Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank
Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 28 november 2022, in de strafzaak met parketnummer 01-063992-22 tegen:
[verdachte] ,
73-78), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,
wonende te [adres]
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘witwassen’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft de politierechter de onder de verdachte inbeslaggenomen geldbedragen verbeurdverklaard.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde feit bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de inbeslaggenomen geldbedragen verbeurd zal verklaren.
De verdediging heeft primair vrijspraak van het tenlastegelegde feit bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van de inbeslaggenomen geldbedragen heeft de verdediging verzocht om de teruggave aan de verdachte te gelasten.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 11 februari 2022 tot en met 1 maart 2022 te Grave, in de gemeente Land van Cuijk, in elk geval in Nederland,
- van een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld, tot een totaalbedrag van
€ 10.960,-, de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, althans heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat voorwerp was/waren en/of dat voorwerp voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, en/of
- een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld, tot een totaalbedrag van € 10.960,-, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of van voormeld voorwerp gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in de periode van 11 februari 2022 tot en met 1 maart 2022 te Grave, in de gemeente Land van Cuijk, in elk geval in Nederland, een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld, tot een totaalbedrag van € 10.960,-, voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het dossier van de
Koninklijke Marechaussee, Landelijk Tactisch Commando, Brigade Scheldestromen, dossiernummer PL27YS/22-000917, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 1] , adjudant-onderofficier der Koninklijke Marechaussee, gesloten d.d. 22 maart 2022, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte
processen-verbaal met daarin gerelateerde bijlagen (niet alle pagina’s van het dossier zijn doorgenummerd, zodat het hof hieronder zal verwijzen naar de digitale dossierpagina’s
1-80).
Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 maart 2022 (digitale dossierpagina’s 24-28), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 1] :
Het betrof betrokkene:
Familienaam: [verdachte]
Voornaam: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedag] 1979
Geboorteplaats: [geboorteplaats]
Land: Suriname
Op donderdag 10 februari 2022 is [verdachte] , in afwachting van een plaatsing in
een Huis van Bewaring, overgebracht naar het cellencomplex Mijkenbroek te
Breda.
De bagage van [verdachte] , zijnde 1 grote koffer en 1 sporttas, is overgebracht naar de eerdergenoemde brigade en is daar veilig gesteld en ter plaatse gestald.
De genoemde bagage is niet gecontroleerd.
Op 11 februari 2022 is [verdachte] (het hof begrijpt gelet op de context telkens: de verdachte [verdachte]) overgebracht naar de Penitentiaire Inrichting Grave Oosterhoek, gelegen aan de Muntlaan 1 te Grave in de gemeente Land van Cuijk (verder te noemen als PI Grave).
Op 11 februari 2022, omstreeks 16:15 uur, werd [verdachte] door medewerkers van de PI Grave bij binnenkomst gevisiteerd. Tijdens deze visitatie trachtte [verdachte] een pakket met geld, omwikkeld met plasticfolie, te verstoppen. Het bleek dat dit pakket geld, met een waarde van 3.000 euro, afkomstig was uit een sok van [verdachte] en tevens op zijn lichaam (toevoeging hof: was) verstopt.
Op 17 februari 2022 werd door de raadsman van [verdachte] verzocht om de eerdergenoemde bagage naar de PI Grave te verplaatsen, zodat [verdachte] kon beschikken over zijn goederen.
Op 24 februari 2022 is de bagage van [verdachte] door de Dienst Vervoer en Ondersteuning op de eerdergenoemde brigade opgehaald en afgeleverd bij de PI Grave.
Op 1 maart 2022, omstreeks 14:00 uur, is de bagage van [verdachte] door medewerkers van de PI Grave gecontroleerd ter afwending van contrabande. Tijdens deze controle werd het volgende aangetroffen:
In de grote koffer:
- een pakketje met briefgeld, uitsluitend 20 eurobiljetten, in plasticfolie verpakt.
In de sporttas:
- een pakket met briefgeld, inhoudende biljetten van 20 en 50 euro.
De bij de controle aangetroffen pakketten met geld zijn door medewerkers van de PI Grave, conform het huishoudelijk reglement, geteld. Hieruit bleek dat het totaalbedrag van beide pakketten 7.960 euro bedroeg.
Op 4 maart 2022 is door opsporingsambtenaren van de Koninklijke Marechaussee het onderstaande overgenomen van medewerkers van de PI Grave:
- een pakket geld, met de totale waarde van 3.000 euro;
- een pakket geld, met de totale waarde van 7.960 euro.
Op 4 maart 2022 te 13:00 uur zijn de goederen, zoals hierboven genoemd, in beslag genomen. Op 4 maart 2022, omstreeks 13:00 uur, is het inbeslaggenomen geld door opsporingsambtenaren van de Koninklijke Marechaussee geteld. Hieruit bleek dat het totaalbedrag 10.960 euro bedroeg.
2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 maart 2022 met bijlage (digitale dossierpagina’s 53-54), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
Op 04 maart 2022, omstreeks 13:00 uur, bevonden wij ons op de Brigade der Koninklijke Marechaussee Scheldestromen, gelegen te Hoogerheide in de gemeente Woensdrecht.
Op bovengenoemde dag, datum, tijd en plaats hebben wij het geld dat was aangetroffen onder [verdachte] geteld. Hierbij zagen wij dat het de volgende coupures en aantallen bevatte:
- 76 x 50 euro met een totale waarde van 3.800 euro
- 357 x 20 euro met een totale waarde van 7.140 euro;
- 2 x 10 euro met een totale waarde van 20 euro.
Bij elkaar opgeteld maakt dit een totale waarde van 10.960 euro.
3. Het schriftelijk bescheid, zijnde een schriftelijk verslag: rapport (art. 50.1 PBW) d.d. 11 februari 2022 (digitale dossierpagina 39), voor zover inhoudende:
Gedetineerde: [verdachte] .
Geboortedatum: [geboortedag] 1979
Inrichting: Grave Oosterhoek
Vandaag vrijdag 11 februari 2022 omstreeks 16:15 uur was ik Rapporteur [nummer 1] samen met mijn collega [nummer 2] belast met de visitatie van betrokkene nadat hij als inkomst binnen was gekomen. Voorafgaand aan de visitatie heb ik betrokkene gevraagd of hij nog iets bij zich had, waarop hij met nee antwoordde. Tijdens visitatie bukte ik om zijn schoenen te pakken en zag in mijn ooghoek dat betrokkene iets achter het bakje (die op de kast van de slippers staat) verstopte. Toen ik dit controleerde bleek betrokkene een pakket met geld (omwikkeld met plastic folie) achter het bakje te hebben geplaatst. Na tellen bleek dit €3000,- te zijn. Ik vroeg betrokkene waarom hij dit verstopte maar gaf hier geen antwoord op. Uiteindelijk gaf betrokkene aan dat dit in zijn sok verstopt zat.
4. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 7 maart 2022 (digitale dossierpagina’s
V: vraag verbalisanten
A: antwoord verdachte
O: opmerking verbalisanten
V: Op 11 februari 2022 bent u overgebracht naar de Penitentiaire Inrichting Grave Oosterhoek en is er tijdens uw visitatie aldaar een pakket geld aangetroffen bij u. Klopt dat?
A: Ja.
V: Hoeveel betrof dit?
A: 3.000 euro.
V: In welke coupures was dit geld verpakt?
A: Dit waren coupures van 20 en 50 euro.
V: Hoe zat dit verpakt?
A: In plasticfolie.
V: Waar was dit geld bij u aangetroffen?
A: In mijn boxershort.
5. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 24 juli 2026, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
U houdt mij voor dat ik ten tijde van het tenlastegelegde een contant geldbedrag van 3.000 euro en een bedrag van 7.960 euro voorhanden had. Dat klopt. Ik heb bij de Koninklijke Marechaussee verklaard dat het spaargeld was van mijn vrouw en dat het bestemd was om spullen voor mijn vrouw te kopen, maar dat was niet waar.
Bewijsoverwegingen
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit wegens een gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs.
De verdediging heeft vooropgesteld dat de verklaring die de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep met bijstand van een tolk heeft afgelegd de kern van de bewijsvoering vormt en als uitgangspunt moet worden genomen voor het verdere onderzoek. Het eerdere verhoor van verdachte op 7 maart 2022 door de Koninklijke Marechaussee vond plaats zonder tolk en toen zijn veel dingen opgeschreven die achteraf bezien volgens de verdachte niet kloppen. Er was sprake van een taalbarrière. Verdachte heeft bij dat verhoor vooral verklaard wat hij met het geld wilde doen, namelijk spullen kopen voor zijn vrouw, en niet over de herkomst van het geld.
Voorts heeft de verdediging– op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern aangevoerd dat de verdachte een verklaring heeft afgelegd die kan worden aangemerkt als concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk of ongeloofwaardig. De verklaringen die zijn afgelegd door de verdachte en zijn broer komen overeen met de objectieve bewijsmiddelen in het procesdossier. Het lag op de weg van het Openbaar Ministerie om daarnaar nader onderzoek te verrichten. Dat onderzoek is uitgebleven.
Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad, is door de verdediging bepleit dat een veroordeling voor witwassen zonder concreet gronddelict in zijn algemeenheid mogelijk is, maar daarvoor geldt wel een strenge bewijsrechtelijke toets. Het moet op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kunnen zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Hieraan is volgens de verdediging in dit geval niet voldaan.
Juridisch kader
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van witwassen vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf" kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Als de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder, het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden en dus dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo’n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs.
Feiten en omstandigheden
Het hof leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de navolgende feiten en omstandigheden af.
De verdachte is op 11 februari 2022 gevisiteerd bij binnenkomst in de PI Grave. Tijdens de visitatie werd waargenomen dat de verdachte een met plasticfolie omwikkeld pakket met geld, met naar later bleek een waarde van € 3.000,00, trachtte te verstoppen. Desgevraagd heeft de verdachte verklaard dit geld daarvoor op zijn lichaam te hebben gedragen. Hierna is de bagage van de verdachte gecontroleerd. In een koffer van de verdachte werd een in plasticfolie verpakt pakket met briefgeld aangetroffen, bestaande uit biljetten van 20 euro. In een sporttas van de verdachte werd een pakket met briefgeld aangetroffen, bestaande uit biljetten van 20 euro en 50 euro. De aangetroffen contante geldbedragen in de koffer en de sporttas van de verdachte hadden een totale waarde van € 7.960,00. Uit het proces-verbaal van bevindingen, dat is opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , blijkt dat er in totaal 76 biljetten van 50 euro, 357 biljetten van 20 euro en 2 biljetten van 10 euro onder de verdachte in beslag zijn genomen, met een totale waarde van € 10.960,00.
Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen de voornoemde feiten en omstandigheden, in het bijzonder:
- de wijze waarop de inbeslaggenomen geldbedragen waren verpakt,
- de plek waar een gedeelte van het geld door de verdachte werd bewaard (op het lichaam van de verdachte),
- het feit dat de verdachte bij zijn visitatie dit geld trachtte te verstoppen, en
- de omstandigheid dat de aangetroffen geldbedragen bestonden uit kleine coupures,
het vermoeden dat het geld afkomstig is uit enig misdrijf. Dit betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag.
De verdachte heeft in deze zaak op verschillende momenten een verklaring afgelegd omtrent de herkomst van de aangetroffen geldbedragen.
Na zijn visitatie heeft hij verklaard dat het in plasticfolie verpakte aangetroffen pakket met geld met een waarde van € 3.000,00 spaargeld betrof van zijn vrouw en dat dit bestemd was om er spullen mee te kopen voor zijn vrouw.
Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat zijn cliënt het aangetroffen geldbedrag heeft verdiend met het delven en het verkopen van goud. Nadien heeft de raadsman van de verdachte te kennen gegeven dat dit onjuist is opgenomen in het proces-verbaal en dat niet de verdachte, maar zijn broer het geldbedrag zou hebben verdiend in de goudhandel. Verder heeft de raadsman ten overstaan van de politierechter in eerste aanleg naar voren gebracht dat het geldbedrag bestemd was om er machines ten behoeve van de ‘goud business’ mee te kopen.
Het hof heeft in hoger beroep op verzoek van de verdediging opdracht gegeven om de broer van de verdachte, [getuige] , bij de raadsheer-commissaris als getuige te horen. De getuige is op 3 februari 2025 en op 18 augustus 2025 gehoord via een videoverbinding met de rechtbank in Paramaribo. Tijdens het verhoor op 18 augustus 2025 heeft de getuige verklaard dat hij 403 gram goud had verdiend aan de goudhandel en dat dit een waarde had van 20.000 USD. De getuige heeft voorts verklaard dat hij een deel hiervan heeft omgewisseld naar euro’s en dat hij dit geldbedrag van € 11.500,00, bestaande uit biljetten van 20 euro en 50 euro, vervolgens heeft verstuurd naar de verdachte, ten behoeve van de aankoop van een machine in Nederland. De getuige zou het geld hebben meegegeven aan een jongen in Suriname teneinde het aan de verdachte, die in Frankrijk woont, te overhandigen.
De broer van de verdachte heeft in een schriftelijke toelichting, die deel uitmaakt van de stukken die de verdediging eerder bij de rechtbank heeft ingebracht in een klaagschriftprocedure als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, naar voren gebracht dat een vriend van hem met de naam ‘ [naam] ’ met een geldbedrag van € 12.500,00 zou zijn teruggereisd naar de verdachte in Frankrijk. Ter onderbouwing daarvan heeft de verdediging een afschrift van vliegtickets op naam van deze [naam] en een kopie van een bon van het bedrijf [bedrijf] , waar het goud zou zijn ingewisseld voor een bedrag in dollars, overgelegd.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte ten overstaan van het hof verklaard dat hij het geldbedrag op een station in Frankrijk van een vriend van zijn broer in ontvangst heeft genomen nadat deze telefonisch contact met hem had opgenomen. De verdachte zou met dat geldbedrag in Nederland een (mini)graafmachine voor zijn broer gaan kopen die vervolgens zou worden verscheept naar Suriname. De verdachte beschikte nog niet over nadere informatie en specificaties van de machine. Hij zou voorafgaand aan de aankoop telefonisch contact hebben met zijn broer die hem dan zou instrueren welke graafmachine zou moeten worden aangekocht. De verdachte heeft verklaard dat hij geen ervaring heeft met en geen verstand heeft van (de aankoop van) graafmachines.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat het – anders dan de verdediging– van oordeel is dat de omstandigheid dat het verhoor van de verdachte ten overstaan van de Koninklijke Marechaussee op 7 maart 2022 zonder bijstand van een tolk heeft plaatsgevonden, geen aanleiding vormt om te veronderstellen dat toen sprake is geweest van enige vorm van miscommunicatie. Blijkens pagina 60 (doorgenummerd als pagina 48) van het dossier heeft de verdachte verklaard de Nederlandse taal goed te begrijpen. Op grond van de inhoud van het verhoor en de wijze waarop de verdachte de vragen heeft beantwoord, gaat het hof ervan uit dat de verdachte genoegzaam heeft begrepen welke vragen aan hem zijn gesteld en dat hij in staat was deze ook adequaat in het Nederlands te beantwoorden. Het hof neemt hierbij ook in aanmerking dat tijdens de terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte vragen in het Nederlands begrijpt en zich goed kan uitdrukken in het Nederlands. De enkele omstandigheid dat de door de verdachte gegeven antwoorden op vragen volgens de verdachte achteraf gezien niet kloppen, betekent niet noodzakelijkerwijs dat kennelijk (toch) sprake was van een taalbarrière noch dat deze antwoorden anderszins geheel of gedeeltelijk terzijde zouden moeten worden gesteld. Het hof acht ook overigens geen gronden aanwezig om te oordelen dat op de door de verdachte afgelegde verklaring geen acht kan worden geslagen.
Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de verdachte bij gelegenheid van het eerste verhoor ten aanzien van een substantieel gedeelte van het aangetroffen geldbedrag, namelijk het geldbedrag van € 3.000,00, heeft verklaard dat het geldbedrag spaargeld betrof van zijn vrouw en dat het geldbedrag bedoeld was om spullen te kopen voor zijn vrouw. Toen aan de verdachte nadere vragen over de geldbedragen werden gesteld, heeft de verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen. De verklaring over de herkomst van een deel van het geld heeft de verdachte daarna niet langer gehandhaafd. In plaats daarvan heeft de verdachte verklaard dat hij het geldbedrag in Frankrijk van een vriend van zijn broer heeft ontvangen en dat de verdachte daarmee een (mini)graafmachine in Nederland zou kopen voor zijn broer in Suriname. De verdachte heeft zijn verklaring achteraf onderbouwd aan de hand van schriftelijke stukken.
Het hof stelt allereerst vast dat de oorspronkelijk door de verdachte gegeven verklaring over de herkomst van het geld, namelijk dat (een deel van) het geld spaargeld betreft van zijn vrouw, niet juist is. De verdachte heeft immers ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat dit niet waar is.
In plaats daarvan heeft de verdachte een andere verklaring gegeven voor de herkomst van het tenlastegelegde geld. Het hof is van oordeel dat, ingeval de andersluidende verklaring van de verdachte omtrent de aankoop van een graafmachine in Nederland voor zijn broer in Suriname juist zou zijn, de verdachte die verklaring direct ten overstaan van de Koninklijke Marechaussee had kunnen afleggen teneinde te onderbouwen dat het geldbedrag niet van misdrijf afkomstig is. Waarom de verdachte dat toen niet heeft gedaan, heeft hij niet kunnen verduidelijken. Deze omstandigheden doen naar het oordeel van het hof afbreuk aan de geloofwaardigheid van de nadien door de verdachte afgelegde verklaring over de herkomst van het contante geld.
Het hof neemt hierbij in aanmerking dat, zoals ook aan de orde is in het arrest Hof Amsterdam 27 februari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:433, de in Frankrijk verblijvende verdachte niet in staat is om specifieke informatie te verstrekken over de graafmachine die in Nederland voor zijn broer in Suriname zou moeten worden aangekocht en evenmin over de wijze waarop die aankoop zou moeten plaatsvinden. Zo heeft de verdachte geen nadere informatie kunnen verstrekken over het type graafmachine dat hij zou moeten aankopen. Ook anderszins had de verdachte, die ten tijde van het tenlastegelegde Nederland al was ingereisd met het geld, naar eigen zeggen geen instructies van zijn broer ontvangen, terwijl het meer dan logisch zou zijn geweest om iemand die naar eigen zeggen niet bekend is met (de aankoop van) graafmachines en die met een contant geldbedrag van meer dan
€ 10.000,00 op pad wordt gestuurd, op voorhand van duidelijke instructies te voorzien.
Tot slot stelt het hof vast dat niet alleen de verklaringen van de verdachte wezenlijk van elkaar verschillen, alsmede met die van zijn broer, voor zover hij verklaarde dat een substantieel deel van het geld van zijn vrouw afkomstig was, maar ook dat de verklaring van de broer van de verdachte afwijkt van een eerder in de klaagschriftprocedure ingediende schriftelijke toelichting op naam van die broer, onder meer waar het de hoogte betreft van het geldbedrag dat door hem aan de verdachte zou zijn verstrekt (respectievelijk € 11.500,00 en € 12.500,00) en het doel (de aankoop van “machines” respectievelijk de aankoop van één (graaf)machine). Concrete gegevens over de (graaf)machine die zou moeten worden aangeschaft en waar in Nederland die aankoop precies zou gaan plaatsvinden, en een plausibele verklaring waarom zou zijn gekozen voor deze omslachtige en risicovolle manier van geldvervoer blijken overigens ook niet uit die verklaringen.
Gelet op voornoemde omstandigheden – in onderling verband en samenhang beschouwd – is het hof van oordeel dat de verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld niet geloofwaardig is.
Dat betekent dat de resultaten van het nadere onderzoek van dien aard zijn dat mede op basis daarvan geen andere conclusie mogelijk is dan dat het onder de verdachte aangetroffen contante geldbedrag van in totaal € 10.960,- onmiddellijk of middellijk afkomstig is uit enig misdrijf en dat de verdachte, gelet op het verstoppen van het geld en zijn tegenstrijdige verklaringen, dat ook wist.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van het hiervoor overwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
witwassen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep een straftoemetingsverweer gevoerd voor het geval dat het hof tot een bewezenverklaring komt. De verdediging heeft primair bepleit dat het hof toepassing zal geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het hof zal volstaan met de oplegging van een geheel voorwaardelijke straf aan de verdachte.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
In het bijzonder heeft het hof het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van in totaal € 10.960,00. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Opbrengsten van misdrijven worden hierdoor bovendien aan het zicht van justitie onttrokken, waardoor witwassen ook het plegen van misdrijven aantrekkelijk kan maken. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 21 mei 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van valsheid in geschrift, maar niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een soortgelijk strafbaar feit.
Het hof heeft tevens acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het procesdossier en ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte daarover naar voren gebracht dat hij in Frankrijk woonachtig is met zijn vrouw. De verdachte heeft 8 kinderen, waarvan 4 kinderen woonachtig zijn in Frankrijk en 4 kinderen in Suriname. De verdachte ontvangt een uitkering ter hoogte van € 300,00 à € 400,00 per maand en is thans op zoek naar werk.
Alles afwegend acht het hof de oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest ingeval van tenuitvoerlegging, passend en geboden. Deze strafafdoening impliceert dat het hof, anders dan de verdediging, van oordeel is dat toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen recht doet aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit. Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Redelijke termijn
De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn is geschonden en dat daar rekening mee dient te worden gehouden in de strafmaat.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een afdoening van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen.
Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.
Het hof stelt vast dat er in eerste aanleg geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.
Wel is het hof in de onderhavige zaak gebleken dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Immers is op 28 november 2022 namens de verdachte hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 7 augustus 2026 – en dus niet binnen twee jaren na het instellen van het hoger beroep – arrest wijst. De redelijke termijn in hoger beroep is hierdoor met ruim 20 maanden overschreden, terwijl dit niet aan de verdachte valt toe te rekenen. Naar het oordeel van het hof zijn er geen bijzondere omstandigheden aanwezig die deze overschrijding rechtvaardigen.
Nu het hof een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van korte duur oplegt, ziet het hof geen reden voor compensatie in de vorm van strafvermindering. Het hof zal daarom volstaan met de enkele constatering van de schending van de redelijke termijn.
Beslag
Het onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van
€ 10.960,00, dient naar het oordeel van het hof verbeurd te worden verklaard, nu het een voorwerp is met betrekking tot welke het tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit is begaan. De verklaring van de verdachte dat het geldbedrag toebehoort aan zijn broer, acht het hof ongeloofwaardig.
Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de eventuele uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
Aldus gewezen door:
mr. H.A.T.G. Koning, voorzitter,
mr. R.G.A. Beaujean en mr. J.J. Peters, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Vessem en mr. T.H.J. Menting, griffiers,
en op 7 augustus 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.