GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.346.945/01
Zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/704424 / HA ZA 21-638
Zaaknummer hof Amsterdam : 200.310.299/01
Zaaknummer Hoge Raad : 23/02925
Arrest van 21 juli 2026 (na verwijzing door de Hoge Raad)
in de zaak van
DST Global Solutions (Realty) Limited,
gevestigd in Surrey, Verenigd Koninkrijk,
appellante,
advocaten: mrs. R.G.J. de Haan en F.C. Perrick, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen
Ponte Vecchio Beheer B.V.,
gevestigd in Uithoorn,
geïntimeerde,
advocaat: mr. A. Das Gupta, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna DST en PVB.
1. De zaak in het kort
PVB heeft in 2001 haar dochteronderneming Ponte Vecchio B.V. voor $ 4 miljoen verkocht aan DST. DST heeft de koopprijs niet betaald. In 2018 heeft het hof Den Haag DST veroordeeld tot betaling van $ 4 miljoen en de wettelijke rente daarover met ingang van 7 maart 2002. DST heeft op 13 april 2018 aan deze veroordeling voldaan. De koers van de US dollar ten opzichte van de euro was toen lager dan op 7 maart 2002, de dag waarop DST had moeten betalen. PVB vordert daarom koerswijzigingsschade van DST.
De rechtbank Amsterdam heeft DST veroordeeld tot betaling aan PVB van een bedrag van € 1.293.421,- aan koerswijzigingsschade, plus de wettelijke rente daarover met ingang van 7 maart 2002. Het hof Amsterdam heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de gevorderde koerswijzigingsschade alsnog afgewezen. De Hoge Raad heeft die uitspraak echter vernietigd en de zaak verwezen naar dit hof ter verdere behandeling en beslissing.
Het hof is van oordeel dat PVB koerswijzigingsschade heeft geleden en begroot deze schade (abstract) op € 1.293.421,- (net zoals de rechtbank Amsterdam). Het hof bekrachtigt daarom de veroordeling van DST tot betaling van dit bedrag aan PVB door de rechtbank Amsterdam. Het hof wijst de wettelijke rente daarover toe met ingang van 13 april 2018, en niet met ingang van 7 maart 2002 zoals gevorderd door PVB en toegewezen door de rechtbank Amsterdam. Alleen in zoverre wordt het vonnis van de rechtbank Amsterdam vernietigd.
2. Procesverloop in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
het arrest van de Hoge Raad van 20 september 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1258) waarin het arrest van het hof Amsterdam van 16 mei 2023 (ECLI:NL:GHAMS:2023:1496, hierna: het arrest van het hof Amsterdam) is vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beoordeling naar dit hof is verwezen;
het exploot houdende oproeping na verwijzing ex artikel 423 Rv van PVB;
de akte na verwijzing van PVB;
de memorie na verwijzing van DST;
de bijlagen die partijen ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling hebben overgelegd; productie 5 aan de zijde van PVB (jaarrekening PVB 2018) en producties 7 en 8 aan de zijde van DST (opinies van prof. mr. W.H. van Boom en van prof. mr. A.G. Castermans).
Op 20 mei 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
3. Feitelijke achtergrond
Partijen hebben in 2001 een koopovereenkomst gesloten op basis waarvan PVB voor een koopprijs van $ 4.000.000,- (US dollar) de aandelen in haar dochteronderneming Ponte Vecchio B.V. heeft verkocht aan DST.
DST heeft geweigerd de koopprijs te betalen, omdat de software van Ponte Vecchio B.V. volgens haar niet voldeed aan de tussen partijen overeengekomen criteria. Partijen hebben hierover procedures gevoerd bij de rechtbank Amsterdam, de rechtbank Noord-Holland, het hof Amsterdam en de Hoge Raad. In zijn arrest van 21 december 2007 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof Amsterdam vernietigd en de zaak verwezen naar het hof Den Haag. Bij eindarrest van 30 januari 2018 heeft het hof Den Haag DST veroordeeld tot betaling aan PVB van $ 4.000.000,-, de wettelijke rente daarover vanaf 7 maart 2002 tot en met de dag der algehele voldoening en de proceskosten (hierna: het eindarrest van het hof Den Haag in 2018). Deze uitspraak is in kracht van gewijsde gegaan.
Op 10 april 2018 hebben (de advocaten van) partijen met elkaar gemaild over de betaling van het bedrag waartoe DST was veroordeeld. (De advocaat van) PVB heeft het rekeningnummer van PVB doorgegeven en geschreven “Aan die rekening hangt een eurorekening én (volgens cliënte over een paar dagen) ook een dollarrekening”.
DST heeft op 13 april 2018 het bedrag van $ 4.000.000,- en de wettelijke rente daarover aan PVB betaald. De tegenwaarde van $ 4.000.000,- bedroeg op dat moment € 3.252.032,-.
Bij brief van 13 december 2019 heeft PVB DST gesommeerd om haar uiterlijk op 30 december 2019 een bedrag aan koerswijzigingsschade vermeerderd met rente te betalen. DST heeft deze claim van PVB bij brief van 24 januari 2020 afgewezen.
4. Procedure bij de rechtbank
PVB heeft bij dagvaarding van 5 augustus 2020 gevorderd dat DST bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot:
- vergoeding van € 2.408.424,92 (bestaande uit door PVB geleden koerswijzigingsschade van € 1.293.421,- en de wettelijke rente daarover van 7 maart 2002 tot en met 13 april 2018 van € 1.115.003,92), te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 13 april 2018 tot de dag van algehele voldoening;
- betaling van buitengerechtelijke incassokosten van € 6.775,-;
- betaling van de proceskosten, inclusief nakosten.
De rechtbank Amsterdam heeft DST veroordeeld tot betaling aan PVB van € 1.293.421,- aan koerswijzigingsschade, de wettelijke rente daarover vanaf 7 maart 2002 tot de dag van voldoening en de proceskosten (vonnis rechtbank Amsterdam van 23 februari 2022, gepubliceerd onder: ECLI:NL:RBAMS:2022:848, hierna: het vonnis).
5. Vorderingen in hoger beroep
DST heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis en gevorderd dat het hof Amsterdam alsnog bepaalt, primair: dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen van PVB, en subsidiair: die vorderingen alsnog afwijst. DST heeft daartoe het volgende aangevoerd (samengevat weergegeven):
de Nederlandse rechter is niet bevoegd om van de vordering van PVB kennis te nemen (grief 1);
de vordering tot vergoeding van koerswijzigingsschade is al onderwerp van geschil geweest; deze vordering is afgewezen in het eindarrest van het hof Den Haag in 2018, dat kracht van gewijsde heeft (grief 2);
de vordering van PVB is verjaard (grief 3);
PVB heeft geen koerswijzigingsschade geleden (grief 4), en
de rechtbank Amsterdam heeft ten onrechte wettelijke rente met ingang van 7 maart 2022 over de koerswijzigingsschade toegewezen (grief 5).
6. Beslissingen van het hof Amsterdam en de Hoge Raad
Het hof Amsterdam heeft het vonnis vernietigd en PVB veroordeeld tot terugbetaling van al hetgeen DST ter uitvoering van het vonnis aan PVB heeft voldaan. Daartoe is onder meer overwogen:
“5.9. Het hof laat in het midden of PVB - in het hypothetische geval dat DST tijdig zou hebben betaald - op 7 maart 2002 de US dollars voor euro’s zou hebben ingewisseld en overweegt ten aanzien van de feitelijke (vermogens)situatie van PVB op 13 april 2018 als volgt. In eerste aanleg heeft (de bestuurder van) PVB tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat PVB het gehele door haar op 13 april 2018 van DST ontvangen bedrag van $ 4.000.000 plus de wettelijke rente op dezelfde dag heeft ingewisseld voor euro’s. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft (dezelfde bestuurder van) PVB echter verklaard dat PVB een substantieel deel van dat bedrag in US dollars heeft doorbetaald aan een van haar aandeelhouders. Het hof stelt vast dat alleen de gestelde schade van PVB zelf - en niet de eventuele schade van haar aandeelhouders - in deze zaak ter beoordeling voorligt en dat PVB in ieder geval over het substantiële deel van het bedrag van $ 4.000.000 plus de wettelijke rente dat zij in US dollars heeft doorbetaald, in het geheel geen koerswijzigingsschade heeft geleden. PVB heeft voor het overige deel van het ontvangen bedrag nagelaten (de omvang van) haar gestelde koerswijzigingsschade nader te onderbouwen, terwijl dit wel op haar weg had gelegen. Niet alleen rust op haar daarvan de stelplicht en de bewijslast, maar bovendien is onweersproken dat DST de gestelde koerswijzigingsschade van meet af aan heeft betwist en al voorafgaand aan deze procedure aan PVB heeft gevraagd haar gestelde schade inzichtelijk te maken. In eerste aanleg en ook in de memorie van grieven heeft DST voor dit punt nadrukkelijk aandacht gevraagd. PVB heeft echter in de memorie van antwoord noch op de mondelinge behandeling van het hof haar (nieuwe) stelling dat zij (een deel van) de ontvangen US dollars op 13 april 2018 heeft omgezet in euro’s voldoende onderbouwd. Een deugdelijke reden heeft zij daarvoor niet gegeven. Het hof ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om PVB in deze stand van de procedure alsnog in de gelegenheid te stellen om haar stelling over de omvang van haar schade te concretiseren. Aan bewijslevering komt het hof dan niet toe.
Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat PVB koerswijzigingsschade heeft geleden. De grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank Amsterdam dat PVB werkelijk koerswijzigingsschade heeft geleden, slaagt dus en het bestreden vonnis zal worden vernietigd. De overige grieven behoeven dan geen bespreking meer.”
PVB heeft cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof Amsterdam. De Hoge Raad heeft het arrest van het hof Amsterdam vernietigd en onder meer overwogen (citaat exclusief voetnoten):
“3.2.1 De schuldeiser heeft niet alleen recht op wettelijke rente, maar ook op vergoeding van de schade die hij heeft geleden doordat na het intreden van het verzuim de koers van het geld tot betaling waarvan de verbintenis strekt, zich ten opzichte van de koers van het geld van een of meer andere landen heeft gewijzigd (art. 6:125 lid 1 BW). Dit recht op vergoeding bestaat niet indien de verbintenis strekt tot betaling van Nederlands geld, de betaling in Nederland moet geschieden en de schuldeiser op het tijdstip van het ontstaan van de verbintenis zijn woonplaats in Nederland had (art. 6:125 lid 2 BW). De stelplicht en de bewijslast van het bestaan en de omvang van de koerswijzigingsschade rusten op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv op de schuldeiser.
Aan de hand van de bepalingen uit de afdelingen 6.1.9 en 6.1.10 BW dient te worden vastgesteld of de schuldeiser koerswijzigingsschade heeft geleden, wat de omvang van die schade is en of de schuldenaar die schade volledig moet vergoeden.
Voor het aannemen van het bestaan van koerswijzigingsschade is in beginsel voldoende dat de koers van het geld tot betaling waarvan de verbintenis strekt, is veranderd op voor de schuldeiser nadelige wijze ten opzichte van het geld van een ander land en dat de waarde van het geld van dat andere land voor de schuldeiser relevant is. Of de waarde van het geld van dat andere land voor de schuldeiser relevant is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de woon- of vestigingsplaats van de schuldeiser en de valuta waarin hij zijn transacties gewoonlijk afwikkelt.
De omvang van de schade bestaat, gelet op art. 6:125 BW, in beginsel uit het verschil tussen de waarde van de betaling tegen de koers op het moment van intreden van het verzuim, en de waarde tegen de koers op het moment van betaling. Het staat de rechter vrij bij de begroting van de koerswijzigingsschade op de voet van art. 6:97 BW in zekere mate te abstraheren van de concrete omstandigheden van het geval, in het bijzonder in commerciële verhoudingen.
Uit hetgeen hiervoor in 3.2.1 en 3.2.2 is overwogen volgt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat voor het aannemen van koerswijzigingsschade is vereist dat PVB het ontvangen bedrag op 13 april 2018 heeft omgewisseld in euro’s. Het oordeel van het hof dat PVB het bestaan van haar koerswijzigingsschade onvoldoende heeft toegelicht, bouwt voort op deze onjuiste rechtsopvatting, en kan reeds daarom niet in stand blijven. Verder is de enkele omstandigheid dat, zoals het hof overweegt in rov. 5.9, PVB een substantieel deel van het door haar op 13 april 2018 van DST ontvangen bedrag in US dollars heeft doorbetaald aan een van haar aandeelhouders, niet zonder meer reden om aan te nemen dat PVB in zoverre geen koerswijzigingsschade heeft geleden, nu het hof niet heeft vastgesteld dat de betaling aan haar aandeelhouder betrekking had op een verbintenis van PVB die strekt tot betaling in dollars. Voorts heeft het hof niet gerespondeerd op de stellingen van PVB dat zij een Nederlandse vennootschap is, in Nederland is gevestigd en haar transacties in euro’s pleegt af te wikkelen, welke stellingen van belang zijn bij de beoordeling of de koers van de US dollar ten opzichte van de euro voor PVB relevant was. De hiervoor in 3.1 weergegeven klachten slagen dus.”
7. Beoordeling in hoger beroep na verwijzing
Inleiding
Het hof dient als verwijzingsrechter de behandeling en (her)beoordeling van het geding voort te zetten in de stand waarin het geding zich bevond voordat het arrest van het hof Amsterdam werd gewezen, met inachtneming van wat de Hoge Raad heeft beslist. Dat betekent dat dit hof moet beoordelen of PVB koerswijzigingsschade heeft geleden en, als dat het geval is, wat daarvan de omvang is. Daarbij moet tevens acht worden geslagen op het beroep van DST op het gezag van gewijsde en op verjaring (zie hiervoor onder 5.1).
De bevoegdheid van de Nederlandse rechter staat niet meer ter discussie, zoals DST tijdens de mondelinge behandeling op 20 mei 2026 desgevraagd heeft bevestigd. Zij heeft grief 1 bij die gelegenheid ingetrokken. Deze grief blijft daarom onbesproken.
Bestaan koerswijzigingsschade (grief 4)
Het hof is van oordeel dat PVB koerswijzigingsschade heeft geleden, omdat de koers van de US dollar op het moment van de betaling van de koopprijs door DST, op nadelige wijze is veranderd ten opzichte van de koers van de euro, die voor PVB relevant is.
Dat de koers c.q. waarde van de euro voor PVB relevant is, volgt naar het oordeel van het hof uit de hierna volgende omstandigheden (die door PVB zijn aangevoerd en door de rechtbank als feit zijn vastgesteld):
PVB is een Nederlandse vennootschap;
PVB is in Nederland gevestigd;
PVB heeft na het eindarrest van het hof Den Haag in 2018 een dollarrekening geopend om daarop de koopprijs in US dollars van DST te ontvangen;
alle (andere) bedrijfsactiviteiten van PVB speelden zich in euro’s af.
Dat de euro de relevante munteenheid is voor PVB, volgt temeer uit de omstandigheden dat PVB haar administratie voert in euro’s en Nederlandse aandeelhouders heeft. Een en ander blijkt uit de door PVB overgelegde jaarrekening 2018. PVB heeft in dit kader tijdens de mondelinge behandeling op 20 mei 2026 gewezen op de volgende passage in de toelichting op die jaarrekening: “De posten in de jaarrekening van de organisatie worden gewaardeerd met inachtneming van de valuta van de economische omgeving waarin de vennootschap haar bedrijfsactiviteiten voornamelijk uitoefent (de functionele valuta). De jaarrekening is opgesteld in euro’s; dit is zowel de functionele als de presentatievaluta van de organisatie.”.
Het hof verwerpt gelet op het voorgaande het betoog van DST dat de relevantie van de eurokoers voor PVB niet is komen vast te staan. De argumenten die DST in dat kader heeft aangedragen, gaan niet op, zoals het hof hierna toelicht.
DST heeft tijdens de mondelinge behandeling na verwijzing alsnog naar voren gebracht dat “niet voor de hand ligt” dat PVB transacties gewoonlijk in euro’s afwikkelt, omdat PVB een holdingmaatschappij is die weinig tot geen activiteiten had en heeft. Deze stelling is te laat aangevoerd en wordt daarom buiten beschouwing gelaten. In r.o. 4.15 van het vonnis is vastgesteld dat alle (andere) bedrijfsactiviteiten van PVB zich afspeelden in euro’s (“Naar het oordeel van de rechtbank wijst dit alles erop dat alle bedrijfsactiviteiten van PVB zich in euro’s afspeelden”). DST is niet tijdig (namelijk bij memorie van grieven) opgekomen tegen deze vaststelling. Zelfs in haar memorie na verwijzing heeft DST niet bestreden (zo dat nog tijdig zou zijn) dat PVB al haar (overige) zaken in euro’s deed; DST heeft bij die gelegenheid slechts aangevoerd dat deze omstandigheid niet voldoende is om de gepretendeerde koerswijzigingsschade aannemelijk te maken (zie memorie na verwijzing, par. 2.3).
Ten behoeve van de duidelijkheid overweegt het hof op dit onderdeel nog dat de vaststelling door de rechtbank Amsterdam dat alle (andere) bedrijfsactiviteiten van PVB zich in euro’s afspeelden, ook betrekking heeft op de periode april 2018. De rechtbank heeft bedoelde vaststelling immers mede gebaseerd op het feit dat “PVB pas ná het eindarrest in april 2018 een dollarrekening heeft geopend (…) om daarop de koopprijs van DST te ontvangen”. Overigens geldt dat, ook indien er met DST van wordt uitgegaan dat PVB in 2018 weinig tot geen activiteiten meer ontplooide, dat niet leidt tot een ander oordeel over de relevantie van de euro voor PVB, gelet op de andere omstandigheden die hiervoor zijn genoemd.
DST heeft tijdens de mondelinge behandeling na verwijzing ook nog gewezen op andere omstandigheden die er volgens haar toe leiden dat de relevantie van de euro voor PVB niet is komen vast te staan. Zo heeft DST (onder meer) naar voren gebracht dat partijen destijds hebben gekozen voor een koopprijs in US dollars, dat PVB ten behoeve van de ontvangst daarvan in 2018 een dollarrekening heeft geopend en op 10 april 2018 via haar advocaat kenbaar heeft gemaakt dat zij de hoofdsom in US dollars wenst te ontvangen. Ook heeft DST er op gewezen dat PVB een deel van het US dollarbedrag ($ 1.921.000,-) in de periode mei-juni 2018 heeft overgemaakt aan de Nederlandse onderneming DCG Holding B.V. Verder heeft DST (ook al eerder in de procedure) bij herhaling aangevoerd dat PVB te laat en ook onvoldoende openheid van zaken heeft gegeven over de wijze waarop zij de US dollars heeft aangewend.
Deze argumenten van DST laten naar het oordeel van het hof onverlet dat de euro de relevante munteenheid is voor PVB. De omstandigheid dat partijen destijds een koopprijs in US dollars zijn overeengekomen, legt geen gewicht in de schaal, gelet op de vaststelling hiervoor dat alle andere bedrijfsactiviteiten van PVB zich afspeelden in euro’s. DST heeft overigens ook niet toegelicht waarom een koopprijs in US dollars is overeengekomen, en meer in het bijzonder niet gesteld dat PVB daar destijds op heeft aangedrongen. Ook de omstandigheden dat PVB de US dollars niet onmiddellijk heeft omgewisseld, maar heeft laten storten op een speciaal daartoe geopende US dollarrekening en daarna gedeeltelijk heeft betaald aan DCG Holding B.V., leiden niet tot een andere uitkomst. Relevant is niet of PVB betalingen heeft gedaan met de US dollars, maar of aan die betalingen verbintenissen ten grondslag lagen die strekten tot betaling in US dollars (zie r.o. 3.2.3 van het hiervoor onder 6.2 weergegeven arrest van de Hoge Raad). Er is geen enkele aanwijzing dat de betaling van PVB aan DCG Holding B.V. plaatsvond ter delging van een schuld van PVB in US dollars; DCG Holding B.V. is een van de Nederlandse aandeelhouders van PVB, zoals blijkt uit de jaarrekening 2018 van PVB.
Al met al duidt niets er op dat PVB - als in Nederland gevestigde Nederlandse vennootschap, met Nederlandse aandeelhouders, met bedrijfsactiviteiten in euro’s en met een administratie in euro’s - US dollarschulden had. Het hof ziet daarom geen aanleiding consequenties te verbinden aan de omstandigheid dat PVB weinig inzicht heeft gegeven in de wijze waarop zij de van DST ontvangen US dollars (gedeeltelijk) heeft aangewend. Het hof ziet ook geen aanleiding DST nog in de gelegenheid te stellen (tegen)bewijs te leveren, omdat DST geen feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die er op wijzen dat PVB een of meer US dollarschulden had. Het enkele feit dat een betaling in US dollars heeft plaatsgevonden (aan een Nederlandse aandeelhouder) is in de gegeven omstandigheden daarvoor onvoldoende.
Omvang koerswijzigingsschade (grief 4)
Het hof zal de koerswijzigingsschade abstract begroten, omdat deze wijze van schadeberekening het meest in overeenstemming is met de aard van de schade. Het gaat in deze zaak immers om schade die is geleden naar aanleiding van een aandelentransactie tussen een Engelse en een Nederlandse vennootschap, oftewel om een commerciële verhouding in het internationale handelsverkeer. Deze wijze van schadeberekening vindt steun in diverse internationale regelingen, zoals is uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal voorafgaand aan het arrest van de Hoge Raad. Bovendien komt een abstracte schadeberekening de voorspelbaarheid en rechtszekerheid ten goede; koersfluctuaties vóór het moment van betaling komen voor rekening van de schuldenaar en die daarna voor rekening van de schuldeiser. Het staat de schuldeiser daarmee ook vrij om te bepalen of en wanneer hij het betaalde bedrag omwisselt.
Het voorgaande betekent dat het hof zal abstraheren van de wijze waarop PVB het van DST ontvangen US dollarbedrag heeft aangewend. Het hof begroot de omvang van de schade op het verschil tussen de waarde van de koopsom van $ 4.000.000,- in euro’s tegen de koers op het moment van intreden van het verzuim (7 maart 2002) en de koers op het moment van betaling (13 april 2018). Vast staat dat de tegenwaarde van $ 4.000.000,- op 7 maart 2002 € 4.545.453,- bedroeg en op 13 april 2018 € 3.252.032,-. De koerswijzigingsschade bedraagt dus € 1.293.421,-, zoals ook door de rechtbank Amsterdam is geoordeeld.
Uit het voorgaande volgt dat niet relevant is of en in hoeverre PVB na 13 april 2018 een positief koersresultaat heeft behaald met het door DST betaalde US dollarbedrag. Het hof gaat daarom voorbij aan de (op zichzelf terechte) constatering van DST dat in de jaarrekening 2018 van PVB staat dat een “koersresultaat vreemde valuta” van € 270.382,- is behaald.
Ook verwerpt het hof het beroep van DST op eigen schuld aan de zijde van PVB. Tijdens de mondelinge behandeling van 20 mei 2026 heeft DST in dit kader gesteld, onder verwijzing naar de door haar overgelegde opinie van prof. mr. W.H. van Boom, dat de schuldeiser die een geldvordering in buitenlands geld heeft, terwijl voorzienbaar is dat de koers van het buitenlandse geld voorlopig zal blijven dalen ten opzichte van de Nederlandse munt, een schadebeperkingsplicht heeft door de schuldenaar te waarschuwen voor de gevolgen van een aanhoudende koerswijziging. Zo een dergelijke waarschuwingsplicht in algemene zin al bestaat, geldt die in dit geval niet. DST heeft in de eerste plaats niet toegelicht dat voorzienbaar was dat de US dollarkoers voorlopig zou blijven dalen. Voor zover dat wel voorzienbaar was, moet dat ook het geval zijn geweest voor DST als professionele partij - DST heeft in elk geval niet toegelicht dat en waarom voor PVB een aanhoudende koerswijziging voorzienbaar was en voor DST niet. Overigens is zonder toelichting, die ontbreekt, niet aannemelijk dat DST naar aanleiding van een waarschuwing van PVB tot betaling zou zijn overgegaan. DST heeft gedurende deze procedure van bijna zes jaar steeds betwist dat zij enige verplichting heeft tot vergoeding van koerswijzigingsschade.
Ingangsdatum wettelijke rente over koerswijzigingsschade (grief 5)
DST heeft een grief gericht tegen de toewijzing van de wettelijke rente met ingang van 7 maart 2002 door de rechtbank Amsterdam (grief 5, zie hiervoor onder 5.1). Die grief slaagt. RST heeft terecht als (subsidiair) verweer gevoerd dat de koerswijzigingsschade pas is ontstaan op 13 april 2018. De wettelijke rente over de koerswijzigingsschade kan daarom niet al met ingang van 7 maart 2002 worden toegewezen zoals de rechtbank Amsterdam heeft gedaan. Het hof licht dit hierna toe.
PVB heeft over de koerswijzigingsschade wettelijke rente gevorderd met ingang van 7 maart 2002. Zij betoogt dat de verplichting tot betaling van koerswijzigingsschade een nevenverplichting is van de hoofdverplichting om de koopprijs van $ 4.000.000,- te betalen, zodat met het intreden van het verzuim om de koopprijs te betalen (op 7 maart 2002), ook het verzuim is ingetreden om de koerswijzigingsschade te betalen. Dat betoog gaat niet op. De verplichting tot betaling van koerswijzigingsschade dient te worden onderscheiden van de verplichting tot betaling van de koopprijs; het feit dat de koopprijs niet tijdig wordt betaald, veroorzaakt op zichzelf geen koerswijzigingsschade. Of koerswijzigingsschade ontstaat is afhankelijk van de koers op het moment van daadwerkelijke betaling. DST heeft terecht aangevoerd dat de koerswijzigingsschade pas is ontstaan op 13 april 2018 en dat er vóór die datum nog geen verplichting bestond tot vergoeding van koerswijzigingsschade. DST is dus niet al op 7 maart 2002 in verzuim geraakt ter zake van die verplichting.
Het hof volgt DST echter niet in haar stelling dat het verzuim om koerswijzigingsschade te betalen pas is ontstaan op 30 december 2019, omdat PVB die datum als fatale termijn heeft gesteld in haar brief van 13 december 2019 (welke stelling is ingenomen in de memorie na verwijzing onder 3.7). De verplichting tot betaling van de koerswijzigingsschade is een verbintenis die strekt tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 6:74 lid 1 BW. Ingevolge artikel 6:83 sub a BW treedt het verzuim zonder ingebrekestelling in. DST lijkt dit ook te onderkennen in haar pleitnotities van 20 mei 2026 onder 3.8 e.v., waarbij zij verwijst naar de door haar overgelegde opinies van prof. mr. W.H. van Boom (par. 4) en prof. mr. A.G. Castermans (par. 23). Het verzuim ter zake van de verplichting tot betaling van de koerswijzigingsschade is daarom ingetreden op 13 april 2018. Het hof zal de wettelijke rente over de koerswijzigingsschade met ingang van die dag toewijzen, en het vonnis van de rechtbank Amsterdam in zoverre vernietigen.
Beroep DST op gezag van gewijsde (grief 2)
DST betoogt met grief 2 dat PVB al in haar dagvaarding van 17 september 2002 een vordering tot vergoeding van koerswijzigingsschade tegen DST heeft ingesteld. Zij verwijst in dit verband naar het petitum in de inleidende dagvaarding van PVB, waarin veroordeling van DST is gevorderd tot betaling van “US$ 4.000.000,--, dan wel de tegenwaarde tegen de koers van 7 maart 2002 in Euro’s”). DST betoogt verder dat die vordering (impliciet) is afgewezen in het eindarrest van het hof Den Haag in 2018, gelet op het dictum daarvan (afwijzing van “het meer of anders gevorderde”). Volgens DST stuit de vordering tot vergoeding van koerswijzigingsschade die PVB in de onderhavige procedure heeft ingesteld, af op de bindende kracht van het eindarrest van het hof Den Haag in 2018.
Het hof verwerpt de stelling van DST dat in het eindarrest van het hof Den Haag in 2018 al is geoordeeld over de vordering van PVB tot vergoeding van koerswijzigingsschade. PVB heeft destijds betaling van de koopprijs gevorderd in US dollars of - bij wijze van alternatief - het equivalent daarvan in euro’s. De alternatieve ‘eurovordering’ had dus ook betrekking op betaling van de koopprijs (schadevergoeding wegens niet betaling van de koopprijs) en niet op koerswijzigingsschade. Dat PVB later in de procedure (bij memorie na deskundigenbericht van 22 oktober 2013) heeft gesteld: “Het bedrag in euro's is bij wijze van alternatief in het petitum van de inleidende dagvaarding gevorderd. Daarmee is in feite de koerswaarde reeds ondervangen.” leidt niet tot een ander oordeel. Indien de alternatieve vordering zou zijn toegewezen en DST die zou hebben betaald, zou het gevolg daarvan zijn dat PVB geen koerswijzigingsschade zou hebben geleden, omdat PVB dan betaling in euro’s tegen de US dollarkoers van 7 maart 2002 zou hebben ontvangen. Daarmee kan die alternatieve vordering echter niet als een vordering tot koerswijzigingsschade worden gekwalificeerd, zoals DST betoogt, en de afwijzing van die alternatieve vordering betekent ook niet dat (expliciet dan wel impliciet) is geoordeeld over door PVB geleden koerswijzigingsschade. PVB heeft later in de procedure wel getracht een vordering tot koerswijzigingsschade aan haar vordering toe te voegen (door een eisvermeerdering bij memorie na verwijzing van 28 juni 2009), maar die eisvermeerdering is geweigerd (zoals DST stelt in haar memorie van grieven van 28 juni 2022 onder 3.5), en daarover is geen beslissing gegeven. Grief 2 faalt daarom.
Beroep DST op verjaring (grief 3)
DST heeft een grief gericht tegen de afwijzing door de rechtbank Amsterdam van haar beroep op verjaring (grief 3). Ook die grief faalt. De schade is pas ontstaan op 13 april 2018, zoals DST zelf stelt in de toelichting op de hiervoor besproken grief 5 (zie memorie van grieven van 28 juni 2022 onder 6.5). De schade was pas toen kenbaar en opeisbaar voor PVB, zodat de verjaringstermijn op dat moment is aangevangen. De verjaringstermijn is tijdig gestuit door de inleidende dagvaarding van 5 augustus 2020 van PVB.
DST heeft er op zichzelf terecht op gewezen dat PVB al vóór 13 april 2018 heeft getracht een vordering tot vergoeding van koerswijzigingsschade in te stellen, door middel van eerdergenoemde eisvermeerdering. Dat betekent echter niet dat die schade al eerder was ontstaan; PVB hield rekening met de mogelijkheid van koerswijzigingsschade in de toekomst. Dat PVB op doelmatigheidsgronden heeft getracht toekomstige schade te vorderen (op de voet van artikel 6:105 BW), leidt niet tot een eerdere aanvang van de verjaringstermijn.
Conclusie en proceskosten
De conclusie is dat het hoger beroep van DST gedeeltelijk slaagt. Het hof zal het vonnis gedeeltelijk vernietigen, aldus dat de ingangsdatum van de wettelijke rente over de koerswijzigingsschade wordt gesteld op 13 april 2018 in plaats van 7 maart 2002. Het hof laat de door de rechtbank in eerste aanleg uitgesproken hoofdveroordeling (betaling van € 1.293.421,-) en proceskostenveroordeling in stand. Omdat beide partijen gedeeltelijk in het (on)gelijk zijn gesteld, zal het hof de proceskosten in hoger beroep (na verwijzing) compenseren.
8. Beslissing
Het hof:
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 februari 2022 voor wat betreft de ingangsdatum van de wettelijke rente over het bedrag van € 1.293.421,- (7 maart 2002), en in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt DST tot betaling aan PVB van de wettelijke rente vanaf 13 april 2018 tot de dag van algehele voldoening over het bedrag van € 1.293.421,-;
- bekrachtigt het vonnis voor het overige;
- compenseert de proceskosten in hoger beroep;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. M.E. Honée, mr. P. Volker en mr. R.M. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.