GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Zaaknummer : 200.338.411/01
Rolnummer rechtbank : 10456660 CV EXPL 23-10841
arrest van 18 november 2025
inzake
[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna: [appellante] ,
advocaat mr. D.P. Kant te Capelle aan den IJssel,
tegen
[geïntimeerde] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
hierna: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. [naam] te [plaats].
Het geding in hoger beroep
1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
Het geschil in eerste aanleg
2. [geïntimeerde] vorderde in eerste aanleg betaling door [appellante] van een bedrag van € 2.652,--. Dit bedrag bestaat uit een bedrag van € 777,-- aan door de Raad voor de Rechtsbijstand vastgestelde eigen bijdragen, een bedrag van € 875,-- aan een declaratie voor door [geïntimeerde] verrichte werkzaamheden en € 1.000,-- aan proceskosten die door de Raad van Discipline van de Orde van Advocaten bij [geïntimeerde] in rekening zijn gebracht.
3. [appellante] heeft een incidentele vordering ingesteld die door de kantonrechter bij vonnis in het incident is afgewezen. Daarbij is [appellante] in de proceskosten van het incident veroordeeld voor een bedrag van € 232,--.
4. De vorderingen van [geïntimeerde] zijn integraal afgewezen. Dat is als volgt onderbouwd in r.o. 3.1 van het eindvonnis:
“ [appellante] heeft zich op het standpunt gesteld niet met [geïntimeerde] te
hebben gecontracteerd. [geïntimeerde] daarentegen stelt dat de advocatenpraktijk
wordt gevoerd vanuit [geïntimeerde] en dat [naam] de enige werkzame advocaat is binnen de vennootschap. Nergens blijkt echter uit dat [appellante] met de B.V. heeft
gecontracteerd. Dit blijkt niet uit een opdrachtbevestiging, correspondentie, facturen of
(wel) verrichte betalingen. Daarmee is niet komen vast te staan dat [geïntimeerde]
een grondslag heeft voor de door haar ingestelde vordering. De vordering wordt daarom
afgewezen.”
5. De kantonrechter heeft de proceskosten in de hoofdzaak gecompenseerd.
Vorderingen in principaal hoger beroep
6. In principaal hoger beroep concludeert [appellante] dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en alsnog (1) de proceskosten van het incident zal compenseren, dan wel [geïntimeerde] in deze proceskosten zal veroordelen en (2) [geïntimeerde] zal veroordelen in de proceskosten van de hoofdzaak, en (3) [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep, te vermeerderen met nakosten.
Vorderingen in incidenteel hoger beroep
7. In incidenteel hoger beroep concludeert [geïntimeerde] dat het hof het bestreden eindvonnis zal vernietigen en alsnog haar vorderingen zal toewijzen, en [appellante] zal veroordelen in de kosten van beide instanties.
De beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep
8. Met de principale grief I betoogt [appellante] dat [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij had moeten worden veroordeeld in de proceskosten van de hoofdzaak.
9. Met de incidentele grief betoogt [geïntimeerde] dat zij gerechtigd is tot de tegen [appellante] ingestelde vordering. Dat is als volgt toegelicht.
Mr. [naam] is in dienst bij [geïntimeerde] en declareert niet zelfstandig.
Mr. [naam] heeft geen eigen bankrekening. Alle bankrekeningen staan op naam van [geïntimeerde] .
[appellante] had aan de betalingen en bankafschriften kunnen zien dat alle betalingen en ontvangsten ten name van [geïntimeerde] werden verricht.
[geïntimeerde] heeft eerder procedures gevoerd over het innen van de declaraties bij cliënten. Dat was toen geen probleem.
[geïntimeerde] is daarom de contractspartij van [appellante] .
10. Deze incidentele grief faalt. Het hof verenigt zich met het oordeel van de kantonrechter en de overwegingen die daaraan ten grondslag zijn gelegd (zie hiervóór r.o. 4). Het hof komt dus tot hetzelfde oordeel. De grief leidt niet tot een ander oordeel. Dat en waarom [appellante] uit de wijze van declareren en betalen heeft moeten begrijpen dat zij met [geïntimeerde] had gecontracteerd is niet onderbouwd. Het belang van het feit dat [geïntimeerde] in andere procedures geen probleem ondervindt bij het innen van declaraties, is ook niet onderbouwd.
10. De kantonrechter heeft [geïntimeerde] dus terecht in het ongelijk gesteld. Daarmee slaagt de principale grief I. Noch de door [geïntimeerde] beschreven proceshouding van [appellante] noch de omstandigheid dat [appellante] met een toevoeging procedeerde, levert een argument op voor het achterwege blijven van een kostenveroordeling. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten van de eerste aanleg en het incidenteel hoger beroep worden veroordeeld. De kosten in eerste aanleg bedragen volgens het liquidatietarief kanton in 2023 € 464,--. De kosten in incidenteel hoger beroep bedragen € 429,-- aan kosten advocaat (0,5 punt, tarief I).
10. Met de principale grief II keert [appellante] zich tegen de proceskostenveroordeling in het incident. Volgens [appellante] had [geïntimeerde] haar vordering nimmer toegewezen kunnen krijgen en diende de beslissing over de proceskosten in het incident aangehouden te worden tot de beslissing over de proceskosten in het bestreden eindvonnis.
10. Deze grief faalt. Het incident ging over de bevoegdheid van de kantonrechter. In dat incident is [appellante] in het ongelijk gesteld. De kantonrechter was niet gehouden om de beslissing over de proceskosten in het incident aan te houden tot het eindvonnis. De kantonrechter was evenmin gehouden om, in het geval die beslissing wel was aangehouden tot het eindvonnis, [geïntimeerde] in de kosten van het incident te veroordelen. Immers, [appellante] was in het incident in het ongelijk gesteld en de uitkomst van de hoofdzaak verandert daar niets aan.
10. Bij deze uitkomst past dat de proceskosten van het principaal hoger beroep worden gecompenseerd omdat beide partijen deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld.
Beslissing in principaal en incidenteel hoger beroep
Het hof:
Dit arrest is gewezen door mrs. R.S. van Coevorden, R.J.F. Thiessen en P. Volker en is ondertekend en in het openbaar uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 november 2025 in aanwezigheid van de griffier.