocht de kraan niet verkopen en/of overdragen (‘transfer’) aan [benadeelde] .
Oplichting
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van oplichting is vereist dat verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken.Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot – in de onderhavige zaak aan de orde – de afgifte van een goed.
Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebruikt, is bewogen tot een van voornoemde handelingen, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer. Bij een samenweefsel van verdichtsels behoren tot die omstandigheden onder meer de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) leugenachtige mededelingen in hun onderlinge samenhang.
Naar Nederlands recht is het mogelijk zich te verbinden tot levering van een goed waarvan men zelf niet of nog niet de eigenaar is. Voor [benadeelde] was het echter van wezenlijk belang dat [bedrijf 1] al wel eigenaar was. [benadeelde] kon immers geen financiering verkrijgen en [bedrijf 1] betalen als niet bleek dat [bedrijf 1] eigenaar was. Dat was ook de reden dat [benadeelde] aan [bedrijf 1] verzocht bescheiden toe te zenden waaruit bleek dat [bedrijf 1] eigenaar van de kraan was. Daaruit blijkt eveneens dat [benadeelde] op dat moment al in de veronderstelling verkeerde dat [bedrijf 1] eigenaar was van de kraan. In de koopovereenkomst tussen [benadeelde] en [bedrijf 1] staat ook vermeld dat [bedrijf 1] de koper het volledige eigendom van de kraan garandeert zonder enige beperking, zakelijke garantie en rechten van derden zodra de volledige koopsom is ontvangen op de bankrekening van [bedrijf 1] . [bedrijf 1] deed zich daarmee ten overstaan van [benadeelde] voor als onbezwaard eigenaar van de havenkraan. Door het zwartlakken van relevante bepalingen in de koopovereenkomst tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 1] alsmede het zwartlakken van de bedragen en de betalingsdatum op het door [bedrijf 1] aangeleverde bankafschrift bevestigde [bedrijf 1] deze onjuiste voorstelling van zaken voor wat betreft het eigendom van de kraan. Het hof begrijpt dat verdachte de (ver)koopprijs niet kenbaar heeft willen maken aan [benadeelde] . Maar door als antwoord op de vraag of [bedrijf 1] eigenaar was slechts een bewijs van betaling te overleggen zonder nadere toelichting werd de indruk gewekt dat dit de (volledige) betaling van de kraan was, waardoor in combinatie met de leesbare delen van de koopovereenkomst de indruk werd gewekt dat [bedrijf 1] op dat moment al eigenaar was van de kraan. Verdachte heeft voornamelijk zelf, namens [bedrijf 1] , een voorstelling van zaken gegeven die niet in overeenstemming was met de werkelijkheid.
Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard, hetgeen door hem ook eerder in het strafproces is verklaard, dat hij [bedrijf 1] , enkel door het voldoen van de aanbetaling, al als eigenaar van de kraan zag. Ter zitting in hoger beroep heeft verdachte zijn bij de rechtbank afgelegde verklaring met betrekking tot het zwartlakken van de stukken, herhaald. Volgens verdachte heeft hij de desbetreffende informatie niet zwartgelakt met het opzet om een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen bij [benadeelde] . De informatie ten aanzien van het eigendom en de prijs zijn vertrouwelijk en dat is niet van belang voor de klant, aldus verdachte.
Het hof constateert dat verdachte precies die informatie heeft zwartgelakt die [benadeelde] de werkelijke eigenaar en de daarmee gepaard gaande eigendom van de havenkraan zou onthullen. [benadeelde] had immers op het (volledige) bankafschrift kunnen zien dat door [bedrijf 1] slechts een aanbetaling aan [bedrijf 2] was voldaan. Door het zwartlakken van de passages over de prijs, eigendomsoverdracht en levering in de koopovereenkomst, werd [benadeelde] informatie onthouden waaruit bleek dat [bedrijf 1] in ieder geval tot 1 januari 2019 niet over het onbezwaard eigendom van de havenkraan zou kunnen beschikken en daarna pas ná de volledige betaling van de koopsom aan [bedrijf 2] . [bedrijf 1] kon weten dat deze informatie van essentieel belang was voor [benadeelde] , aangezien [benadeelde] eigendomsbewijzen nodig had voor de financiering van de kraan. Dat [bedrijf 1] deze wijze van geselecteerde informatie verstrekken opzettelijk heeft gedaan leidt het hof af uit het feit dat de alinea over de eigendomsoverdracht en levering volledig is zwartgelakt, terwijl dit bij de alinea over de prijs maar ten dele is gedaan. De voor het eigendom niet relevante bepalingen zijn in de alinea over de prijs door [bedrijf 1] niet weggelakt. [bedrijf 1] heeft zich, door aldus te handelen, vanaf het begin voorgedaan als onbezwaard eigenaar van de havenkraan model Liebherr LHM250, met serienummer [nummer] en heeft daarmee gebruik gemaakt van een valse hoedanigheid.
In plaats van [benadeelde] in te lichten over de feitelijke situatie, koos verdachte ervoor kunstgrepen toe te passen om [benadeelde] in de waan te laten dat [bedrijf 1] wel eigenaar was. Zoals hiervoor is overwogen heeft verdachte onderdelen van de naar [benadeelde] verzonden koopovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] zwartgelakt en deze versie aan [benadeelde] verstrekt, waardoor [benadeelde] in staat werd gesteld om het tweede deel van de koopsom aan [bedrijf 1] te betalen.
Met het vorenstaande in onderlinge samenhang bezien is het causaal verband gegeven tussen de door [bedrijf 1] gehanteerde oplichtingsmiddelen en het door [benadeelde] overgemaakte geldbedrag, waardoor [bedrijf 1] financieel voordeel heeft genoten.
De verdediging heeft het in eerste aanleg gevoerde verweer, dat [benadeelde] niet de vereiste omzichtigheid in acht heeft genomen, in hoger beroep herhaald. Het hof kan zich met de hierna cursief opgenomen overweging van de rechtbank verenigen en maakt deze tot de zijne.
“Juist het handelsverkeer is op onderling vertrouwen gebaseerd. [benadeelde] heeft zich bovendien nader geïnformeerd door informatie met betrekking tot de eigendom van de kraan op te vragen bij [bedrijf 1] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft [benadeelde] daarmee de vereiste omzichtigheid in acht genomen.”
Toerekening aan de rechtspersoon en feitelijk leidinggeven door verdachte
Verdachte heeft verklaard dat hij leidinggevende was bij [bedrijf 1] en dat hij degene is geweest die onderhandelde met [slachtoffer] van [benadeelde] .
Nu verdachte de indirect en enig bestuurder was van [bedrijf 1] en ook uit zijn verklaring blijkt dat hij leidinggevende was bij [bedrijf 1] en de onderhandelingen heeft gevoerd met [slachtoffer] van [benadeelde] acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het strafbare handelen van [bedrijf 1] .
Het hof acht op grond van hetgeen hiervoor is overwogen het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1. primair[bedrijf 1] in of omstreeks de periode van 1 november 2018 tot en met 1 december 2018 te [plaats 1] , althans in Nederland en/of Duitsland en/of Zuid-Korea
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde] en/of [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten
- het aangaan van een koopovereenkomst tussen [benadeelde] en [bedrijf 1] met betrekking tot een havenkraan Liebherr LHM250 serienummer [nummer] en/of
- afgifte van een geldbedrag,
door
- in de persoon van (middellijk bestuurder) [verdachte] met [slachtoffer] in [plaats 2] (Dld) de havenkraan Liebherr LHM250 serienummer [nummer] te bekijken,
- tegen [benadeelde] en/of [slachtoffer] te doen voorkomen dat genoemde havenkraan door [bedrijf 1] was aangekocht bij het bedrijf [bedrijf 2] ,
- in/door de genoemde koopovereenkomst aan te geven/te doen voorkomen dat [bedrijf 1] (onbezwaard) eigenaar was van genoemde havenkraan of dit op korte termijn zou worden,
- per email aan [slachtoffer] een koopovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] met betrekking tot bovengenoemde havenkraan (pag 100038-1000040) te doen toekomen, waarbij in deze koopovereenkomst (relevante) tekstdelen (waaronder de datum van betaling en ondertekening en/of prijzen/bedragen en/of betalingscondities/eigendomsvoorbehoud) onleesbaar waren gemaakt,
- per email aan [slachtoffer] een bankafschrift/transactieoverzicht (pag 1000048) te doen toekomen, met betrekking tot/ten bewijze van een betaling van [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] , waarbij op dit bankafschrift/transactieoverzicht (relevante) tekstdelen (waaronder de boekingsdatum en het (overgemaakte) geldbedrag) onleesbaar waren gemaakt en/of
- zich voor te doen als een bonafide verkoper
zulks terwijl hij, verdachte, tot voren omschreven feit(en) opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging(en) feitelijke leiding heeft gegeven.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van oplichting.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof overweegt in het bijzonder het volgende.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het feitelijk leidinggeven aan oplichting van het bedrijf [benadeelde] . Beide partijen waren overeengekomen dat het bedrijf waar verdachte (indirect) bestuurder van was, en nog steeds is, een bepaalde havenkraan zou kunnen leveren aan [benadeelde] en dat laatstgenoemde daarvoor een koopprijs zou betalen van € 765.000,00. [benadeelde] heeft de betaling verricht, maar verdachte heeft niet geleverd. Door aldus te handelen heeft verdachte groot financieel nadeel toegebracht en misbruik gemaakt in het vertrouwen dat in hem werd gesteld.
Het hof heeft gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 10 september 2026. Hieruit blijkt dat verdachte voorafgaand aan het plegen van onderhavig feit niet eerder in Nederland is veroordeeld. Hieruit blijkt ook dat verdachte artikel 63 Sr van toepassing is.
Daarnaast heeft het hof bij de strafoplegging rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden, zoals door verdachte op de zitting van het hof van 14 oktober 2026 naar voren zijn gebracht.
De raadsman heeft aangevoerd dat aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd omdat hij kostwinner is van zijn gezin met 2 kinderen.
Daarnaast betrekt het hof bij de strafoplegging eveneens dat verdachte dan wel [bedrijf 1] van het gehele benadelingsbedrag slechts € 169.000,00 heeft terugbetaald aan [benadeelde] .
Naar het oordeel van het hof kan voor onderhavig feit, mede gelet op de ernst ervan, niet worden volstaan met een andere straf dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op al het vorenstaande is het hof van oordeel dat in beginsel de door de rechtbank opgelegde straf passend en geboden is. Echter, door de overschrijding van de redelijke termijn met bijna een jaar, is het hof alles afwegende van oordeel dat een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden is.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft haar vordering tot schadevergoeding gehandhaafd voor het bedrag dat door de rechtbank is toegewezen. De rechtbank heeft een bedrag toegewezen van € 602.775,00 inclusief € 6.775,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de door de rechtbank toegewezen schadevergoeding.
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. De vordering is voldoende onderbouwd. De vordering is door de verdediging onvoldoende weersproken. Verdachte moet die schade vergoeden. De vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 602.775,00.
Wat betreft de proceskosten past het hof het liquidatietarief toe, zoals vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton. Conform deze liquidatietabel wordt voor het verschijnen op zitting 1 punt toegekend. In hoger beroep staat 1 punt bij een bedrag zoals in onderhavige zaak aan de orde, gelijk aan een bedrag van € 5.286,00. Het hof zal dat bedrag toewijzen als proceskosten.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 51, 63 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] T.a.v. [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] T.a.v. [benadeelde] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 602.775,00 (zeshonderdtweeduizend zevenhonderdvijfenzeventig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 5.286,00 (vijfduizend tweehonderdzesentachtig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] T.a.v. [benadeelde] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 602.775,00 (zeshonderdtweeduizend zevenhonderdvijfenzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 360 (driehonderdzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 15 augustus 2019.
Dit arrest is gewezen door mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, mr. G. Dam en mr. P.L.M van Gorkom, in aanwezigheid van de griffier mr. L. Dijkman en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 28 oktober 2026.