ECLI:NL:GHSHE:2026:2476

ECLI:NL:GHSHE:2026:2476

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 15-09-2026
Datum publicatie 11-09-2026
Zaaknummer 200.328.731_01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Leningen of sponsoring? Tegenstrijdige stellingen. Onvoldoende gesteld. Betalingen niet zonder rechtsgrond gedaan.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.328.731/01

arrest van 15 september 2026

in de zaak van

[appellant] ,

gevestigd te [gemeente] ,

appellante,

hierna te noemen [appellant] ,

advocaat: mr. M.M. van der Marel te Eindhoven,

tegen

1. [geïntimeerde sub 1] ,wonende te [gemeente] ,

2. [geïntimeerde sub 2] ,wonende te [gemeente] ,

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk te noemen [geïntimeerden] ,

advocaat: mr. J.J. Geuze te Best,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 16 juli 2024 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/380341 / HA ZA 22-159 gewezen vonnis van 3 mei 2023.

1. De kern van de zaak

[geïntimeerden] zijn vereffenaars van de nalatenschap van wijlen de heer [erflater] (verder: “ [erflater] ”). [erflater] is van 2010 tot 1 december 2017 penningmeester geweest van [appellant] (een voetbalvereniging). Gedurende die periode heeft [erflater] meermaals geld van zijn eigen bankrekening(en) overgeboekt naar [appellant] . Andersom heeft [erflater] ook € 72.159,80 van de bankrekening van [appellant] naar zichzelf overgeboekt. [appellant] heeft van [geïntimeerden] gevorderd dat zij dat laatste bedrag terugbetalen. Volgens [appellant] bestaat er geen rechtsgrond voor de door [erflater] van de bankrekening van [appellant] aan hem zelf betaalde bedragen en bovendien heeft het bestuur niet met deze (terug)betalingen ingestemd, zodat [erflater] onrechtmatig heeft gehandeld.

Deze vordering is door de rechtbank afgewezen. Het hof komt tot hetzelfde oordeel.

2. Het verdere verloop van het geding

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 16 juli 2024 in het incident en de daarin vermelde stukken;

de memorie van antwoord;

de mondelinge behandeling van 6 februari 2026.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3. De feiten

In rov. 6.1 van het tussenarrest van 16 juli 2024 wordt een opsomming van de feiten gegeven. Voor de volledigheid zal het hof deze opsomming herhalen en deze aanvullen met feiten die van belang zijn. In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten.

[erflater] was van 2010 tot 1 december 2017 penningmeester van de voetbalvereniging [appellant] . [erflater] is op 24 oktober 2020 overleden en [geïntimeerden] zijn de vereffenaars van zijn nalatenschap.

In de periode dat [erflater] penningmeester van [appellant] was, hebben hij en zijn vennootschap Pachanga B.V. meerdere malen geld overgeboekt vanaf de bankrekeningen van de [erflater] en Pachanga B.V. naar [appellant] . In diezelfde periode heeft [erflater] , vanaf de bankrekening van [appellant] , € 72.159,80 overgemaakt naar zichzelf.

In een eerdere procedure heeft [erflater] van [appellant] betaling van € 197.858,78 gevorderd met als grondslag terugbetaling van aan [appellant] verstrekte geldleningen. Die vordering is in twee instanties (laatstelijk door het hof bij arrest van 14 september 2021) afgewezen. In dat arrest heeft het hof, sterk samengevat, geoordeeld dat door [erflater] zowel sponsorgelden als leningen aan [appellant] zijn verstrekt, maar dat niet kon worden vastgesteld dat, of uit welken hoofde, [appellant] het gevorderde bedrag aan [erflater] terug moest betalen. Dit arrest is in kracht van gewijsde gegaan.

Tijdens de mondelinge behandeling in onderhavige zaak hebben [geïntimeerden] uitdrukkelijk verklaard niet langer de (terug)betaling van genoemd bedrag van € 197.858,78 na te streven. Daarmee staat vast dat [appellant] dat bedrag nooit meer zal hoeven (terug)betalen.

4. Standpunten van partijen en de beslissing van de rechtbank

In eerste aanleg

In eerste aanleg heeft [appellant] - samengevat - gevorderd dat [geïntimeerden] veroordeeld worden tot betaling van € 72.159,80, vermeerderd met rente en kosten en dat voor recht verklaard wordt dat [erflater] jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld, door gelden vanuit [appellant] naar hemzelf over te maken en dat [geïntimeerden] gehouden zijn vanuit de nalatenschap van [erflater] de schade van [appellant] te vergoeden. [appellant] heeft gesteld dat er geen rechtsgrond bestaat voor de (terug)betalingen door [appellant] aan [erflater] , omdat het geldleningen betrof waar voorwaarden aan verbonden waren op grond waarvan [appellant] (nog) niet verplicht was om deze terug te betalen. Daarnaast heeft het bestuur van [appellant] niet met die (terug)betalingen ingestemd. Daarom is sprake van ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling.

[geïntimeerden] hebben verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] , althans tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellant] in de proceskosten.

De rechtbank heeft [appellant] wel ontvankelijk verklaard, maar haar vorderingen afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat – terwijl (in deze eerste aanleg) partijen beiden het standpunt huldigden dat de betalingen terugbetalingen van leningen betroffen – niet kon worden vastgesteld dat de door [appellant] gestelde nadere voorwaarden voor terugbetaling van die geldleningen daadwerkelijk overeen waren gekomen, terwijl [appellant] evenmin voldoende had onderbouwd dat het gestelde ontbreken van bestuurlijke toestemming voor die terugbetalingen een zelfstandige onrechtmatige daad door [erflater] opleverde.

In hoger beroep

In hoger beroep heeft [appellant] gevorderd dat het vonnis waarvan beroep (verder: het “vonnis”) wordt vernietigd en dat het in eerste aanleg gevorderde alsnog wordt toegewezen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met wettelijke rente. [appellant] heeft bovendien een grondslag toegevoegd en haar eis vermeerderd, zo begrijpt het hof, nu [appellant] vordert dat [geïntimeerden] worden veroordeeld tot betaling van achterstallige sponsorgelden ten bedrage van € 72.159,80.

[appellant] heeft daartoe zes grieven geformuleerd. Daarnaast heeft [appellant] de primaire grondslag voor haar vorderingen gewijzigd. Waar [appellant] in eerste aanleg stelde dat de grondslag voor de betalingen ontbrak, omdat niet aan de aanvullende voorwaarden voor terugbetaling van geldleningen was voldaan, betwist [appellant] in dit in hoger beroep dat tussen haar en [erflater] enige geldlening is gesloten en stelt zij dat “de bedragen die [erflater] [ [erflater] : hof] aan [appellant] heeft voldaan hun rechtsgrond enkel en alleen gevonden kunnen hebben, in de betaalverbintenis die (in)direct op L. [erflater] rustte uit hoofde van de sponsorovereenkomsten die [erflater] telkens met zichzelf (althans (in)direct aan hem gelieerde ondernemingen) heeft gesloten”. Omdat al het door [erflater] aan [appellant] overgemaakte geld sponsorgeld betrof, bestaat er dus überhaupt geen grondslag voor enige (terug)betaling door [appellant] aan [erflater] .

[geïntimeerden] hebben de grieven en de gewijzigde grondslag bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis in conventie.

Op de standpunten van partijen wordt in het navolgende, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

Eiswijziging

Zowel de wijziging van de primaire grondslag voor de vorderingen als de vordering dat [geïntimeerden] worden veroordeeld tot betaling van achterstallige sponsorgelden ten bedrage van € 72.159,80 zijn een eiswijziging.

Een wijziging van grondslag en een vermeerdering van eis zijn in beginsel ook in hoger beroep nog mogelijk, mits gedaan bij het eerste processtuk van de betreffende partij. Aan dat criterium is in dit geval voldaan, nu [appellant] de wijzigingen in de memorie van grieven heeft gedaan. Hoewel [appellant] heeft verzuimd om deze wijziging en vermeerdering op de – in artikel 2.16 van het toepasselijke rolreglement – voorgeschreven duidelijk kenbare wijze in de titel van de memorie van grieven te vermelden, en dat ook niet in het lichaam van de memorie van grieven heeft gedaan (door bijvoorbeeld een subkop op te nemen), is het hof van oordeel dat in dit geval de wijziging en vermeerdering toch voldoende kenbaar waren voor [geïntimeerden] , omdat de vermeerdering wel separaat is opgenomen in het petitum van de memorie van grieven. Voor de wijziging van grondslag geldt dat deze gestelde grondslag [geïntimeerden] al ruimschoots bekend was.

[geïntimeerden] hebben daarnaast ook geen bezwaar gemaakt tegen de wijzing van grondslag en de vermeerdering van eis. Het hof ziet evenmin aanleiding deze eiswijzigingen ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde grondslag en vermeerderde eis.

Nieuwe grondslag: sponsorgelden

Het hof zal eerst de gewijzigde grondslag bespreken. De primaire stelling van [appellant] in dit hoger beroep is nu, zo begrijpt het hof, dat alle gelden die [erflater] ooit aan [appellant] heeft overgemaakt sponsorgelden betroffen. De door [erflater] van de bankrekening van [appellant] naar zijn eigen rekeningen overgemaakte € 72.159,80 zijn dan dus ook eerder door [erflater] aan [appellant] betaalde sponsorbedragen geweest, die hij vervolgens aan zichzelf heeft terugbetaald. Voor die terugbetaling bestaat geen grondslag, aldus [appellant] .

Waar [appellant] stelt dat deze terugbetaalde € 72.159,80, feitelijk nog steeds aan [appellant] toekomende, sponsorgelden zijn en zich beroept op het rechtsgevolg daarvan; namelijk dat deze betalingen zonder rechtsgrond zijn gedaan en dus weer aan [appellant] (terug)betaald moeten worden, draagt [appellant] gezien artikel 150 Rv de stelplicht en (zo nodig) de bewijslast hiervan.

[appellant] heeft deze stelling niet met stukken onderbouwd. Integendeel, tijdens de mondelinge behandeling heeft [appellant] , bij monde van haar advocaat, uitdrukkelijk verklaard dat er “geen sponsorovereenkomsten waren” en dat er “geen administratie van de sponsoring” is.

Daartegenover staat de betwisting door [geïntimeerden] , die hebben aangevoerd dat het niet om sponsorgeld gaat, maar om aflossingen op door [erflater] aan [appellant] verstrekte leningen. Dit verweer hebben [geïntimeerden] onderbouwd met verschillende bankafschriften waarop bij betalingen van de rekening van [appellant] naar die van [erflater] als omschrijving is vermeld “AFLOSSING LENING [erflater]”, of woorden van gelijke strekking.

Daar komt bij dat in een eerdere procedure (zie 3.4 hiervoor) tussen [appellant] en [erflater] is vastgesteld dat naast sponsorgelden ook geldleningen door [erflater] aan [appellant] ter beschikking waren gesteld. [appellant] zelf heeft zich daarbij in deze procedure in eerste aanleg, uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat door [appellant] van [erflater] geleende bedragen (nog) niet terugbetaald hoefden te worden, omdat de daarvoor geldende specifieke voorwaarde (nog) niet was vervuld. Met name dit laatste is moeilijk te rijmen met het inmiddels ingenomen standpunt van [appellant] dat [erflater] nóóit geld aan [appellant] geleend heeft, maar het áltijd om sponsoring ging.

Deze wisselende stellingnames van [appellant] , waarbij zij enerzijds nu stelt dat er nooit enige lening met [erflater] is aangegaan, terwijl zij tegelijk in deze procedure bij de rechtbank zelf gedetailleerd heeft gesteld dat voor de terugbetaling van [erflater] geleende gelden een bijzondere voorwaarde was afgesproken, verdragen zich niet met elkaar. Nu [appellant] haar stelling dat het om sponsorgelden zou gaan, niet van enige schriftelijke onderbouwing heeft voorzien, komt het hof, in het licht van het gemotiveerde (wel met stukken onderbouwde) verweer van [geïntimeerden] , tot het oordeel dat [appellant] haar stelling dat nooit enig bedrag door [erflater] is geleend aan [appellant] en dat de terugbetaalde € 72.159,80 sponsorgeld betrof, onvoldoende gemotiveerd heeft, zodat zij in dat verband niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Deze stelling van [appellant] moet reeds daarom worden verworpen en aan bewijslevering kan niet worden toegekomen.

De door [appellant] in dit hoger beroep gewijzigde grondslag voor haar vorderingen kan dus niet tot toewijzing (van een) daarvan leiden, laat staan tot vernietiging van het vonnis in eerste aanleg.

Oorspronkelijke grondslag: geldleningen

In het petitum van de memorie van grieven vordert [appellant] onder III dat het vonnis zal worden vernietigd en de vorderingen van [appellant] zoals gedaan in eerste aanleg alsnog worden toegewezen. Het hof begrijpt hieruit dat [appellant] , naast de hiervoor besproken gewijzigde grondslag, (subsidiair) ook de oorspronkelijke grondslag voor haar vorderingen handhaaft. In dat verband geldt het volgende.

Voorop staat dat tussen partijen vast staat dat [erflater] gedurende zijn penningmeesterschap meerdere betalingen van zijn eigen bankrekeningen aan [appellant] heeft gedaan. Over de exacte totale hoogte daarvan hebben partijen zich niet uitgelaten, maar uit deze procedure en die genoemd in 3.4, laat zich afleiden dat het om tenminste € 270.000,- gaat, waarvan [appellant] in elk geval ruim € 197.000,- (wat de grondslag daarvoor ook is geweest) nooit zal hoeven terugbetalen. De enige twee grondslagen die door (een van) partijen in deze (en in die voorgaande) procedure voor die betalingen zijn gesteld, zijn sponsoring en geldlening.

Het hof heeft hierboven (5.4 tot en met 5.10) al geoordeeld dat in deze procedure, ten aanzien van die nu door [appellant] gevorderde € 72.159,80 niet kan worden vastgesteld dat dat eerder door [erflater] aan [appellant] betaalde sponsorgelden betreft. Dat laat geldlening(en) over. Het hof zal er in het navolgende dan ook steeds vanuit gaan dat de in het geding zijnde betalingen van totaal € 72.159,80, terugbetalingen betreffen van eerder door [erflater] aan [appellant] geleende gelden.

De oorspronkelijke, bij dagvaarding in eerste aanleg geformuleerde, grondslagen voor de vordering van [appellant] komen erop neer dat [erflater] , zonder dat daarvoor enige juridische grondslag bestond en bovendien onbevoegd, het totaalbedrag van € 72.159,80 aan zichzelf heeft terugbetaald, vanaf de bankrekening van [appellant] . [erflater] heeft zichzelf daarmee ongerechtvaardigd verrijkt, namens [appellant] onverschuldigd betaald en/of onrechtmatig gehandeld, aldus [appellant] .

Grondslag ongerechtvaardigde verrijking

Omdat het, gezien al het voorgaande, om een aflossing van geldleningen gaat, kan hier geen sprake zijn van ongerechtvaardigde verrijking. Zelfs niet als [erflater] daadwerkelijk onbevoegdelijk en/of onrechtmatig heeft gehandeld. Aan de zijde van [appellant] is immers geen sprake van een verarming, nu met de terugbetaling haar schuld aan [erflater] evenredig is verminderd. Als [erflater] door deze betalingen al zou zijn verrijkt is, is dat niet ten koste gegaan van [appellant] , wat voor een succesvol beroep op deze figuur wel noodzakelijk is (artikel 6:212 BW). Voor zover door [appellant] nog is gesteld dat voor terugbetaling noodzakelijke voorwaarden nog niet waren vervuld, zal het hof dat hierna bespreken.

Deze grondslag valt dus af.

Grondslag onverschuldigde betaling

[appellant] stelt dat voor de terugbetaling een bijzondere voorwaarde gold. Namelijk dat de opbrengst van de kantine toereikend was om terugbetalingen te gaan doen. Volgens [appellant] was dat echter nog niet het geval. Daarom was elke terugbetaling volgens haar onverschuldigd.

Het hof zal in het navolgende er veronderstellenderwijs vanuit gaan dat de betreffende voorwaarde inderdaad in enigerlei vorm is afgesproken. Hoe die dan exact luidde kan in het midden blijven, zoals hierna zal blijken.

Omdat [appellant] stelt dat aan die voorwaarde nog niet was voldaan en zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept rust de stelplicht en (zo nodig) de bewijslast op haar. [appellant] heeft deze stelling echter niet (met stukken) onderbouwd. Zij beroept zich in plaats daarvan (enkel) op het vonnis en het arrest in de al vaker genoemde eerdere procedure (zie 3.4). Volgens [appellant] is in die procedure door de rechtbank geoordeeld, en door het hof bekrachtigd, dat “de kantine nooit zodanige winst heeft gemaakt dat terugbetaling kon worden verlangd en de geldleningen daarmede nooit opeisbaar zijn geweest” (randnummer 15 dagvaarding in eerste aanleg).

[appellant] leest de uitspraken van rechtbank en hof echter niet juist. Daarbij is van belang dat in die zaak [erflater] de partij was op wie de bewijslast en het bewijsrisico rustte, omdat hij betaling eiste en zich daarbij kennelijk op het standpunt stelde dat al wel aan de voorwaarde voor terugbetaling was voldaan. De omgekeerde situatie van deze procedure dus.

De rechtbank heeft in die eerdere procedure, in het vonnis van 19 januari 2019 het volgende overwogen (r.o. 4.14.4):

“Tussen partijen is dus niet in geschil dat de kantine winst oplevert. Dat deze opbrengst toereikend is om een bedrag ter grootte van de vorderingen terug te betalen, is echter niet gebleken. [geïntimeerden] heeft dit niet, althans niet voldoende, onderbouwd. Feiten of omstandigheden waaruit volgt dat [appellant] ondanks de summiere opbrengst van de kantine, in staat is om de geleende bedragen van € 197.858,78 plus € 27.200,00 terug te betalen, zijn door [geïntimeerden] niet aangevoerd. Er is dus niet vast komen te staan dat voldaan is aan de voorwaarde dat [appellant] pas hoeft terug te beta[l]en als de kantine goed draait en zij daartoe dus in staat is”.

De rechtbank oordeelt hier – kort gezegd – dat niet kan worden vastgesteld dat wél is voldaan aan de voorwaarde voor terugbetaling. En daarom wijst de rechtbank de vordering van [erflater] in die procedure af.

Voor het arrest van het hof geldt hetzelfde. Het hof overweegt in het arrest van 14 september 2021 het volgende:

R.o. 6.12.2 (voor zover hier van belang):“ Ter toelichting op stelling 2 (dat de kantine-opbrengsten [appellant] feitelijk ook tot terugbetaling van de geleende bedragen in staat stellen) voeren [geïntimeerden] in beroep aan (…). (…) Dat [geïntimeerden] (…) in beroep niet (voldoende) concrete nadere feiten inroepen maakt dat [geïntimeerden] ook niet voldoen aan hun stelplicht voor stelling 2.”

Ook het hof oordeelt dus dat [erflater] in die procedure niet aan zijn stelplicht had voldaan ten aanzien van het vervullen van de terugbetalingsvoorwaarde. Maar ook hier weer staat dat niet gelijk aan het tegengestelde oordeel dat niet aan die voorwaarde is voldaan. Dat is een vraag die niet aan het hof was voorgelegd en ook niet is beantwoord.

Zoals hiervoor al overwogen, doet zich in deze procedure het omgekeerde voor. Nu eist [appellant] betaling en stelt daartoe dat zij nog niet had hoeven terugbetalen omdat aan de voorwaarde voor die terugbetaling nog niet was voldaan.

Dat brengt het hof terug bij het hiervoor onder 5.19 vooropgestelde. Namelijk dat in deze procedure de stelplicht en de bewijslast (en daarmee ook het bewijsrisico) voor de stelling dat nog niet aan de terugbetalingsvoorwaarde was voldaan, op [appellant] rusten en dat [appellant] , in weerwil daarvan, geen enkele onderbouwing (al dan niet in de vorm van stukken) voor die stelling heeft geboden.

Daarmee heeft in deze procedure [appellant] niet aan haar stelplicht voldaan, zodat haar stelling wordt verworpen en deze niet tot toewijzing van haar vorderingen kan leiden. Ook deze grondslag valt daarmee af.

Grondslag onbevoegd handelen 1: geen goedkeuring voor aangaan leningen

Volgens [appellant] heeft [erflater] nooit de noodzakelijke goedkeuring van de algemene vergadering gekregen om de geldleningen aan te gaan en is alles ook zonder medeweten van de rest van het bestuur gedaan. [appellant] beroept zich hierbij op artikel 15, lid II onder c van haar statuten. Volgens [appellant] betekent het ontbreken van die goedkeuring dat de leningen nooit rechtsgeldig zijn aangegaan en dus dat ook de terugbetaling zonder rechtsgrond, althans door [erflater] onbevoegd, is gedaan.

Deze stellingname kan [appellant] niet baten. Als de redenering van [appellant] gevolgd wordt, moet er dus (veronderstellenderwijs) vanuit worden gegaan dat er nooit rechtsgeldige leningen tussen [erflater] en [appellant] zijn aangegaan (voor die € 72.159,80). In dat geval zijn de aan deze terugbetaling(en) voorafgaande, door [erflater] aan [appellant] gedane betalingen zonder rechtsgrond gedaan. In dat scenario heeft [erflater] € 72.159,80 onverschuldigd aan [appellant] betaald, uit welke omstandigheid dan automatisch wel de rechtsgrond voor de terugbetaling van die bedragen voortvloeit (zoals ook in de onder 3.4 genoemde procedure door de rechtbank in eerste aanleg al in het vonnis overwogen, r.o. 4.10 en 4.11).

Het moet het hof van het hart dat het toch wel enige moeite heeft met deze stellingname van [appellant] . Dat geldt zeker gelet op de omvang van de door [erflater] aan [appellant] (en andersom) overgemaakte bedragen, de doelen waarvoor deze werden aangewend en het door [appellant] niet weersproken verweer van [geïntimeerden] dat jaarlijks door een kascommissie de financiële gang van zaken werd gecontroleerd en (kennelijk) akkoord bevonden. Dat bij dit alles kennelijk geen schriftelijke overeenkomsten ter zake van de leningen zijn opgemaakt doet daar niet aan af. De in het geding gebrachte verklaringen kunnen dat naar het oordeel van het hof ook niet anders maken. Daarbij valt op dat de verklaringen van de (oud) bestuursleden (ingebracht als productie 8 bij dagvaarding in eerste aanleg) naar vorm en inhoud geheel identiek zijn. Wat hier verder ook van zij, deze verklaringen, die op punten op gespannen voet staan met de stellingnames van [appellant] in deze procedure, raken niet het oordeel dat bij het ontbreken van goedkeuring sprake zou zijn van onverschuldigde betaling door [erflater] .

Grondslag onbevoegd handelen 2: geen goedkeuring voor het doen van terugbetalingen

Onder meer in grief 5 voert [appellant] aan dat [erflater] de terugbetalingen “zonder medeweten en goedkeuring van de rest van het bestuur en zonder de vereiste goedkeuring van de algemene ledenvergadering heeft gedaan”.

[appellant] laat na om te concretiseren en onderbouwen op grond waarvan “medeweten en goedkeuring van de rest van het bestuur” en/of “goedkeuring van de algemene ledenvergadering” voor deze betalingen noodzakelijk waren. Voor zover zij zich ook in dit verband op het al eerder genoemde artikel 15, lid II onder c van de statuten bedoelt te beroepen, miskent zij de inhoud daarvan. Op grond van deze bepaling behoeft het bestuur namelijk enkel goedkeuring van de algemene vergadering “voor het besluiten tot het ter leen verstrekken van gelden, alsmede het ter leen opnemen van gelden”. Over het doen van aflossingen op leningen zegt dit artikel helemaal niets.

Bij gebreke van enige (nadere) onderbouwing geldt dat [appellant] ook ten aanzien van deze stelling onvoldoende heeft gesteld, zodat ook deze stelling moet worden verworpen, zonder dat aan bewijslevering kan worden toegekomen.

Daarmee staat vast dat ook de grondslag onbevoegd handelen af valt.

Grondslag onrechtmatig handelen en artikel 2:9 BW, schade

Ten slotte stelt [appellant] in de memorie van grieven dat [erflater] onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar en beroept zij zich daarnaast op artikel 2:9 BW. Een concrete onderbouwing, anders dan de twee hierboven besproken goedkeuringskwesties, ontbreekt echter en [appellant] volstaat met algemeenheden als dat [erflater] “onmiskenbaar tekortgeschoten [is] als bestuurder” en geen enkel ander bestuurder onder dezelfde omstandigheden zo zou hebben gehandeld als [erflater] heeft gedaan.

Ook dat [erflater] [appellant] schade zou hebben toegebracht wordt op geen enkele wijze onderbouwd. Nu het ervoor moet worden gehouden dat de terugbetalingen aflossingen van leningen betreffen en daarnaast inmiddels vast staat dat [appellant] van de door [erflater] door de jaren heen aan haar betaalde € 270.000,-- (of meer) in elk geval ruim € 197.000,-- nooit terug hoeft te betalen, is dat ook niet aannemelijk.

Ook hier geldt weer dat [appellant] niet aan haar stelplicht heeft voldaan en daarmee dat deze stellingen, zonder dat aan bewijslevering kan worden toegekomen, worden verworpen.

Ook deze laatste grondslagen voor de vorderingen van [appellant] vallen dus af.

Bewijsaanbod

Het hof passeert het door [appellant] onder randnummer 30 van de memorie van grieven gedane bewijsaanbod. [appellant] biedt aan middels een deskundigenbericht de totale hoogte van de onttrekkingen door [erflater] te bewijzen. Zij is naar eigen zeggen (randnummer 29 memorie van grieven) echter in het bezit van de “volledige bankspecificaties”. Ook op basis daarvan kan zij vaststellen wat en hoeveel [erflater] heeft “onttrokken”. Een deskundigenbericht kan daar niets aan toevoegen. Het had bovendien op de weg van [appellant] gelegen om in een eerder stadium, indien zij meent dat dat meer is dan de in het geding zijnde € 72.159,80, een onderbouwing daarvan te geven. Voor zover [appellant] nog anderszins bewijs heeft aangeboden, komt het hof aan bewijslevering, gelet op de onvoldoende invulling die [appellant] heeft gegeven aan haar stelplicht, niet toe.

Conclusie

De conclusie die uit al het voorgaande volgt is dat geen van de door [appellant] gestelde grondslagen tot toewijzing van de vorderingen kan leiden en dat die zullen worden afgewezen en het vonnis zal worden bekrachtigd. Omdat geen van de grieven, zelfs als een of meer daarvan zouden slagen, tot een ander oordeel kan leiden, behoeven deze geen nadere, afzonderlijke bespreking (voor zover die nog niet in het voorgaande is vervat).

Proceskosten incident en hoofdzaak

Omdat het hof de beslissing over de proceskosten in het incident in het arrest van 16 juli 2024 heeft aangehouden zal het hof nu ook over de kosten in het incident beslissen. Het hof ziet aanleiding om de proceskosten in het incident te compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Het hof zal [appellant] daarnaast als de in de hoofdzaak in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van dit hoger beroep veroordelen. Die kosten aan de zijde van [geïntimeerden] zullen vastgesteld worden op:

Griffierecht € 783,00

Salaris advocaat € 7.056,00 (3 punten x tarief IV)

Nakosten € 189,00 (plus de verhoging als vermeld in de beslissing)

Totaal € 8.028,00

6. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep,

compenseert de proceskosten in het incident, zodat elke partij de eigenkosten draagt,

veroordeelt [appellant] in de proceskosten in de hoofdzaak, aan de zijde van [geïntimeerden] groot € 8.028,00, als [appellant] niet aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, vermeerderd met € 98,00 en met de kosten van betekening.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.B. Smits, E.H. Schulten en M.C. Schepel en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 september 2026.

griffier rolraadsheer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand