ECLI:NL:GHSHE:2025:2073

ECLI:NL:GHSHE:2025:2073, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28-07-2025, 20-002141-23

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 28-07-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20-002141-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
6 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0002221 BWBR0018450 BWBR0020031 BWBR0034925 BWBR0035917

Samenvatting

Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van het 'als commissaris van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, tijdens het faillissement enig goed aan de boedel onttrekken' tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis.

Uitspraak

8. Een geschrift, te weten HSB, opvragen voertuiggegevens RDW (DOC-040):

Opvragen RDW Voertuiggegevens: 14-06-2021

Kenteken: [kenteken]

Houder: [stichting] : 25-07-2018 - 01-05-2020

Houder: [verdachte] : 01-05-2020 - 07-05-2020

9. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van deze rechtbank van 27 juni 2023, voor zover inhoudende:

Ik heb de FIAT Doblo ingebracht bij de Stichting. Ik heb de auto bij de Stichting opgehaald en op mijn naam gezet.

10. Het proces-verbaal van verhoor verdachte (V-002-01), voor zover inhoudende:

(p. 3)

Vraag verbalisanten:

Wat kunt u verklaren over [stichting] ?

Antwoord gehoorde:

Wat ik u niet hoor zeggen is dat ik bij de oprichting veel geld in [stichting] heb gestopt. Dit geld heb ik nooit terug gezien: op een gegeven moment kreeg ik telefoon dat [stichting] niet meer bestond. [...]

Wat zou u doen? Ik moet u betalen en ik dreig kapot te gaan. Wat zou u doen? Je moet kijken naar de menselijkheid. Wat ik niet hoor is dat ik het geld wat ik in [stichting] heb gestopt nooit terug heb gezien. Ik heb de inventaris en twee auto's, een blauwe en een grijze Doblo, vanuit de [bedrijf] in [stichting] gestopt. Ik snap u echt niet.

Bewijsoverwegingen

Op 2 september 2020 wordt bij het Centraal Meldpunt Faillissementsfraude namens de curator een melding gedaan van vermoedelijke faillissementsfraude ter zake verdachte en diens zoon (tevens medeverdachte), respectievelijk commissaris en (feitelijk) bestuurder/penningmeester bij [stichting] (hierna: de Stichting). Het betreft een stichting voor dagbesteding en begeleiding van personen met een beperking, verslavingsproblematiek of stoornissen. In deze zaak draait het om de vraag of verdachte een auto die op naam stond van [stichting] (hierna telkens: de Stichting) tijdens het faillissement heeft onttrokken aan de boedel terwijl hij wist dat hij schuldeisers hiermee in hun verhaalsmogelijkheden zou benadelen.

Op basis van de bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast:

Blijkens de verklaring van de curator was verdachte dagelijks aanwezig op de locatie van de Stichting en waren vader en zoon vanaf moment één het aanspreekpunt voor de curator.

Dat de verdachte wetenschap had van het faillissement volgt naar het oordeel van het hof tevens uit het moment van de overschrijving van de auto, te weten kort na het uitgesproken faillissement. Dit terwijl de auto daarvoor al geruime tijd – ongeveer tweeëntwintig maanden – op naam van de Stichting had gestaan. De timing van deze overschrijving dient bovendien te worden gezien in het licht van de verklaring van de verdachte zoals deze is afgelegd op 27 januari 2022 bij de FIOD. Tijdens dat verhoor heeft verdachte immers verklaard dat hij onder meer de betreffende auto in de Stichting had ingebracht en – zo leidt het hof uit die verklaring af – het kennelijk niet kon verkroppen dat hij door het faillissement van (de waarde van) die auto niets meer zou terugzien.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg naar voren gebracht dat niet het faillissement, maar het gegeven dat zijn vriendin een auto nodig had in verband met een op te richten instelling voor dagopvang, de reden voor de overschrijving was. Deze verklaring heeft de verdachte pas ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegd, terwijl het voor de hand had gelegen daarover al bij de FIOD te verklaren. Het hof hecht aan deze verklaring geen waarde en schuift deze dan ook terzijde.

Dat het volgens de verdachte (dossierpagina 94) kennelijk goed ging met de Stichting omdat deze naar een grotere ruimte was verhuisd en dat hij – op het moment dat hij de auto ophaalde en op zijn naam zette – niet wist dat het faillissement van de Stichting was uitgesproken, acht het hof ongeloofwaardig in het licht van het vorenstaande en omdat een verhuizing van de Stichting in de periode van het tenlastegelegde geen enkele steun vindt in het dossier. Bovendien heeft [medeverdachte] verklaard dat er in de maanden maart, april en mei 2020 geen zorg is geleverd aan cliënten, hetgeen haaks staat op de stelling van de verdachte dat hij bij het ophalen van de auto verschillende cliënten van de Stichting zag rondlopen. Dat verbaast te meer, nu ook is gebleken dat de inkomsten van de stichting slechts bestonden uit de vergoedingen van de zorgverzekeraars van de ‘patiënten’ (cliënten) en er aanzienlijke schulden waren.

Het verweer dat geen sprake was van feitelijke benadeling omdat de auto geen economische waarde meer zou vertegenwoordigen, wordt eveneens verworpen. Het gegeven dat de verdachte de auto heeft onttrokken aan de boedel door deze over te schrijven op zijn naam geeft al aan dat de auto – naar inschatting van de verdachte – enige waarde vertegenwoordigde. Daar komt bij dat al zou sprake zijn van een sloopauto – waarvoor het dossier geen aanknopingspunten biedt – het een feit van algemene bekendheid is dat ook sloopauto’s, onder meer vanwege bruikbare onderdelen, waarde vertegenwoordigen.

Op te leggen straf

De verdediging heeft bepleit dat het hof toepassing zal geven aan het in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht bepaalde, en aan de verdachte geen straf zal opleggen. Daartoe is aangevoerd dat de lange duur van de procedure zwaar is geweest voor de verdachte, dat het om een oud feit en een oude auto gaat, en dat de redelijke termijn is overschreden.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ‘als commissaris van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, tijdens het faillissement enig goed aan de boedel onttrekken’, door een Fiat Doblo – die op naam van de Stichting stond en tot de boedel van de Stichting behoorde – kort na het faillissement van de Stichting bij de Stichting weg te halen en op zijn eigen naam over te schrijven. De verdachte heeft dit feit uit eigen gewin gepleegd en daardoor de rangorde doorkruist op grond waarvan de verdeling van de boedel hoort plaats te vinden. Nu er onvoldoende baten waren, zijn daardoor andere schuldeisers, zoals de Belastingdienst en het UWV, benadeeld. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.

Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 april 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat hij in een verder verleden eerder onherroepelijk is veroordeeld.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat de verdachte geen andere inkomsten heeft naast zijn uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).

Naar het oordeel van het hof kan, mede vanwege de verantwoordelijke functie van de verdachte binnen de Stichting, niet worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal gevorderd omdat daarin de aard en ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking komt. Om dezelfde reden ziet het hof geen aanleiding om toepassing te geven aan het in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht bepaalde.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis, passend en geboden.

Redelijke termijn

Anders dan door de verdediging is gesuggereerd heeft een eerste verhoor, anders dan bijvoorbeeld de inverzekeringstelling van een verdachte, niet zonder meer te gelden als aanvangsdatum van de redelijke termijn. Het hof is in de onderhavige zaak niet van oordeel dat het verhoor van de verdachte heeft te gelden als een handeling vanwege de Nederlandse Staat waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit strafvervolging zou worden ingesteld. Het hof stelt dan ook vast dat in eerste aanleg geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.

Nu van de zijde van de verdachte hoger beroep is ingesteld op 25 juli 2023 en het hof bij arrest van heden, 28 juli 2025, arrest zal wijzen, is daarmee de redelijke termijn in hoger beroep overschreden met enkele dagen. Het hof zal echter volstaan met de enkele constatering dat van een overschrijding sprake is, reeds omdat blijkens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad strafvermindering niet aan de orde is bij de aard en hoogte van de hierna op te leggen straf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 343 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht:

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis;

bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door:

mr. C.M. Hilverda, voorzitter,

mr. R. Lonterman en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. Vulto, griffier,

en op 28 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Hilverda en mr. Lonterman zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand