GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.364.832/01
Zaak- en rekestnummer rechtbank : 11769531 \ EJ VERZ 25-83004
Beschikking van 10 september 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonend in [woonplaats] , [land] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. G.F. Stelten, kantoorhoudend in Steyl (gemeente Venlo),
tegen
ZoBio B.V.,
gevestigd in Leiden,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. M.A. de Vries, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna [verzoeker] en ZoBio.
1. De zaak in het kort
[verzoeker] is wegens bedrijfseconomische omstandigheden ontslagen. [verzoeker] is het hier niet mee eens en betoogt dat in het kader van het afspiegelingsbeginsel in de zin van artikel 11 van de Ontslagregeling niet hij maar een andere werknemer voor ontslag in aanmerking had moeten komen. Hij maakt onder meer aanspraak op een billijke vergoeding. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het ontslag rechtsgeldig was en heeft de verzoeken van [verzoeker] afgewezen. Het hof bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter.
2. Procesverloop in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de navolgende stukken:
het beroepschrift, met producties, ter griffie ingekomen op 11 februari 2026, waarbij [verzoeker] in hoger beroep is gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, locatie Leiden, van 12 november 2025 (hierna ook: de beschikking);
het verweerschrift van ZoBio, met producties, dat op 8 juni 2026 ter griffie is ontvangen;
de op 19 juni 2026 ter griffie ingekomen akte van [verzoeker] , met aanvullende producties;
de op 22 juni 2026 ter griffie ingekomen aanvullende producties aan de zijde van ZoBio.
Partijen hebben hun standpunten uiteengezet tijdens de mondelinge behandeling op 30 juni 2026, mede aan de hand van de door hen overgelegde pleitnotities. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald.
3. Feitelijke achtergrond
[verzoeker] , geboren [geboortedatum] 1977, was in de periode van 1 april 2018 tot 1 mei
2025 in dienst bij ZoBio. Het loon van [verzoeker] bedroeg laatstelijk € 6.300,- bruto per maand (exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten).
In de arbeidsovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:
“(…)
The employee shall take up employment with the employer in the position of Head of Crystallography .
(...)
This contract and any non-contractual obligation arising out of or in connection with it are governed exclusively by Dutch law. (…)”
Op 14 juni 2021 heeft [verzoeker] zich ziekgemeld.
Op 8 juni 2023 heeft het UWV aan ZoBio een loonsanctie opgelegd.
Na afloop van de loonsanctie heeft ZoBio aan [verzoeker] een beëindigingsvoorstel
gedaan. Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
Bij bestuursbesluit van 3 oktober 2024 heeft ZoBio de functie van Head of
Crystallography boventallig verklaard.
Op 8 oktober 2024 heeft ZoBio voor onder andere [verzoeker] een ontslagvergunning aangevraagd bij het UWV wegens bedrijfseconomische redenen. [verzoeker] heeft in de ontslagprocedure bij UWV verweer gevoerd.
Bij beslissing van 12 maart 2025 heeft het UWV ZoBio toestemming gegeven om
de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] – en vijf andere werknemers – op te zeggen op grond van bedrijfseconomische redenen. Het UWV heeft - samengevat - overwogen dat ZoBio aannemelijk heeft gemaakt dat de functie van Head of Crystallography vanwege bedrijfseconomische redenen structureel komt te vervallen en dat er geen mogelijkheid is om [verzoeker] binnen een redelijke termijn te herplaatsen in een andere passende functie. Volgens het UWV is het afspiegelingsbeginsel niet aan de orde omdat de functie van [verzoeker] uniek is (namelijk slechts door één werknemer wordt bekleed).
Bij brief van 17 maart 2025 heeft ZoBio de arbeidsovereenkomst met [verzoeker]
opgezegd tegen 1 mei 2025.
4. Procedure bij de rechtbank
[verzoeker] heeft – samengevat – de kantonrechter verzocht om ZoBio te veroordelen:
tot betaling van een billijke vergoeding van € 160.000,- bruto, vermeerderd met wettelijke rente;
om aan [verzoeker] een eindafrekening te verstrekken waaruit de bruto-netto specificatie van de billijke vergoeding blijkt;
tot afgifte van de zaken onder nummer 6, 7, 9, 10 en 13 tot en met 21, genoemd in productie 27 van het verzoekschrift (hierna: ‘de lijst’), en, voor zover ZoBio daaraan niet zal voldoen, ZoBio te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 76.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente;
tot betaling van een bedrag van € 106.800,- aan schadevergoeding voor de zaken op de lijst onder nummer 1 tot en met 5, 11 en 12, vermeerderd met de wettelijke rente;
in de juridische kosten van € 13.012,25 dan wel de buitengerechtelijke kosten van € 3.489,- (inclusief btw), en
in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
ZoBio heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
De kantonrechter heeft – gezien de toezegging van ZoBio ter zitting dat zij de zaken op de lijst genoemd onder nummer 6 tot en met 10 en, 13, 14 en 16 tot en met 21 aan [verzoeker] zal teruggeven – de vordering van [verzoeker] in zoverre toegewezen, echter zonder daar een dwangsom aan te verbinden. De kantonrechter heeft de overige verzoeken van [verzoeker] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld.
5. Verzoek in hoger beroep
[verzoeker] heeft – zakelijk weergegeven – verzocht de beschikking te vernietigen en ZoBio alsnog te veroordelen tot: (I) betaling van een billijke vergoeding van € 160.000,- bruto, vermeerderd met de wettelijke rente, (II) verstrekking van een correcte eindafrekening, (III) ter beschikkingstelling van het ontbrekende onderdeel van zaak nummer 19 op de lijst, op straffe van verbeurte van een dwangsom, (IV) betaling van € 59.800,- als schadevergoeding voor de in het ongerede geraakte onderzoeksapparatuur op de lijst onder nummer 1 t/m 5, 11 en 12 , vermeerderd met de wettelijke rente, (V) betaling van de juridische kosten van € 13.012,25 , dan wel de buitengerechtelijke kosten van € 3.489,- (inclusief btw) alsmede (VI) vergoeding van de proceskosten in beide instanties vermeerderd met wettelijke rente.
Kort gezegd zien de bezwaren van [verzoeker] op het volgende: de kantonrechter heeft ten onrechte niet onderkend dat de functietitel Head of Crystallography niets zegt over de functieinhoud. Inhoudelijk was de functie van [verzoeker] van aanvang af gelijk aan die van een senior scientist, althans dit was in elk geval zo na de reorganisatie in juni 2019, omdat [verzoeker] in ieder geval vanaf dat moment geen leidinggevende taken meer vervulde. Het betrof dus een uitwisselbare functie in de zin van artikel 13 Ontslagregeling, zodat niet [verzoeker] maar een andere (senior) scientist voor ontslag in aanmerking had moeten komen (grieven 1 t/m 5). Daarnaast heeft de kantonrechter miskend dat ZoBio onvoldoende herplaatsingsinspanningen heeft verricht en dat de functie van (senior) scientist voor [verzoeker] een passende functie was (grieven 6 en 7). De kantonrechter heeft het verzoek om een billijke vergoeding, alsmede het verstrekken van een eindafrekening waarin die vergoeding is verantwoord, ten onrechte afgewezen (grief 8). Tevens heeft de kantonrechter ten onrechte het verzoek om toekenning van een schadevergoeding van de verloren gegane zaken 1 t/m 5, 11 en 12 op de lijst afgewezen (grief 9). Daarnaast heeft ZoBio verzuimd om zaak 19 op de lijst volledig aan [verzoeker] af te geven, zoals zij op grond van de beschikking van de kantonrechter gehouden was te doen (eveneens grief 9). Tot slot heeft de kantonrechter ten onrechte de vergoeding van juridische kosten afgewezen (grief 10) en dient ZoBio te worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties (grief 11).
ZoBio heeft gemotiveerd verweer gevoerd en heeft verzocht [verzoeker] in beide instanties in de proceskosten te veroordelen.
6. Beoordeling in hoger beroep
Geen uitwisselbare functie
Tussen partijen is niet langer in geschil dat er gegronde bedrijfseconomische redenen waren voor het aanvragen van een ontslagvergunning bij het UWV. [verzoeker] heeft wel naar voren gebracht dat het feit dat hij al drie jaar ziek is en voor hem geen salariskosten meer werden gemaakt een rol dient te spelen. Daarop gaat het hof in onder rov 6.15. Partijen houdt nog wel verdeeld of de functie die [verzoeker] bekleedde is aan te merken als een uitwisselbare functie in de zin van de Ontslagregeling. Naar het oordeel van het hof is dit niet het geval. Hierna wordt uitgelegd waarom.
juridisch kader
De arbeidsovereenkomst is beëindigd wegens bedrijfseconomische omstandigheden. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:669 lid 3, aanhef en sub a BW (‘de a-grond’) wordt als een redelijke grond voor opzegging aangemerkt – voor zover hier van belang – het, over een toekomstige periode van ten minste 26 weken bezien, noodzakelijkerwijs vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering. De Ontslagregeling (Stcrt. 11 mei 2015, nr. 12685, gewijzigd bij Besluit van 7 december 2015, Stcrt. 17 december 2019, nr. 68450) geeft regels voor het bepalen van de volgorde van opzegging bij het vervallen van arbeidsplaatsen wegens bedrijfseconomische omstandigheden
In artikel 11 Ontslagregeling is het zogenaamde afspiegelingsbeginsel neergelegd. Dit beginsel houdt in dat per leeftijdsgroep binnen een categorie uitwisselbare functies de werknemers met het kortste dienstverband het eerst voor ontslag in aanmerking komen en dat het aantal werknemers dat per leeftijdsgroep voor ontslag in aanmerking komt, zoveel mogelijk overeenkomt met de onderlinge verhouding van het aantal werknemers in elk van de leeftijdsgroepen binnen de desbetreffende categorie uitwisselbare functies.
Het afspiegelingsbeginsel is niet aan de orde als de functie die komt te vervallen geen uitwisselbare maar een unieke functie is. Artikel 13 Ontslagregeling bepaalt dat een functie uitwisselbaar is met een andere functie als: (a.) de functies vergelijkbaar zijn voor zover het betreft de inhoud van de functie, de voor de functie vereiste kennis, vaardigheden en competenties en de tijdelijke of structurele aard van de functie; en (b.) het niveau van de functie en de bij de functie behorende beloning gelijkwaardig zijn. Deze factoren dienen in onderlinge samenhang te worden beoordeeld (artikel 13 lid 2 Ontslagregeling).
De toelichting op artikel 13 Ontslagregeling vermeldt onder meer het volgende:
“Verschil uitwisselbare en passende functie
Ten slotte is van belang dat het gaat om de uitwisselbaarheid van functies, dus niet van medewerkers. Als een medewerker bijvoorbeeld toevallig een achtergrond heeft die hem persoonlijk geschikt maakt voor een functie die niet uitwisselbaar is met zijn eigen functie, dan zal een beroep door de desbetreffende medewerker op uitwisselbaarheid niet worden gehonoreerd. De toets op uitwisselbaarheid is kortom objectief gerelateerd aan de functie en niet subjectief aan de medewerker. Dit in tegenstelling tot het begrip ‘passende functie’, waar wordt gekeken naar de subjectieve/persoonlijke mogelijkheden van de werknemer. Of een boventallige werknemer kan worden herplaatst in een passende functie, is immers afhankelijk van de beoordeling of hij geschikt is voor deze functie. In de tijd gezien, vindt allereerst de selectie van de voor ontslag voor te dragen werknemers plaats. Dit gebeurt op basis van objectieve criteria (toepassing afspiegelingsbeginsel per categorie uitwisselbare functies). Indien er vervolgens een functie vacant is of binnen de termijn bedoeld in artikel 9 wordt, dient aan de hand van een beoordeling van de geschiktheid van de werknemer voor deze functie te worden bepaald of de functie voor hem/haar een passende functie is. Het begrip ‘passende functie’ is derhalve anders en ruimer dan het begrip ‘uitwisselbare functie’.”
De Hoge Raad heeft in de KLM-beschikking van 15 februari 2019 (ECLI:NL:HR:2019:229, ro. 3.4.5) over de uitwisselbaarheid van functies – samengevat overwogen – “dat uit de toelichting op artikel 13 Ontslagregeling kan worden afgeleid dat het bij de beoordeling van de uitwisselbaarheid van functies gaat om een objectieve, niet aan een individuele werknemer gekoppelde, vergelijking van de functies. Het gaat er dus niet om hoe een individuele werknemer een functie in de praktijk uitoefent, noch of een bepaalde werknemer zowel de ene als de andere functie kan vervullen. Dat het gaat om de functie en niet om de werknemer, betekent niet dat de functie-inhoud en de daarvoor vereiste kennis, vaardigheden en competenties uitsluitend mogen worden vastgesteld aan de hand van de functiebeschrijving, al zal deze beschrijving doorgaans wel een belangrijke bron van informatie zijn. Naast de functiebeschrijving kunnen alle omstandigheden van belang zijn die op de gezichtspunten, genoemd in artikel 13 Ontslagregeling, een licht kunnen werpen, zoals wat de functie in de praktijk in het algemeen behelst en onder welke algemene omstandigheden de functie moet worden uitgeoefend. Het gaat er bij de beoordeling van uitwisselbaarheid immers om dat een vergelijking tussen functies wordt gemaakt op basis van de werkelijke inhoud ervan.”
werkelijke functie-inhoud
De vraag die partijen met name verdeeld houdt is of de functie van [verzoeker] als Head of Crystallography als genoemd in de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] een unieke functie was, met – ook in de praktijk – andere (management)taken dan die van een senior scientist. Zoals uit voorgaande overwegingen volgt is voor de beantwoording van deze vraag doorslaggevend wat de functie van [verzoeker] daadwerkelijk inhield en niet zozeer de functietitel als genoemd in zijn arbeidsovereenkomst.
Anders dan [verzoeker] betoogt is voor de beoordeling van de uitwisselbaarheid van de functie van Head of Crystallography en die van senior scientist niet relevant dat [verzoeker] in staat was om zowel de ene als de andere functie uit te oefenen. Het gaat immers niet om de uitwisselbaarheid van een specifieke werknemer maar om de uitwisselbaarheid van de betreffende functie. Dat, zoals de Hoge Raad in voornoemde beschikking heeft overwogen, de functieomschrijving een belangrijke bron van informatie kan zijn, maakt omgekeerd niet – zoals [verzoeker] lijkt te betogen – dat het ontbreken van een functieomschrijving van Head of Crystallography een aanwijzing is dat in feite sprake was van de functie van senior scientist, omdat daarvoor wel een functieomschrijving bestond.
Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag in hoeverre [verzoeker] in zijn hoedanigheid van Head of Chrystallography daadwerkelijk management- en leidinggevende taken heeft uitgeoefend. Dergelijke taken behoren binnen de organisatie van Zobio tot de taken van iemand die de functie van ‘Head of’ vervult. [verzoeker] meent dat hij die taken niet heeft gehad maar feitelijk zonder die taken en verantwoordelijkheden op het niveau van senior scientist, of scientist, heeft gefunctioneerd.
Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoeker] bij de aanvang van de arbeidsovereenkomst belast was met het opzetten van het chrystallography laboratorium en dat hij in dat kader mede verantwoordelijk was voor het aannemen en aansturen van personeel. Voor zover [verzoeker] heeft betoogd dat tot zijn functie als Head of Chrystallography nooit werkzaamheden hebben behoord die deze functie onderscheiden van die van een senior scientist, gaat dat reeds daarom niet op. [verzoeker] heeft vervolgens betoogd dat voormelde taken na de opstartfase van het laboratorium ophielden, althans dat hij in elk geval feitelijk de functie van senior scientist uitoefende nadat in de zomer van 2019 de afdeling Crystallography onderdeel ging uitmaken van de afdeling Structural Biology met een eigen ‘Head of’. Naar het oordeel van het hof is echter in voldoende mate komen vast te staan dat [verzoeker] ook na de eerste opstartfase leidinggevende en managementtaken bleef verrichten. Daartoe overweegt het hof het volgende.
[naam 1] werd, na een reorganisatie binnen ZoBio, vanaf juni 2019 Head of Structural Biology. [naam 1] heeft in haar schriftelijke verklaring van 19 juni 2026 (productie HB-6 aan de zijde van ZoBio) uiteengezet wat de functie van [verzoeker] inhield na deze reorganisatie. Ter zitting is deze schriftelijke verklaring uitvoerig aan [verzoeker] voorgehouden en is aan hem om een reactie gevraagd. [verzoeker] en zijn advocaat hebben de verklaring van [naam 1] niet (gemotiveerd) weersproken, zodat het hof uitgaat van de juistheid van deze verklaring.
[naam 1] heeft – samengevat – het volgende verklaard. Na de reorganisatie bestond de nieuwe afdeling Structural Biology uit twee afzonderlijk van elkaar functionerende subgroepen, waarvan Crystallography er één was. [verzoeker] bleef hoofd van Crystallography en was in die hoedanigheid verantwoordelijk voor de operationele en strategische leiding van deze subgroep. [naam 1] had als hoofd van Structural Biology één op één vergaderingen met [verzoeker] in zijn hoedanigheid van hoofd van Crystallography, en besprak met hem strategie en operationele onderwerpen. Zij voerde samen met [verzoeker] strategiebesprekingen met het ‘senior management’. Dit senior management nam de uiteindelijke beslissing over significante investeringen, maar de uitvoering daarvan viel onder de verantwoordelijkheid van [verzoeker] , aldus [naam 1] . Voorts heeft zij verklaard dat [verzoeker] het aanspreekpunt was binnen de subgroep en dat hij de primaire contactpersoon was voor elk nieuw project binnen Crystallography. Hij was verantwoordelijk voor het werven van personeel van zijn subgroep en voor de ontwikkeling en strategisch leiderschap. Kortom, uit de verklaring van [naam 1] valt af te leiden dat de [verzoeker] management en leidinggevende taken verrichtte en dat de reorganisatie in de zomer van 2019 hierin geen verandering heeft gebracht.
Voornoemde verklaring vindt steun in de door ZoBio overgelegde e-mails (producties HB-5 aan de zijde van ZoBio) afkomstig van en gericht aan [verzoeker] . Deze e-mails betreffen onder meer strategie, rekrutering, uitbreiding van het laboratorium, doorgeven van klachten van medewerkers binnen de subgroep (over een computerstoring en niet deugdelijk functionerende temperatuurregeling van het laboratorium), en beslaan een periode van april 2020 tot en met april 2021. Uit deze e-mails volgt dat [verzoeker] handelde als hoofd van zijn afdeling, niet alleen door het voeren van zijn functietitel, maar ook door zich inhoudelijk als manager / leidinggevende op te stellen. Daarnaast presenteerde [verzoeker] zichzelf consequent, zowel intern als extern, als Head of Crystallography. Zo stond deze functie standaard onderaan zijn e-mailberichten.
Kortom, [verzoeker] verrichtte daadwerkelijk andere taken dan een senior scientist, waardoor zijn functie van Head of Crystallography als een unieke functie moet worden aangemerkt. Het betrof geen uitwisselbare functie, zodat er ook geen grond is voor toepassing van het afspiegelingsbeginsel. De discussie tussen partijen hoeveel tijd precies gemoeid was met de management en leidinggevende taken van [verzoeker] kan gelet op het voorgaande in het midden blijven.
Anders dan [verzoeker] betoogt doet aan voornoemd oordeel niet af dat hij niet tot het ‘senior’ management van ZoBio behoorde. Er waren, en zijn ook thans nog, binnen ZoBio drie managers. Daarnaast waren er de zogenoemde ‘Head of’- functies, zoals onder andere [verzoeker] die bekleedde. Het gaat dan om leidinggevenden binnen ZoBio zonder budgetverantwoordelijkheid en zonder (of met slechts beperkte) beslissingsbevoegdheid. Dat betekent echter niet dat een ‘Head of’ daarmee geen leidinggevende was. Evenmin doet hieraan af dat [verzoeker] nog een ‘Head of’ boven zich geplaatst zag. Zie in dit verband de hiervoor aangehaalde en onvoldoende gemotiveerd betwiste verklaring van [naam 1] . ziekte [verzoeker]
heeft nog aangevoerd dat, omdat hij ziek was en er geen sprake meer was van loondoorbetaling, er geen bedrijfseconomische redenen waren voor zijn ontslag. [verzoeker] miskent dat het in deze beoordeling gaat om de functie en niet om de persoon die de functie in concreto uitoefent. Bepalend voor de afspiegelingsregel is dat het gaat om uitwisselbaarheid van functies, dus niet van medewerkers. Voor zover [verzoeker] met zijn derde grief heeft willen betogen dat zijn functie niet boventallig had mogen worden verklaard omdat hiervoor geen bedrijfseconomische redenen waren, is dit bovendien een gepasseerd station. Immers, zoals hiervoor reeds vastgesteld, heeft [verzoeker] in hoger beroep expliciet aangegeven de bedrijfseconomische gronden niet langer te betwisten. slotsom
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door [verzoeker] aangevoerde grieven 1 tot en met 5 falen.
Herplaatsing
[verzoeker] heeft betoogd dat ZoBio onvoldoende herplaatsingsinspanningen heeft verricht en dat er wel degelijk passende functies beschikbaar waren, te weten de functie van scientist. ZoBio heeft dit gemotiveerd weersproken.
Bij de beoordeling van de vraag of ZoBio heeft voldaan aan het herplaatsingsvereiste stelt het hof het volgende voorop. Op grond van het bepaalde in artikel 7:669 lid 1 BW is voor een rechtsgeldige opzegging van de arbeidsovereenkomst, naast een redelijke grond voor ontslag, tevens vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Zoals de Hoge Raad oordeelde in de SIEP-beschikking (HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:64) moet worden aangenomen dat de herplaatsingsplicht geen resultaatsverplichting maar een inspanningsverplichting van de werkgever tot herplaatsing in het leven roept. Het gaat daarbij om hetgeen in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd. Hieruit volgt, aldus de Hoge Raad, dat het bij de beantwoording van de vraag of herplaatsing niet in de rede ligt, niet enkel gaat om omstandigheden die niet-herplaatsing vanzelfsprekend doen zijn, maar dat daarbij ook redelijkheidsargumenten een rol kunnen spelen. Daarmee wordt de werkgever een zekere beoordelingsruimte gelaten. De artikelen 9 en 10 van de Ontslagregeling zijn hierbij van belang.
Naar het oordeel van het hof heeft ZoBio voldaan aan de op haar rustende inspanningsverplichting. Daartoe overweegt het hof als volgt. [verzoeker] was niet de enige werknemer waarvan de arbeidsovereenkomst werd beëindigd. Wegens bedrijfseconomische omstandigheden heeft ZoBio ook voor vijf andere werknemers een (voorlopige) ontslagvergunning aangevraagd. Met deze vijf werknemers heeft ZoBio overeenstemming bereikt over het beëindigen van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. Uit het aan het UWV overgelegde organigram volgt dat ZoBio ten tijde van de reorganisatie een onderneming was met 41,5 FTE en alleen een vestiging in Leiden. Ten gevolge van de reorganisatie zou het personeelsbestand verminderd worden tot 33,6 FTE, een aanzienlijke reductie van circa 20% dus. Het ligt voor de hand dat de mogelijkheden tot herplaatsing gelet op de omvang van het bedrijf en deze inkrimping beperkt(er) waren. [verzoeker] heeft betoogd dat die mogelijkheid er wel was omdat hij de functie die voorheen werd bekleed door (niet senior) scientist [naam 2] kon gaan innemen. Ter beoordeling staat dan of, als deze functie beschikbaar was -ZoBio betwist dat-, ZoBio gehouden was [verzoeker] in deze functie te herplaatsen (en dus of die herplaatsing in de rede lag). Zoals hiervoor reeds overwogen komt aan de werkgever een zekere beoordelingsruimte toe en ligt de keuze bij de werkgever wie de meest geschikte kandidaat is voor een mogelijke herplaatsingsfunctie. Dit betekent dat, als de vacature er was of op korte termijn zou ontstaan, ZoBio niet verplicht was om juist [verzoeker] in deze functie te herplaatsen. Dit geldt temeer omdat het een lagere functie betrof: [verzoeker] vervulde immers een ‘Head of’ en geen scientist functie, zodat herplaatsing van hem in een dergelijke functie ook niet voor de hand lag. [verzoeker] heeft erkend dat de functie van [naam 2] lager was. Tot slot heeft [verzoeker] onvoldoende betwist het betoog van ZoBio dat zij ook binnen het concern waarvan zij deel uitmaakt naar vacatures heeft gezocht en dat die niet aanwezig zijn.
Het voorgaande geldt ook als rekening wordt gehouden met de op grond van artikel 10 lid 1 jo. lid 3 sub b Ontslagregeling geldende langere redelijke termijn voor herplaatsing van 26 weken vanwege de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] . Nergens is immers uit gebleken dat er binnen die 26 weken wel een functie was ten aanzien waarvan de herplaatsing van [verzoeker] in de rede lag.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat grieven 6 en 7 falen.
Geen billijke vergoeding
[verzoeker] verzoekt om toekenning van een billijke vergoeding – en in het verlengde daarvan om een bruto/netto overzicht ter zake – en voert daartoe aan dat ZoBio de arbeidsovereenkomst in strijd met artikel 7:669 lid 3 sub a BW heeft opgezegd. ZoBio heeft dit gemotiveerd weersproken.
Voorop staat dat uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat ZoBio de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] na verkregen toestemming van het UWV heeft kunnen opzeggen op de a-grond. Een billijke vergoeding op basis van art. 7:682 lid 1 onder b BW is dus niet aan de orde. In het opschrift van de memorie van grieven noemt [verzoeker] nog artikel 7:683 lid 3 BW. Voor zover hij meent dat deze bepaling de grondslag voor een billijke vergoeding kan zijn overweegt het hof nog, ten overvloede, als volgt. Artikel 7:683 lid 3 BW kan in deze zaak al niet als grondslag voor een billijke vergoeding dienen omdat geen sprake is van een door de kantonrechter ten onrechte toegewezen ontbinding of een door de kantonrechter ten onrechte afgewezen verzoek om vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst.
Dit betekent dat ook grief 8 faalt.
Onderzoeksapparatuur
Tussen partijen is ook in geschil of ZoBio in overeenstemming met de beschikking de zaak bedoeld onder 19 op de lijst volledig aan [verzoeker] heeft geretourneerd. Het gaat om de Illumination source UV Solid State Laser UV-F-320-5mW (verder: zaak 19). [verzoeker] heeft betoogd dat de bijbehorende adapter ontbreekt. ZoBio heeft dit gemotiveerd betwist.
Uit het overzicht van 2 december 2025 (productie HB-3 aan de zijde van ZoBio) blijkt dat [verzoeker] diezelfde dag heeft getekend voor de ontvangst en acceptatie van onder meer zaak 19. Later op die dag heeft [verzoeker] per e-mail (productie 59 aan de zijde van [verzoeker] ) aan ZoBio laten weten dat de bijbehorende adapter miste. Zoals ZoBio ook heeft aangevoerd in deze procedure, heeft zij hierop – bij e-mail van 19 december 2025 (productie 59 aan de zijde van [verzoeker] ) – laten weten volledig aan de beschikking te hebben voldaan door alle daarin genoemde zaken aan [verzoeker] af te geven en de genoemde adapter niet onder zich te hebben. Nu [verzoeker] afgifte verzoekt van een volgens hem missend onderdeel van zaak 19, ligt het op zijn weg te onderbouwen dat ZoBio hierover beschikt. Dit heeft hij echter onvoldoende gedaan. Dit betekent dat grond ontbreekt voor de toekenning van dit verzoek.
Daarnaast heeft [verzoeker] verzocht om vervangende schadevergoeding. Hij betoogt dat de zaken 1 t/m 5, 11 en 12 op de lijst, door [verzoeker] aangeduid als de ‘Crystal farms’, van hem waren en dat hij, nu deze kennelijk niet meer bij ZoBio aanwezig zijn, aanspraak heeft op vervangende schadevergoeding ter zake. Wat er verder zij van de discussie over de eigendom van deze zaken, heeft [verzoeker] naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd dat hij, door niet meer over deze zaken te kunnen beschikken, schade heeft geleden. Het hof overweegt het volgende.
Productie 26 bij verzoekschrift in eerste aanleg bevat onder meer een verklaring van Beat Blattman van Biochemisches Institut van Universität Zürich van 17 december 2018, waarin deze Blattman aangeeft voornoemde ‘Crystal farms’ aan [verzoeker] ter beschikking te hebben gesteld en dat deze zaken geen commerciële waarde hebben:
“The instruments listed contain only disposal/recycling items and have no commercial value.”
Ter zitting heeft [verzoeker] desgevraagd aangegeven dat hij in zijn werktijd bij ZoBio ten behoeve van het laboratorium deze onderzoeksapparatuur operationeel heeft gemaakt. Hieruit volgt dat als al sprake zou zijn van enige waardevermeerdering van deze onderzoeksapparatuur boven het niveau van ‘geen commerciële waarde’, het nog maar de vraag is of die waardevermeerdering aan [verzoeker] of aan zijn werkgever zou toekomen. Nu dat niet is toegelicht, is niet duidelijk waarom het resultaat van zijn arbeidsinspanningen, als dat positief zou zijn voor de waarde, aan hem persoonlijk zou toekomen. Het hof kan dus niet tot uitgangspunt nemen dat [verzoeker] schade heeft geleden door het verloren gaan van deze apparatuur. Bovendien heeft [verzoeker] onvoldoende gemotiveerd weersproken het standpunt van ZoBio die, mede onder verwijzing naar een overgelegde factuur (productie 24 bij verweerschrift in hoger beroep), heeft betoogd dat deze onderzoeksapparatuur niet functioneel bleek, zelfs niet nadat zij getracht had deze te laten repareren.
Dit leidt tot de conclusie dat de [verzoeker] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij schade heeft geleden, zodat reeds op die grond zijn verzoek om toekenning van een schadevergoeding ter zake zal worden afgewezen.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat grief 9 wordt verworpen.
Kosten van juridische bijstand.
Het hof ziet geen aanleiding voor de toewijzing van een vergoeding van juridische kosten. Hiervoor is slechts plaats in geval van onrechtmatig procederen dan wel misbruik van procesrecht (zie Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV788 (Duka/Achmea) en Hoge Raad 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2366 waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure terughoudendheid past, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM). Hiervan is geen sprake en deze kosten zijn reeds om die reden niet toewijsbaar. Dit betekent dat grief 10 faalt.
Proceskosten
De kantonrechter heeft [verzoeker] terecht in het ongelijk gesteld en hem daarmee ook terecht veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg. Dit betekent dat ook grief 11 wordt verworpen.
Conclusie en proceskosten
De conclusie is dat het hoger beroep van [verzoeker] niet slaagt. Daarom zal het hof de beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen. Het hof zal [verzoeker] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. De door ZoBio verzochte proceskostenveroordeling in eerste aanleg wordt afgewezen, omdat deze reeds door de kantonrechter is toegewezen en de beschikking wordt bekrachtigd.
Die proceskosten worden begroot op:
griffierecht € 851,-
salaris advocaat € 2.580,- (2 punten × tarief II)
nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.609,-
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
7. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, locatie Leiden, van 12 november 2025;
veroordeelt [verzoeker] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van ZoBio begroot op € 3.609,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [verzoeker] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
bepaalt dat als [verzoeker] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, [verzoeker] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
verklaart deze beschikking ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevraagd.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.I. Mentink, M.T. Nijhuis en P.J.B.M. Besselink en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Bij afwezigheid van de voorzitter getekend door de oudste rechter.