ECLI:NL:GHDHA:2026:3111

ECLI:NL:GHDHA:2026:3111

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 13-10-2026
Datum publicatie 27-10-2026
Zaaknummer BK-25/1097 en BK-25/1098
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Art. 10 van de Zetelovereenkomst voor EOB. Gelijkheidsbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel, schending recht op een eerlijk proces. Ongelijke behandeling personeelsleden EOB met Nederlandse nationaliteit ten aanzien van box 3. Invulling begrip duurzaam verblijf houden.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

uitspraak van 13 oktober 2026

[X] te [Z] , belanghebbende,

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-25/1097 en BK-25/1098

in het geding tussen:

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 10 november 2025, nummers SGR 24/932 en SGR 24/935.

Procesverloop

Aan belanghebbende is voor het jaar 2019 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 36.493 (de aanslag 2019). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 193 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente 2019).

Aan belanghebbende is voor het jaar 2020 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 40.090 (de aanslag 2020). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 277 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente 2020).

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar, beide met dagtekening 23 november 2023, belanghebbendes bezwaren tegen de aanslagen 2019 en 2020 en de beschikkingen belastingrente 2019 en 2020 afgewezen.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven. De Inspecteur heeft een nader stuk ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 7 juli 2026. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

Belanghebbende is in de onderhavige jaren werkzaam bij de vestiging van het Europees Octrooi Bureau in Rijswijk (het EOB). Hij behoort tot de personeelsleden die hun werkzaamheden in Nederland uitoefenen in rang A4. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde in de onderhavige jaren in Nederland.

Bij de aanvang van zijn werkzaamheden voor het EOB heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken aan hem de status BO/NL toegekend.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder.

“De formeelrechtelijke geschilpunten

9. Verweerder heeft onder verwijzing naar de uitspraken in de eerder door eiser gevoerde beroepsprocedures op de voet van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgezien van het houden van een hoorgesprek in de bezwaarfase. Volgens eiser had hij dat niet mogen doen.

Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan van het horen worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Nu de gronden van bezwaar dezelfde zijn als de gronden die eiser in de beroepsprocedures over eerdere jaren naar voren had gebracht, heeft verweerder met het oog op de uitspraken in die procedures de bezwaren als kennelijk ongegrond kunnen beoordelen.

Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank niet sprake van schending van het hoorrecht.

10. Eiser stelt zich op het standpunt dat het motiveringsbeginsel geschonden is om reden dat verweerder in de uitspraak op bezwaar niet zou zijn ingegaan op zijn argument dat het arrest van de Hoge Raad van 9 januari 2015[5] niet moet worden gevolgd.

De rechtbank constateert dat verweerder op blz. 5 en 6 van de uitspraak op bezwaar heeft uiteengezet dat en waarom dit argument van eiser volgens hem niet opgaat. Ook overigens heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam uiteengezet waarop zijn afwijzing van de bezwaren berust.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank de motiveringsplicht niet veronachtzaamd.

Ten gronde

11. De rechtbank heeft de standpunten van eiser over schending van het vertrouwens-, rechtszekerheids- en gelijkheidsbeginsel zelfstandig beoordeeld, zonder zich daarbij te laten leiden door de uitspraken in de procedures over eerdere jaren. Aldus doende is de rechtbank tot dezelfde oordelen gekomen als die van de rechtbank en Hof Den Haag in de beroepsprocedures over voorgaande jaren; te weten dat de standpunten van eiser falen.

Ook de gronden waarop deze oordelen van de rechtbank berusten zijn gelijk aan die, waarmee de rechtbank en het Hof hun eerder gegeven oordelen hebben gemotiveerd. Het heeft geen toegevoegde waarde dat de rechtbank die gronden opnieuw uitschrijft. Zij motiveert haar oordelen daarom door te verwijzen naar de gronden die de rechtbank en het Hof Den Haag hebben gegeven in de in r.o. 4 genoemde uitspraken.

12. Ter zitting heeft eiser toegelicht wat hem beweegt zijn al in drie eerdere procesgangen beoordeelde standpunten opnieuw aan de rechter voor te leggen. Dat is niet omdat hij er niet mee kan leven dat bij op het punt van de box 3-heffing anders wordt behandeld dan een deel van zijn collega’s bij het EOB, als zodanig, maar omdat hij nog steeds niet heeft mogen vernemen hoe het verschil in situatie het verschil in behandeling zou kunnen rechtvaardigen. De rechtbank ziet hierin aanleiding het navolgende toe te voegen aan haar verwijzing naar de motivering van de eerdere uitspraken.

13. Het verschil in behandeling ligt besloten in artikel 10 van de Zetelovereenkomst. Het zesde lid daarvan sluit immers van de in het eerste lid toegekende voorrechten en immuniteiten uit de personeelsleden die de Nederlandse nationaliteit hebben dan wel duurzaam verblijf houden in Nederland.

Het criterium van duurzaam verblijf in Nederland wordt niet van jaar tot jaar getoetst, maar alleen bij aanvang van de werkzaamheden bij het EOB. Hoewel de bewoording mogelijk anders suggereert, gaat het dus niet om de duurzaamheid van het verblijf gaandeweg het dienstverband maar komt het alleen erop aan of het personeelslid bij aanvang van de werkzaamheden uit het buitenland afkomstig is.[6]

In artikel 10 van het Zetelverdrag ligt aldus besloten dat het afhangt van de nationaliteit respectievelijk waar het personeelslid vandaan kwam bij aanvang van het dienstverband, of hij al dan niet aan de heffing in box 3 is onderworpen.

14. Voor de beoordeling van het beroep van eiser moet derhalve artikel 10 van het Zetelverdrag worden getoetst aan het gelijkheidsbeginsel. Bij de toets van wetten en verdragen aan dat beginsel geldt als maatstaf dat alleen schending daarvan kan worden aangenomen als het aangelegde onderscheid van iedere redelijke grond is ontbloot.[7]

15. De regering voert sinds 2005 ter stimulering van de vestiging van internationale organisaties in Nederland het beleid om hun medewerkers op uniforme wijze te behandelen, en wel zoveel mogelijk in overeenstemming met de wat internationaal gangbaar is.[8] Artikel 10, eerste lid, van de Zetelovereenkomst verwijst daartoe naar het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer, dat voorziet in vrijstelling van iedere belasting voor diplomatieke ambtenaren alsmede voor administratief en technisch personeel van een diplomatieke vertegenwoordiging dat niet de Nederlandse nationaliteit heeft of in Nederland is aangeworven.[9]

Het verschil in behandeling is dus terug te voeren op het beleid van de regering om voor de behandeling van het personeel van internationale organisaties aan te sluiten bij wat geldt voor diplomaten en overig personeel van diplomatieke vertegenwoordigingen, om zo tot een uniforme behandeling te komen die bijdraagt aan de aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsplaats voor internationale organisaties. Van dat beleid kan niet worden gezegd dat het van iedere redelijke grond is ontbloot, zodat het de toets aan het gelijkheidsbeginsel doorstaat.[10]

16. Het verschil in behandeling behoeft dan ook niet een rechtvaardiging die wordt gevonden in het verschil tussen de situatie van personeelsleden met Nederlandse nationaliteit of die in Nederland zijn aangeworven ten opzichte van de situatie van personeelsleden. Voor het oordeel dat het aangelegde onderscheid niet met het gelijkheidsbeginsel strijdig is, volstaat dat het een element is van een beleid dat niet van iedere redelijke grond is ontbloot.

Rentebeschikking

17. Tegen de rentebeschikkingen zijn geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat verweerder de belastingrente ten onrechte of op een onjuist bedrag heeft berekend.

Slotsom

18. Uit voorgaande volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)

[6] HR 9 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:22.

[7] HR 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1206

[8] Kamerstukken II 2004/2005, 30 178, nr. 1, blz. 10-11

[9] Artikelen 34 en 37, tweede lid, van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer.

[10] HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR0387.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

In geschil is of het inkomen uit sparen en beleggen bij belanghebbende in de heffing van inkomstenbelasting mag worden betrokken. Belanghebbende beantwoordt deze vraag - met een beroep op het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel - ontkennend. De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend. Voorts is in geschil of de uitspraak van de Rechtbank voldoende is gemotiveerd en of daarmee belanghebbendes recht op een eerlijk proces voldoende is gewaarborgd. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken op bezwaar, tot vermindering van de aanslagen tot aanslagen berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil en tot vernietiging van de beschikkingen belastingrente.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het geschil

Verdragsrechtelijke en wettelijke bepalingen inzake privileges EOB-personeel

Het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (met uitvoeringsreglement en protocollen) van 5 oktober 1973 (Trb. 1975, 108; het Europees Octrooiverdrag; hierna: het EOV), bepaalt in artikel 8:

“Artikel 8. Voorrechten en immuniteiten

In het bij dit Verdrag gevoegde Protocol inzake voorrechten en immuniteiten worden de voorwaarden omschreven waaronder de Organisatie, de leden van de Raad van Bestuur, het personeel van het Europees Octrooibureau en alle andere in dat Protocol genoemde personen, die deelnemen aan de werkzaamheden van de Organisatie, in elke Verdragsluitende Staat de voorrechten en immuniteiten genieten, die noodzakelijk zijn voor de vervulling van hun taken.”

Artikel 16, lid 1, van het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Europese Octrooiorganisatie (Trb. 1976, 101; hierna: het Protocol) luidt:

“1. Onder de voorwaarden en op de wijze zoals die worden vastgesteld door de Raad van Bestuur binnen een jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag, zijn de in de artikelen 13 en 14 bedoelde personen onderworpen aan een belasting ten gunste van de Organisatie op de door de Organisatie betaalde salarissen en emolumenten. Van de datum waarop deze belasting ingaat af zijn deze salarissen en emolumenten vrij van nationale inkomstenbelasting. De Verdragsluitende Staten kunnen evenwel met deze salarissen en emolumenten wel rekening houden bij de berekening van de belasting die verschuldigd is over inkomsten uit andere bronnen.”

Artikel 19, lid 1, van het Protocol luidt:

“1. De in dit Protocol voorziene voorrechten en immuniteiten zijn niet bedoeld om de personeelsleden van het Europees Octrooibureau of de deskundigen, die voor of in opdracht van de Organisatie werkzaam zijn tot persoonlijk voordeel te strekken. Zij beogen uitsluitend het onbelemmerd functioneren van de Organisatie onder alle omstandigheden, zomede de volledige onafhankelijkheid van de personen aan wie zij worden toegekend.”

Artikel 10 van de Overeenkomst van 27 juni 2006 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Octrooiorganisatie betreffende het onderdeel van het Europees Octrooibureau in ’s-Gravenhage (Trb. 2006, 155; hierna: de Zetelovereenkomst) luidt:

“Artikel 10. Voorrechten en immuniteiten van de personeelsleden van het Bureau

1. Personeelsleden van het Bureau die hun werkzaamheden in Nederland uitoefenen,

a. in rang A5 en hoger, of

b. in rang A4, mits zij langer dan twee jaar in die rang zijn geweest en een basissalaris niet lager dan A5 periodiek 1 hebben, vanaf 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin aan beide eisen is voldaan genieten dezelfde voorrechten en immuniteiten als die welke door Nederland worden verleend aan diplomatieke ambtenaren van de diplomatieke vertegenwoordigingen die in Nederland zijn gevestigd overeenkomstig het Verdrag van Wenen, met dien verstande dat immuniteit ten aanzien van de rechtsmacht in strafzaken en persoonlijke onschendbaarheid zich niet uitstrekken tot handelingen verricht buiten hun officiële taken.

2. Personeelsleden van het Bureau die hun werkzaamheden in Nederland uitoefenen, die geen bedienend personeel zijn en die niet onder het bepaalde in het eerste lid vallen, genieten dezelfde voorrechten en immuniteiten als die welke door Nederland worden verleend aan administratief en technisch personeel van de diplomatieke vertegenwoordigingen die in Nederland zijn gevestigd overeenkomstig het Verdrag van Wenen, met dien verstande dat immuniteit ten aanzien van de rechtsmacht in strafzaken en persoonlijke onschendbaarheid zich niet uitstrekken tot handelingen verricht buiten hun officiële taken.

3-5. (...)

6. Dit artikel is niet van toepassing op personen die de Nederlandse nationaliteit bezitten of duurzaam verblijf houden in Nederland.”

Paragraaf 3 van de Explanatory note to the Agreement between the Kingdom of the Netherlands and the European Patent Organisation concerning the branch of the European Patent Office at The Hague (Trb. 2006, 155; hierna: de Explanatory Note) luidt als volgt:

“It is the understanding of the signatories that there is only one notion of “permanent residents” independent of whether reference is made to the Protocol or to the Vienna Convention.”

De artikelen 34 en 37 van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 18 april 1961 (Trb. 1962, 159; hierna: het Verdrag van Wenen), voor zover hier van belang, luiden:

“Artikel 34

Een diplomatieke ambtenaar is vrijgesteld van alle belastingen en rechten, zowel persoonlijke als zakelijke, hetzij landelijke, gewestelijke of gemeentelijke belastingen, met uitzondering van:

(a) indirecte belastingen die normaal in de prijs van goederen of diensten begrepen zijn;

(b) belastingen en rechten op particulier onroerend goed dat gelegen is op het grondgebied van de ontvangende staat tenzij hij dit onroerend goed onder zich heeft ten behoeve van de zendstaat voor de werkzaamheden van de zending;

(c) door de ontvangende staat met inachtneming van de bepalingen van lid 4 van artikel 39 geheven successierechten en rechten van overgang;

(d) belastingen en rechten op particulier inkomen welks bron is gelegen in de ontvangende staat en vermogensbelastingen op in bedrijven in de ontvangende staat belegd vermogen;

(e) heffingen wegens bepaalde verleende diensten;

(ƒ) registratie-, griffie- en hypotheekrechten en zegelrecht met betrekking tot onroerend goed, met inachtneming van de bepalingen van artikel 23.”

“Artikel 37

1. (...)

2. Leden van het administratieve en technische personeel van de zending, alsmede inwonende gezinsleden, genieten, indien zij geen onderdaan zijn van, of niet duurzaam verblijf houden in, de ontvangende staat, de in de artikelen 29 t/m 35 omschreven voorrechten en immuniteiten, met dien verstande dat de immuniteit van de burger- en administratiefrechtelijke bevoegdheid van de ontvangende staat omschreven in lid 1 van artikel 31 zich niet uitstrekt tot handelingen die geen ambtshandelingen zijn. Zij genieten voorts de in artikel 36, lid 1, omschreven voorrechten met betrekking tot goederen die worden ingevoerd ten tijde dat zij zich voor het eerst inrichten.

3-4. (...).”

Artikel 39 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) luidt:

“In de gevallen waarin het volkenrecht, dan wel naar het oordeel van Onze Minister het internationale gebruik, daartoe noopt, wordt vrijstelling van belasting verleend. Onze Minister is bevoegd ter zake nadere regelen te stellen.”

Artikel 33 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 (Uitvoeringsregeling AWR) luidt, voor zover van belang, als volgt:

“1. Van de belastingen, genoemd in het derde lid van dit artikel zijn, met inachtneming van hetgeen is bepaald in de artikelen 34, 36, 37 en 38, vrijgesteld de leden van diplomatieke vertegenwoordigingen en, met uitzondering van honoraire consuls, de leden van consulaire vertegenwoordigingen van andere Mogendheden, mits zij:

a. geen Nederlander zijn;

b. niet duurzaam verblijf houden in Nederland; en

c. bij Nederland zijn geaccrediteerd of aangemeld.

De vrijstellingen, bedoeld in het derde lid, onderdelen c, d, e en f, worden ten aanzien van leden van het administratief, technisch en bedienend personeel slechts verleend indien sinds de aanvang van de tewerkstelling in Nederland ten hoogste tien jaren zijn verstreken.

(…)

3. De in dit artikel bedoelde vrijstelling vindt toepassing met betrekking tot:

a. de inkomstenbelasting;

(…)

c. de omzetbelasting

d. de motorrijtuigenbelasting

e. de belasting van personenauto’s en motorrijwielen

f. de kansspelbelasting

(…)

4. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de functionarissen van internationale organisaties die ingevolge artikel 39 van de wet in aanmerking komen voor de vrijstellingen zoals die worden verleend aan leden van diplomatieke vertegenwoordigingen. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de inwonende gezinsleden van functionarissen van internationale organisaties die ingevolge artikel 39 van de wet in aanmerking komen voor de fiscale vrijstellingen zoals die worden verleend aan de inwonende gezinsleden van leden van diplomatieke vertegenwoordigingen.

(…)”

In de Circulaire Gemeentefonds van 30 mei 2001 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Staatssecretaris van Financiën, onder '8.3 Regeling diplomatieke en internationale vrijstellingen gemeentelijke belastingen' aan de gemeentebesturen medegedeeld:

“(...) BZK biedt nadere informatie over de regeling aan op het internet, o.a. de integrale tekst van de Regeling zoals die luidt per 1 januari 2001 en een geactualiseerde toelichting (...)”.

In die toelichting wordt over het begrip 'duurzaam verblijf houden' medegedeeld:

“Onder het begrip ‘duurzaam verblijf houden’ wordt het volgende verstaan. Wanneer een persoon gaat werken bij een vertegenwoordiging of internationale organisatie, dan wordt de gemeente waar hij woonachtig is, hiervan op de hoogte gesteld door het ministerie van Buitenlandse Zaken. Daarbij wordt ook aangegeven welke status de persoon heeft. Wanneer in de statuscode de letters DV voorkomen, betekent dit dat de persoon is aangemerkt als duurzaam in Nederland verblijvend. In dat geval dient geen vrijstelling van gemeentelijke belastingen verleend te worden. Of een persoon in dit verband al dan niet als duurzaam in Nederland verblijvend wordt aangemerkt, wordt bepaald door het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Directie Kabinet en Protocol. Voor de statusverlening door het Ministerie van Buitenlandse Zaken bij nieuwe aanmeldingen van administratief, technisch en bedienend personeel, alsmede particuliere bedienden, is met ingang van 1 januari 2000 niet langer de termijn van verblijf in Nederland voorafgaand aan indiensttreding bepalend, maar het feit of het betrokken personeelslid door de zendstaat is uitgezonden dan wel lokaal is geworven. Voor uitgezonden personeelsleden die thans als administratief, technisch en bedienend personeel op een missie werkzaam zijn, geldt dat zij na 10 jaar in Nederland werkzaam te zijn geweest door het Ministerie van Buitenlandse Zaken als duurzaam verblijf houdend in Nederland worden beschouwd. Indien er twijfels bestaan over de status van een persoon of wanneer niet geheel duidelijk is of een persoon al dan niet duurzaam verblijf houdt in Nederland, dan kan altijd navraag worden gedaan bij de Directie Kabinet en Protocol van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.”

Ingevolge de in 5.1, 5.2 en 5.4 geciteerde bepalingen van het EOV, het Protocol en de Zetelovereenkomst en artikel 33 Uitvoeringsregeling AWR is belanghebbende over het salaris dat hij van het EOB ontvangt, geen Nederlandse inkomstenbelasting verschuldigd.

Vooraf

Belanghebbende heeft een eerdere procedure gevoerd over de jaren 2006, 2007, 2008, 2014, 2015, 2017 en 2018. Hof Den Haag heeft daarin uitspraak gedaan op 29 oktober 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2637 en het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. De Hoge Raad heeft het daartegen ingestelde beroep in cassatie op 12 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1263 met toepassing van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende voert in deze procedure dezelfde geschilpunten op en onderbouwt zijn standpunten met dezelfde argumenten. Het Hof komt in deze zaak niet tot een ander oordeel en legt ook geen andere motivering aan dat oordeel ten grondslag. Het Hof sluit zich dus aan bij het eerdere oordeel van Hof Den Haag en maakt de overwegingen tot de zijne. Het Hof voegt daar ter toelichting voor belanghebbende nog het volgende aan toe.

Schending van het gelijkheidsbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel?

Niet in geschil is dat belanghebbende valt onder de categorie personeelsleden van het EOB bedoeld in artikel 10, lid 1, aanhef en letter b, van de Zetelovereenkomst en dat belanghebbende op grond van het zesde lid van die bepaling in beginsel geen recht heeft op een vrijstelling van belastingheffing over zijn belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, omdat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

Belanghebbende betoogt dat hij op grond van zijn Nederlandse nationaliteit ongelijk wordt behandeld. EOB-personeel dat niet de Nederlandse nationaliteit heeft, dat in het buitenland is aangeworven en dat nadien tien jaar of langer in Nederland verblijft, wordt in tegenstelling tot belanghebbende ingevolge begunstigend beleid niet belast over het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, terwijl het desbetreffende personeel volgens belanghebbende na tien jaar verblijf in Nederland dient te gelden als hier duurzaam verblijf houdend. Hiermee wordt zowel het gelijkheids- als rechtzekerheidsbeginsel geschonden, aldus belanghebbende.

Belanghebbende stelt allereerst dat het begrip ‘duurzaam verblijf houdend’ slechts voor één uitleg vatbaar is. Het begrip kan niet worden gedefinieerd als ‘in Nederland duurzaam verblijven bij indiensttreding’ enerzijds en als ‘duurzaam verblijven na tien jaar in Nederland werkzaam te zijn geweest’ anderzijds. Hij wijst in dit verband naar paragraaf 3 van de Explanatory Note waarin is bepaald dat er maar één uitleg van het begrip duurzaam verblijf houdend is toegestaan. Omdat EOB-personeel dat onder artikel 10, lid 2, van de Zetelovereenkomst valt na tien jaar in Nederland werkzaam te zijn geweest als ‘duurzaam verblijf houdend’ wordt beschouwd, heeft dit volgens belanghebbende ook te gelden voor personeel dat onder lid 1 van die bepaling valt. Omdat het in lid 1 bedoelde personeel na tien jaar in Nederland werkzaam te zijn geweest geen inkomstenbelasting betaalt over zijn belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, is sprake van een ongelijke behandeling, aldus belanghebbende. Die ongelijke behandeling dient te worden opgeheven door ook bij belanghebbende het box 3-inkomen tot nihil te reduceren. Voorts wijst belanghebbende op de Circulaire Gemeentefonds van 30 mei 2001 (HR 6 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3187), waarin is toegelicht dat administratief, technisch en bedienend personeel na tien jaar in Nederland werkzaam te zijn geweest door het Ministerie van Buitenlandse Zaken als duurzaam verblijf houdend in Nederland wordt beschouwd en geen recht meer heeft op vrijstelling van gemeentelijke belastingen. Volgens belanghebbende is er ook geen grond om een verschil te rechtvaardigen in de uitleg van het begrip ‘duurzaam verblijf houdend’ voor de inkomstenbelasting enerzijds en de gemeentelijke belastingen anderzijds.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbendes interpretatie van paragraaf 3 van de Explanatory Note op een onjuiste rechtsopvatting berust. Uit paragraaf 3 van de Explanatory Note blijkt slechts dat de interpretatie van het begrip ‘duurzaam verblijf houdend’ voor de toepassing van de Zetelovereenkomst gelijk moet zijn aan de interpretatie hiervan voor de toepassing van het Verdrag van Wenen. Het begrip ‘duurzaam verblijf houdend’ is noch in de Zetelovereenkomst noch in het Verdrag van Wenen gedefinieerd en het is dus aan de ontvangende staat om invulling te geven aan dat begrip. Omdat de toepassing van de vrijstelling van belastingen voor beide verdragen wordt geregeerd door hoofdstuk 9 van de Uitvoeringsregeling AWR, is van een afwijking in interpretatie geen sprake. Aan de invulling van het begrip in nationale verhoudingen staat vervolgens in beginsel niet in de weg dat voor verschillende categorieën werknemers of belastingmiddelen een afwijkend begrip wordt gehanteerd.

Belanghebbende gaat er in zijn redenering bovendien aan voorbij dat de vrijstelling van inkomstenbelasting voor EOB-personeel dat onder artikel 10, lid 2, van de Zetelovereenkomst valt, niet is beperkt tot de eerste tien jaar van verblijf in Nederland (artikel 33, lid 1, 3 en 4, Uitvoeringsregeling AWR). Die beperking geldt uitsluitend voor de omzetbelasting, de motorrijtuigenbelasting, de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de kansspelbelasting. De door belanghebbende gestelde discrepantie in de uitleg van het begrip ‘duurzaam verblijf houdend’ voor de inkomstenbelasting doet zich dus niet voor. Ook belanghebbendes verwijzing naar de definitie van het begrip ‘duurzaam verblijf houdend’ in de Circulaire Gemeentefonds van 30 mei 2001 kan hem niet baten aangezien deze ziet op gemeentelijke heffingen en derhalve evenmin ziet op de inkomstenbelasting. Dat betekent dat van een ongelijke behandeling bij de belastingheffing over box 3-inkomen geen sprake is.

Belanghebbendes standpunt dat het arrest van 9 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:22, niet op hem van toepassing is omdat het op een misvatting berust omtrent de categorie personeelsleden waartoe het desbetreffende personeelslid behoort, treft geen doel. Belanghebbende moet worden toegegeven dat na lezing van het arrest en de daaraan voorafgaande uitspraken van de Rechtbank Arnhem en het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden onduidelijk lijkt te zijn of de in die zaak procederende belanghebbende nu valt onder artikel 10, lid 1, van de Zetelovereenkomst of onder lid 2 daarvan, maar dat neemt niet weg dat de definitie van het begrip ‘duurzaam verblijf houdend’ voor beide leden van die bepaling voor de inkomstenbelasting gelijkluidend is zodat er geen aanleiding bestaat om te veronderstellen dat het arrest zonder de onduidelijkheid tot een andere en voor belanghebbende gunstiger uitkomst zou leiden.

Belanghebbendes beroep op het gelijkheids- en rechtzekerheidsbeginsel faalt.

Schending van het zorgvuldigheidsbeginsel?

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat met een uitlating van (toenmalig) minister Zalm van Financiën bij de behandeling van het wetsvoorstel Wet inkomstenbelasting 2001 in de Tweede Kamer (Handelingen II 1999/2000, 26 januari 2000, blz. 41-3146), die erop neerkomt dat de inkomenseffecten van de voorgestelde Wet inkomstenbelasting 2001 over de hele linie positief zouden zijn, het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden. Naar het oordeel van het Hof heeft minister Zalm deze uitlatingen gedaan in zijn hoedanigheid van medewetgever en niet in zijn hoedanigheid van uitvoerder van de belastingwet, hetgeen reeds aan een beroep op schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in de weg staat. Belanghebbendes beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel faalt.

Is de uitspraak van de Rechtbank onvoldoende gemotiveerd?

Belanghebbende stelt dat de uitspraak van de Rechtbank onvoldoende is gemotiveerd en dat daarmee zijn recht op een eerlijk proces is geschaad. Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank in haar uitspraak – mede onder verwijzing naar alle eerder door belanghebbende in dit verband gevoerde procedures – is ingegaan op alle door belanghebbende in zijn beroepschriften genoemde gronden en dat de uitspraak niet onvoldoende gemotiveerd, noch onbegrijpelijk, noch onredelijk of onbillijk is. Dat belanghebbende het met het oordeel niet eens is, maakt de uitspraak nog niet onvoldoende gemotiveerd. Belanghebbendes grief faalt derhalve.

Slotsom

Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door T.A. de Hek, M.J.M. van der Weijden en C. Maas in tegenwoordigheid van de griffier T. van Hout.

De griffier, de voorzitter,

T. van Hout T.A. de Hek

De beslissing is op 13 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken.

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie in stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026110208
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand