GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 18 augustus 2026
[X] te [Z] , belanghebbende,
de heffingsambtenaar van de gemeente Delft, de Heffingsambtenaar,
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/815
in het geding tussen:
(gemachtigde: S.J.J.G. Fernandes)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 3 oktober 2025, nummer SGR 24/9139.
Procesverloop
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Delft opgelegd van € 62, bestaande uit € 1 aan parkeerbelasting en € 61 aan kosten van de naheffingsaanslag (de naheffingsaanslag).
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft dat bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 143. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Op 23 juli 2026 heeft belanghebbende daarop bij nader stuk gereageerd.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 4 augustus 2026. De Heffingsambtenaar is verschenen. Belanghebbende en gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Op maandag 3 april 2023 om 13:33 uur heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat de personenauto van belanghebbende met kenteken [kenteken] geparkeerd stond op de [straat] te [woonplaats] .
Tijdens de controle is geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan dan wel geparkeerd was zonder geldige parkeervergunning, terwijl deze locatie door burgemeester en wethouders van de gemeente Delft is aangewezen als parkeerplaats waar slechts mag worden geparkeerd tegen betaling van parkeerbelasting of met een parkeervergunning. Naar aanleiding daarvan is aan belanghebbende de naheffingsaanslag opgelegd.
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
Belanghebbende concludeert:
primair tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot terugwijzing naar de Rechtbank;
subsidiair tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot terugwijzing naar de Heffingsambtenaar; en
meer subsidiair tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de naheffingsaanslag.
Voorts verzoekt belanghebbende steeds om vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
De Heffingsambtenaar heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd. Dat standpunt sluit aan bij het standpunt dat belanghebbende meer subsidiair heeft ingenomen. Het is tevens het standpunt met de meest vergaande strekking. Gelet hierop zal het Hof dienovereenkomstig beslissen en het hoger beroep gegrond verklaren.
Proceskosten en griffierecht
Er bestaat aanleiding de Heffingsambtenaar veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten.
Het Hof stelt de kosten voor wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 2.534 (1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor het beroepschrift met een waarde per punt van € 934, alsmede 1 punt voor het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666, zulks met toepassing van een wegingsfactor 1). Voor een hogere vergoeding ziet het Hof geen aanleiding.
Voorts dient de Heffingsambtenaar het door belanghebbende voor de behandeling in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 51 respectievelijk € 143 te vergoeden.
Beslissing
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
Het Gerechtshof:
Deze uitspraak is vastgesteld door M.B. Weijers, Chr.Th.P.M. Zandhuis en T.A de Hek, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.
De griffier, de voorzitter,
T.S.K.L. Tjon M.B. Weijers
De beslissing is op 18 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.