Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 9 december 2019, in de strafzaak met parketnummer 01-994020-16 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank:
t.a.v. feit 1 subsidiair: ‘medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd’;
t.a.v. feit 2 subsidiair: ‘medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd’;
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak door de rechtbank van de onder 3 en 4 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten. Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep voor zover dit tegen voornoemde vrijspraken is gericht.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, aan de verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest waarvan 5 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren.
De raadsvrouw van de verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit van de aan de verdachte onder 3 en 4 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten. Subsidiair heeft de raadsvrouw een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof kan zich op onderdelen niet met het vonnis waarvan beroep verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen. Dat laat onverlet dat het hof zich in grote mate kan verenigen met de inhoud van het vonnis waarvan beroep.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover thans nog aan de orde – tenlastegelegd dat :
1. [medeverdachte 1] , hierna te noemen “de B.V.”, op of omstreeks 27 juli 2014 en/of 1 november 2014 en/of 29 januari 2015 en/of 29 april 2015, in de gemeente(n) ‘s-Hertogenbosch en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de Omzetbelasting ten name van [medeverdachte 1] over het/de aangiftetijdvak(ken)
tweede kwartaal 2014 (pagina 632) en/of derde kwartaal 2014 (pagina 633) en/of vierde kwartaal 2014 (pagina 634 tot en met 636) en/of eerste kwartaal 2015 (pagina 637 tot en met 639),
onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,
immers, heeft/hebben de B.V. en/of (één of meer van) haar medeverdachte(n) toen aldaar (telkens) opzettelijk op het/de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Apeldoorn, in elk geval in Nederland, ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over genoemd(e) aangiftetijdvak(ken), in elk geval één of meer tijdvak(ken), – zakelijk weergegeven – (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid een te hoog en/of onjuist bedrag aan voorbelasting en/of een te laag en/of onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven en/of laten opgeven, terwijl die/dat feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven,
tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of één of meer andere (rechts)perso(o)n(en), meermalen, althans eenmaal, (telkens) op of omstreeks 27 juli 2014 en/of 1 november 2014 en/of 29 januari 2015 en/of 29 april 2015, in de gemeente(n) ‘s-Hertogenbosch en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland, opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de Omzetbelasting ten name van [medeverdachte 1] over het/de aangiftetijdvak(ken)
tweede kwartaal 2014 (pagina 632) en/of derde kwartaal 2014 (pagina 633) en/of vierde kwartaal 2014 (pagina 634 tot en met 636) en/of eerste kwartaal 2015 (pagina 637 tot en met 639),
onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,
immers, heeft/hebben de verdachte en/of (één of meer van) zijn medeverdachte(n) toen aldaar (telkens) opzettelijk op het/de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Apeldoorn, in elk geval in Nederland, ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over genoemd(e) aangiftetijdvak(ken), in elk geval één of meer tijdvak(ken), – zakelijk weergegeven – (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid een te hoog en/of onjuist bedrag aan voorbelasting en/of een te laag en/of onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven en/of laten opgeven, terwijl die/dat feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven.
2.[medeverdachte 1] , hierna te noemen “de B.V.”, op of omstreeks 6 mei 2014 en/of 24 juli 2014 en/of 3 september 2014 en/of 4 november 2014, in de gemeente(n) ‘s-Hertogenbosch en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een factuur, te weten
de factuur met factuurnummer 5737 van 6 mei 2014, afkomstig van de B.V. en gericht aan [bedrijf 1] (DOC-101) en/of;
de factuur met factuurnummer 6064 van 24 juli 2014, afkomstig van de B.V. en gericht aan [bedrijf 2] (DOC-115) en/of;
de factuur met factuurnummer 6111 van 3 september 2014, afkomstig van de B.V. en gericht aan [bedrijf 3] (DOC-119) en/of;
de factuur met factuurnummer 6235 van 4 november 2014, afkomstig van de B.V. en gericht aan [bedrijf 4] (DOC-105),
(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst,
immers, heeft/hebben de B.V. en/of (één of meer van) haar medeverdachte(n) toen aldaar (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven – op de factu(u)r(en) voornoemd, althans op één of meer van de factu(u)r(en) voornoemd, verkooptransacties tussen de B.V. en de geadresseerde onderneming(en) vermeld en/of doen vermelden, terwijl deze verkooptransacties in werkelijkheid niet hebben plaatsgevonden en/of de op die factu(u)r(en) vermelde goederen in werkelijkheid niet aan de geadresseerde onderneming(en) zijn geleverd,
zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken,
tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 mei 2014 en/of 24 juli 2014 en/of 3 september 2014 en/of 4 november 2014, in de gemeente(n) ‘s-Hertogenbosch en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een factuur, te weten
de factuur met factuurnummer 5737 van 6 mei 2014, afkomstig van [medeverdachte 1] en gericht aan [bedrijf 1] (DOC-101) en/of;
de factuur met factuurnummer 6064 van 24 juli 2014, afkomstig van [medeverdachte 1] en gericht aan [bedrijf 2] (DOC-115) en/of;
de factuur met factuurnummer 6111 van 3 september 2014, afkomstig van [medeverdachte 1] en gericht aan [bedrijf 3] (DOC-119) en/of;
de factuur met factuurnummer 6235 van 4 november 2014, afkomstig van [medeverdachte 1] en gericht aan [bedrijf 4] (DOC-105),
( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst,
immers, heeft/hebben de verdachte en/of (één of meer van) zijn medeverdachte(n) toen aldaar (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven – op de factu(u)r(en) voornoemd, althans op één of meer van de factu(u)r(en) voornoemd, verkooptransacties tussen de B.V. en de geadresseerde onderneming(en) vermeld en/of doen vermelden, terwijl deze verkooptransacties in werkelijkheid niet hebben plaatsgevonden en/of de op die factu(u)r(en) vermelde goederen in werkelijkheid niet aan de geadresseerde onderneming(en) zijn geleverd,
zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak van feit 1 primair en feit 2 primair
Het hof acht, op grond van de inhoud van het dossier, niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opdracht heeft gegeven tot, dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan de onder 1 en 2 primair tenlastegelegde feiten, zodat het hof de verdachte van deze feiten zal vrijspreken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1. subsidiair
hij, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en één andere persoon, op 27 juli 2014 en 1 november 2014 en 29 januari 2015 en 29 april 2015 in Nederland opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de Omzetbelasting ten name van [medeverdachte 1] over de aangiftetijdvakken
tweede kwartaal 2014 en derde kwartaal 2014 en vierde kwartaal 2014 en eerste kwartaal 2015,
onjuist heeft gedaan,
immers, hebben de verdachte en zijn medeverdachten toen aldaar telkens opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst in Nederland ingeleverde aangiftebiljetten omzetbelasting over genoemde aangiftetijdvakken telkens valselijk en in strijd met de waarheid een te laag en onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven en/of laten opgeven, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven;
2. subsidiairhij op of omstreeks 6 mei 2014 en 24 juli 2014 en 3 september 2014 en 4 november 2014 in ‘s-Hertogenbosch en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens een factuur, te weten
de factuur met factuurnummer 5737 van 6 mei 2014, afkomstig van [medeverdachte 1] en gericht aan [bedrijf 1] en;
de factuur met factuurnummer 6064 van 24 juli 2014, afkomstig van [medeverdachte 1] en gericht aan [bedrijf 2] en;
de factuur met factuurnummer 6111 van 3 september 2014, afkomstig van [medeverdachte 1] en gericht aan [bedrijf 3] en;
de factuur met factuurnummer 6235 van 4 november 2014, afkomstig van [medeverdachte 1] en gericht aan [bedrijf 4] ,
elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt,
immers, hebben de verdachte en zijn medeverdachten toen aldaar telkens valselijk en in strijd met de waarheid op de facturen voornoemd verkooptransacties tussen de B.V. en de geadresseerde ondernemingen vermeld en/of doen vermelden, terwijl deze verkooptransacties in werkelijkheid niet hebben plaatsgevonden en de op die facturen vermelde goederen in werkelijkheid niet aan de geadresseerde ondernemingen zijn geleverd,
zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de bewijsmiddelen opgenomen in de aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde, in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.
Bewijsoverwegingen t.a.v. het onder 1 subsidiair tenlastegelegde (onjuiste belastingaangifte)
Onder 1 subsidiair is aan de verdachte tenlastegelegd, samenvattend weergegeven, dat hij al dan niet tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of (een) ander(en) opzettelijk de aangiften omzetbelasting van [medeverdachte 1] over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2014 en over het eerste kwartaal van 2015 onjuist of onvolledig heeft gedaan, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven.
In de hiervoor genoemde aangiften omzetbelasting is telkens voor grote bedragen aanspraak gemaakt op de zogenoemde verleggingsregeling en/of het nultarief voor intracommunautaire leveringen (zie hierna voor het juridisch kader). Bij de beoordeling van het onder 1 tenlastegelegde staat de vraag centraal of de verleggingsregeling en het nultarief voor intracommunautaire leveringen al dan niet terecht zijn toegepast.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verleggingsregeling en het nultarief voor intracommunautaire leveringen niet toegepast hadden mogen worden, zodat de aangiften omzetbelasting van [medeverdachte 1] over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2014 en over het eerste kwartaal van 2015 onjuist zijn gedaan, welke verboden gedragingen de verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] heeft gepleegd. De advocaat-generaal acht het aan de verdachte onder 1 subsidiair tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.
De raadsvrouw van de verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde. Daartoe heeft de raadsvrouw allereerst aangevoerd dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat [medeverdachte 1] met de door haar gekozen structuur willens en wetens een verboden schijnconstructie heeft opgezet om omzetbelasting te ontduiken. Volgens de raadsvrouw sluit de in casu gekozen structuur in de kern namelijk aan bij de in het fiscale recht gebruikelijke en dus legale ‘ABC-/dropshipment‑structuur’, waarin één fysieke goederenstroom (van [medeverdachte 1] naar de consument) wordt gecombineerd met twee juridische leveringen: van [medeverdachte 1] (A) aan [bedrijf 1] / [bedrijf 4] (B) en van [bedrijf 1] / [bedrijf 4] (B) aan de consument (C). Weliswaar volgt uit het dossier dat in de uitvoering en documentatie (ten aanzien) van deze ‘ABC-/dropshipment‑structuur’ niet steeds aan alle materiële voorwaarden voor toepassing van de verleggingsregeling dan wel het nultarief voor intracommunautaire leveringen is voldaan; dat betekent evenwel niet dat sprake was van een van meet af aan frauduleus opgezette schijnconstructie. Bovendien dient op grond van het dossier de conclusie te worden getrokken dat niet [medeverdachte 1] , maar [bedrijf 1] en [bedrijf 4] ten aanzien van de ‘business-to-consumer’-leveringen omzetbelastingplichtig waren, aldus de raadsvrouw.
Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat, ingeval het hof wel bewezen acht dat de door/namens [medeverdachte 1] over het tweede, derde en vierde kwartaal van 2014 en over het eerste kwartaal van 2015 gedane aangiften omzetbelasting onjuist zijn, niet kan worden bewezen dat de verdachte dat wist, althans bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat voornoemde aangiften onjuist waren en ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven.
Tot slot heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair tenlastegelegde feiten heeft medegepleegd met [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] . Daarvoor is immers niet voldoende dat de verdachte vaak aanwezig was op het bedrijf, uitvoerende werkzaamheden verrichtte en/of als aanspreekpunt fungeerde. Bewijs voor een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte aan de ene kant en [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] aan de andere kant en voor een bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht aan de onder 1 subsidiair tenlastegelegde feiten, ontbreekt.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Juridisch kader
Telkens wanneer in dit arrest wordt gesproken van of verwezen naar wettelijke voorschriften, wordt bedoeld de wettelijke voorschriften, zoals deze ten tijde van het tenlastegelegde rechtens golden.
Artikel 1 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) bepaalt dat onder de naam omzetbelasting een belasting wordt geheven ter zake van onder meer leveringen van goederen en diensten, welke in Nederland door een als zodanig handelende ondernemer worden verricht. Artikel 7, eerste lid, van de Wet OB definieert de term ondernemer als ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent. De (omzet)belasting wordt berekend over de vergoeding (artikel 8, eerste lid, van de Wet OB) en bedraagt in beginsel 21% (artikel 9, eerste lid, van de Wet OB).
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Wet OB bedraagt de (omzet)belasting nihil voor leveringen van goederen die worden vervoerd naar een andere lidstaat, wanneer deze goederen aldaar zijn onderworpen aan heffing van belasting ter zake van intracommunautaire verwerving van die goederen en mits is voldaan aan bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden (artikel 9, tweede lid, onder b, jo. tabel II, onder a, onder 6, van de Wet OB). Deze voorwaarden zijn opgenomen in artikel 12 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (hierna: UBOB). Het eerste lid van voornoemd artikel bepaalt dat de aanspraak op toepassing van het nultarief voor leveringen van goederen die worden vervoerd naar een andere lidstaat, oftewel intracommunautaire leveringen, slechts geldt indien de toepasselijkheid van dat tarief uit boeken en bescheiden blijkt. Lid 2 onder 2° van voornoemd artikel bepaalt voorts dat, voor wat betreft intracommunautaire leveringen, het nultarief slechts van toepassing is indien de ondernemer beschikt over het btw-identificatienummer van degene die de goederen afneemt en dit btw-identificatienummer is toegekend door een andere lidstaat dan die waar de verzending of het vervoer van de goederen aanvangt. Het recht op vrijstelling van omzetbelasting voor intracommunautaire leveringen vindt zijn oorsprong in het Europese recht. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat dit recht op vrijstelling aan een belastingplichtige kan worden geweigerd als aan de hand van objectieve gegevens vast komt te staan dat deze belastingplichtige “wist of had moeten weten” dat hij met de handeling waarvoor aanspraak op het betrokken recht wordt gemaakt, deelnam aan fraude ter zake van de belasting over de toegevoegde waarde in het kader van een keten van leveringen.
Op grond van artikel 12, eerste lid, van de Wet OB wordt de (omzet)belasting geheven van de ondernemer die de levering of de dienst verricht. Op dit uitgangspunt kent de wet evenwel enkele uitzonderingen. Zo bepaalt artikel 12, vijfde lid, van de Wet OB dat in bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen, onder bij of krachtens deze maatregel te stellen regelen, de belasting wordt geheven van degene aan wie de levering wordt verricht of de dienst wordt verleend, teneinde voor de inning daarvan meer waarborgen te scheppen. Dit wordt ook wel de ‘verleggingsregeling’ genoemd. In artikel 24 ba, eerste lid, onder g, onder 1°, UBOB is bepaald dat als gevallen, bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van de Wet OB, mede worden aangewezen de gevallen waarbij mobiele telefoons worden geleverd aan een ondernemer voor een totaalbedrag van € 10.000,00 of meer per levering per soort goed, de omzetbelasting niet daaronder begrepen.
Zowel voor toepassing van de verleggingsregeling als voor toepassing van het nultarief voor intracommunautaire leveringen is vereist dat sprake is van ‘business to business’-leveringen.
Op grond van artikel 14 van de Wet OB moet de in een tijdvak verschuldigd geworden (omzet)belasting op aangifte worden voldaan. Het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, is, indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, strafbaar gesteld in artikel 69, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Feiten en omstandigheden en toepassing juridisch kader
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
[medeverdachte 1] is op 9 oktober 2012 opgericht. In het uittreksel van de Kamer van Koophandel d.d. 10 september 2015 is vermeld dat [medeverdachte 1] een groothandel is in overige consumentenartikelen en zich richt op het distribueren, importeren en exporteren van elektronische apparatuur. Van 9 oktober 2012 tot 17 april 2015 was [bedrijf 5] enig aandeelhouder en bestuurder van [medeverdachte 1] Sinds 17 april 2015 is [bedrijf 6] enig aandeelhouder en bestuurder van [medeverdachte 1] .
[bedrijf 5] is op 16 april 2012 opgericht. Vanaf de datum van oprichting is medeverdachte [medeverdachte 2] enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 5] . [bedrijf 6] is op 16 april 2015 opgericht. Vanaf de datum van oprichting is medeverdachte [medeverdachte 2] enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 6] .
Ten tijde van het onder 1 tenlastegelegde was medeverdachte [medeverdachte 2] via [bedrijf 5] indirect enig bestuurder van [medeverdachte 1] .
[medeverdachte 1] is op grond van artikel 1 jo. artikel 12 van de Wet OB omzetbelastingplichtig.
Op 27 juli 2014 heeft de Belastingdienst de aangifte omzetbelasting van [medeverdachte 1] over het tweede kwartaal van 2014 ontvangen. Op 1 november 2014 heeft de Belastingdienst de aangifte omzetbelasting van [medeverdachte 1] over het derde kwartaal van 2014 ontvangen. Op 29 januari 2015 heeft de Belastingdienst de aangifte omzetbelasting van [medeverdachte 1] over het vierde kwartaal van 2014 ontvangen en op 29 april 2015 heeft de Belastingdienst de aangifte omzetbelasting van [medeverdachte 1] over het eerste kwartaal van 2015 ontvangen.
In de aangifte over het tweede kwartaal van 2014 is achter de post ‘Belast met 21,00%’ een omzetbedrag van € 245.833,00 opgenomen, achter de post ‘0%/niet belast’ een omzetbedrag van € 164.817,00 en achter de post ‘Lev./dien. naar/in EU’ een omzetbedrag van € 996.850,00. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het omzetbedrag achter de post ‘0%/niet belast’ hoofdzakelijk gebaseerd is op inkomsten uit leveringen van consumentenelektronica van meer dan € 10.000,00 en dat het omzetbedrag achter de post ‘Lev./dien. naar/in EU’ hoofdzakelijk gebaseerd is op inkomsten uit facturen aan [bedrijf 1] voor leveringen van consumentenelektronica (hoofdzakelijk mobiele telefoons).
In de aangifte over het derde kwartaal van 2014 is achter de post ‘Belast met 21,00%’ een omzetbedrag van € 75.076,00 opgenomen en achter de post ‘0%/niet belast’ een omzetbedrag van € 3.132.848,00. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het omzetbedrag achter de post ‘0%/niet belast’ volledig gebaseerd is op inkomsten uit facturen aan [bedrijf 2] en [bedrijf 3] voor leveringen van consumentenelektronica (voornamelijk mobiele telefoons) van meer dan € 10.000,00.
In de aangifte over het vierde kwartaal van 2014 is achter de post ‘Belast met 21,00%’ een omzetbedrag van € 80.652,00 opgenomen en achter de post ‘0%/niet belast’ een omzetbedrag van € 2.178.436,00. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het omzetbedrag achter de post ‘0%/niet belast’ hoofdzakelijk gebaseerd is op inkomsten uit facturen aan [bedrijf 2] en [bedrijf 4] voor leveringen van consumentenelektronica (voornamelijk mobiele telefoons) van meer dan € 10.000,00.
In de aangifte over het eerste kwartaal van 2015 is achter de post ‘Belast met 21,00%’ en omzetbedrag van € 7.890,00 opgenomen en achter de post ‘0%/niet belast’ een omzetbedrag van € 1.397.658,00. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het omzetbedrag achter de post ‘0%/niet belast’ hoofdzakelijk gebaseerd is op inkomsten uit facturen aan [bedrijf 4] voor leveringen van consumentenelektronica (voornamelijk mobiele telefoons) van meer dan € 10.000,00.
Het hof is, op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, van oordeel dat [medeverdachte 1] in de hiervoor genoemde aangiften omzetbelasting onterecht aanspraak heeft gemaakt op de verleggingsregeling (‘0%/niet belast’) en het nultarief voor intracommunautaire leveringen (‘Lev./dien. naar/in EU’), met als gevolg dat te weinig omzetbelasting is geheven. Daarmee zijn deze aangiften naar het oordeel van het hof (opzettelijk) onjuist gedaan.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
[bedrijf 1] en [bedrijf 4]
De toepassing van het nultarief in de aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2014 is gebaseerd op inkomsten uit facturen aan [bedrijf 1] voor leveringen van consumentenelektronica (voornamelijk mobiele telefoons). [bedrijf 1] is een op 24 februari 2012 naar Frans recht opgerichte vennootschap. Vanaf de datum van oprichting was medeverdachte [medeverdachte 2] enig aandeelhouder en bestuurder (zaakvoerder) van [bedrijf 1] . Op 15 juni 2014 is het btw-identificatienummer van [bedrijf 1] door de Franse autoriteiten ingetrokken/gedeactiveerd. Redenen daarvoor waren dat [bedrijf 1] in Frankrijk geen exploitatiemiddelen, zoals een pand, personeel en een bankrekening, had, dat aan [bedrijf 1] gerichte post geretourneerd werd zonder dat er aanspraak op was gemaakt en dat het de Franse autoriteiten, ook na navraag bij medeverdachte [medeverdachte 2] , niet was gelukt om informatie te verkrijgen over de activiteiten van [bedrijf 1] , anders dan de informatie die in het uittreksel uit het handelsregister was vermeld.
De toepassing van de verleggingsregeling in de aangiften omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2014 en het eerste kwartaal van 2015 is hoofdzakelijk gebaseerd op inkomsten uit facturen aan [bedrijf 4] voor leveringen van consumentenelektronica (voornamelijk mobiele telefoons) van meer dan € 10.000,00. [bedrijf 4] is op 9 oktober 2014 opgericht. Vanaf de datum van oprichting is [stichting 1] enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 4] . [stichting 1] is eveneens op 9 oktober 2014 opgericht en vanaf de datum van oprichting tot 21 januari 2015 was medeverdachte [medeverdachte 2] enig bestuurder van deze stichting. Per 21 januari 2015 volgde [betrokkene 1] , een neef van medeverdachte [medeverdachte 2] , hem op als enig bestuurder van [stichting 1] . Bij de Kamer van Koophandel was [adres 2] geregistreerd als bezoekadres van [bedrijf 4] en [website] als internetadres. Op 20 oktober 2014 is het btw-identificatienummer van [bedrijf 4] door de Belastingdienst ingetrokken/gedeactiveerd.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat zowel [bedrijf 1] als [bedrijf 4] houder is geweest van de website [website] ; [bedrijf 1] van 1 april 2014 tot en met 9 oktober 2014 en [bedrijf 4] in de periode daarna. Via [website] werd hoofdzakelijk consumentenelektronica aangeboden en verkocht aan particuliere afnemers. Daarbij werd 21% btw in rekening gebracht. De opbrengsten die werden gegenereerd met verkopen via de website [website] , werden door payment serviceprovider [bedrijf 7] gestort op de bankrekeningen van [bedrijf 1] en [bedrijf 4] . In de periode van 28 april tot en met 14 oktober 2014 heeft [bedrijf 7] een totaalbedrag van € 4.875.579,98 aan opbrengsten gestort op de bankrekening van [bedrijf 1] . In de periode van 31 oktober 2014 tot en met 10 maart 2015 heeft [bedrijf 7] een totaalbedrag van € 2.893.488,64 aan opbrengsten gestort op de bankrekening van [bedrijf 4] . Opvallend is dat [bedrijf 7] in de periode van 15 tot en met 30 oktober 2014 een totaalbedrag van € 782.699,04 heeft gestort op de bankrekening van [medeverdachte 1] . Een medewerker van [bedrijf 7] heeft verklaard dat [bedrijf 4] gedurende die periode nog geen bankrekeningnummer had en dat om die reden was overeengekomen dat de in die periode via de website [website] gegenereerde omzet werd overgemaakt naar de bankrekening van [medeverdachte 1] .
[bedrijf 1] heeft noch in Frankrijk, noch in Nederland omzetbelasting afgedragen . [bedrijf 4] heeft evenmin omzetbelasting afgedragen.
Uit onderzoek van de FIOD naar de bankrekening en bankafschriften van [medeverdachte 1] is gebleken dat [medeverdachte 1] ten tijde van het onder 1 tenlastegelegde veelvuldig hoge geldbedragen heeft ontvangen van [bedrijf 1] en [bedrijf 4] , telkens onder vermelding van een factuurnummer. Tijdens de doorzoeking van het bedrijfspand van [medeverdachte 1] (aan het vestigingsadres [adres 3] ) zijn in de bedrijfsadministratie van [medeverdachte 1] verkoopfacturen aangetroffen die kunnen worden gekoppeld aan deze geldtransacties. Deze facturen zijn, zonder uitzondering, gericht aan [naam 1] – dat geldt dus zowel voor de facturen aan [bedrijf 1] als voor de facturen aan [bedrijf 4] – en hebben betrekking op de levering van consumentenelektronica door [medeverdachte 1] aan [bedrijf 1] en [bedrijf 4] . Het op de facturen vermelde bedrag exclusief btw is, behoudens één uitzondering, telkens gelijk aan het op de facturen vermelde bedrag inclusief btw. Door [medeverdachte 1] werd dus geen btw in rekening gebracht aan [bedrijf 1] en [bedrijf 4] .
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de feitelijke gang van zaken omtrent de verkopen en leveringen van consumentenelektronica via de website [website] anders verliep dan de hiervoor genoemde facturen doen voorkomen.
In dat verband is allereerst het volgende van belang. Hoewel [bedrijf 1] en [bedrijf 4] in 2014 en 2015 achtereenvolgens houder waren van de website [website] , is deze website gemaakt door een medewerker van [medeverdachte 1] , [getuige 1] , die vanaf september 2014 als programmeur in vaste dienst was aangesteld. Bovendien werd de website beheerd door medewerkers van [medeverdachte 1] . Bestellingen die werden gedaan via de website [website] kwamen binnen bij [medeverdachte 1] . Deze bestellingen werden door een externe leverancier, [bedrijf 8] , opgehaald bij het kantoorpand van [medeverdachte 1] aan [adres 3] en vervolgens rechtstreeks geleverd aan particuliere afnemers. In voornoemd kantoorpand bevond zich een klein magazijn met kluiskasten waarin de bestelde goederen (voornamelijk consumentenelektronica) werden opgeslagen. Retourzendingen dienden te worden verstuurd naar [adres 2] . In het aldaar gevestigde bedrijfsverzamelgebouw was op naam van [bedrijf 1] en later (ook) [stichting 1] een locker gehuurd van 39 centimeter breed, 39 centimeter diep en 90 centimeter hoog. De retourzendingen werden vervolgens opgehaald door medewerkers van [medeverdachte 1] , onder wie de verdachte.
Voorts is van belang dat [bedrijf 1] en [bedrijf 4] , behoudens medeverdachte [medeverdachte 2] , geen personeel in dienst hadden en evenmin beschikten over een kantoor- en/of bedrijfsruimte. Mede hierom hebben de Franse autoriteiten het btw-identificatienummer van [bedrijf 1] per 15 juni 2014 ingetrokken/gedeactiveerd. Als gezegd, zijn de verkoopfacturen van [medeverdachte 1] aan zowel [bedrijf 1] als [bedrijf 4] telkens gericht aan ene [naam 1] . Onder deze naam zijn ook e-mailberichten verstuurd aan payment serviceprovider [bedrijf 7] . Uit de bewijsmiddelen volgt dat [naam 1] een niet-bestaand persoon betreft.
Daar komt bij dat, hoewel de vervoersovereenkomst met [bedrijf 8] was afgesloten door [bedrijf 1] en de locker in het bedrijfsverzamelgebouw [bedrijf 9] aan [adres 2] was gehuurd op naam van [bedrijf 1] en later (ook) [stichting 1] , vertegenwoordigers van deze beide partijen verklaard hebben dat zij steeds contact hadden met de verdachte, die als zzp’er werkzaam was voor [medeverdachte 1] en niet voor [bedrijf 1] of [stichting 1] . In het contact en de communicatie met voornoemde partijen werden bovendien, naast [bedrijf 1] of [stichting 1] , ook de namen [website] en [bedrijf 4] gevoerd.
Het hof stelt, gelet op al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, vast dat ten tijde van het onder 1 tenlastegelegde nagenoeg alle activiteiten (inclusief de communicatie) met betrekking tot de verkoop, levering en retour van consumentenelektronica via de website [website] – welke website bovendien werd beheerd door medewerkers van [medeverdachte 1] – werden verricht vanuit het kantoorpand van [medeverdachte 1] en door (medewerkers van) [medeverdachte 1] . Dat sluit ook aan bij hetgeen in het uittreksel van de Kamer van Koophandel d.d. 10 september 2015 is vermeld over de (bedrijfs)activiteiten van [medeverdachte 1] , te weten dat [medeverdachte 1] zich richt op het distribueren, importeren en exporteren van elektronische apparatuur. Weliswaar werd de omzet, gegenereerd met verkopen via de website [website] , gestort op de bankrekeningen van [bedrijf 1] en [bedrijf 4] , stond de vervoersovereenkomst met leverancier [bedrijf 8] op naam van [bedrijf 1] en huurde [bedrijf 1] en later (ook) [stichting 1] de locker in het bedrijfsverzamelgebouw aan [adres 2] . Echter, [bedrijf 1] en [bedrijf 4] leverden geen enkele feitelijke en/of economische bijdrage aan de verkoop, levering en retour van consumentenelektronica via de website [website] .
Het hof is, op grond van het voorgaande en de inhoud van de bewijsmiddelen, van oordeel dat [bedrijf 1] en [bedrijf 4] door medeverdachte [medeverdachte 2] als indirect enig bestuurder van [medeverdachte 1] louter zijn op- en ingezet om bij de autoriteiten, in strijd met de waarheid, te doen voorkomen dat ten tijde van het onder 1 tenlastegelegde sprake was van intracommunautaire leveringen van [medeverdachte 1] naar [bedrijf 1] waarop het nultarief van toepassing is, alsook van leveringen van [medeverdachte 1] naar [bedrijf 4] van consumentenelektronica van meer dan € 10.000,00 per levering per soort goed waarop de verleggingsregeling van toepassing is. In werkelijkheid was in het geheel geen sprake van leveringen van [medeverdachte 1] naar [bedrijf 1] en [bedrijf 4] . De bestellingen die via de website [website] binnenkwamen, werden rechtstreeks van het vestigingsadres van [medeverdachte 1] aan [adres 3] naar de klant gezonden. Naar het oordeel van het hof was aldus sprake van een schijnconstructie, die was opgezet met het enkele doel om belasting te ontduiken, welk doel ook is verwezenlijkt. Immers, noch [medeverdachte 1] , noch [bedrijf 1] en [bedrijf 4] hebben over de omzet die werd gegenereerd met verkopen via de website [website] omzetbelasting betaald, terwijl aan klanten van [website] wel 21% btw in rekening is gebracht. Omdat alle economische activiteit rondom de website [website] plaatsvond bij [medeverdachte 1] , lag de plicht tot het afdragen van deze btw naar het oordeel van het hof bij [medeverdachte 1] .
Het hof heeft bij zijn oordeel dat sprake was van een schijnconstructie, opgezet met het enkele doel om belasting te ontduiken, tot slot het volgende in aanmerking genomen.
In de bedrijfsadministratie van [medeverdachte 1] zijn grote aantallen facturen aangetroffen betreffende de in- en verkoop van mobiele telefoons door [medeverdachte 1] . De FIOD heeft diverse in- en verkoopfacturen die betrekking hebben op eenzelfde merk en type telefoon in eenzelfde periode met elkaar vergeleken. Daarbij is gebleken dat de prijs die [medeverdachte 1] betaalde voor de inkoop van mobiele telefoons telkens nagenoeg gelijk was aan de prijs exclusief 21% btw die [medeverdachte 1] vervolgens wel inclusief 21% btw bij particuliere afnemers van deze of soortgelijke mobiele telefoons in rekening bracht. Als [medeverdachte 1] de door deze afnemers betaalde btw in de vorm van omzetbelasting had afgedragen aan de Belastingdienst, zoals zij bij wet verplicht was, dan zou met de verkoop van de mobiele telefoons geen winst zijn behaald en was het bedrijf vermoedelijk daardoor op enig moment failliet gegaan. Voorts volgt uit de bewijsmiddelen dat bij de Belastingdienst/FIOD meerdere meldingen zijn binnengekomen van concurrentievervalsing door [medeverdachte 1] / [website] , inhoudende dat op de website [website] consumentenelektronica structureel onder de marktprijs werd aangeboden.
Het verweer van de verdediging dat tussen [medeverdachte 1] en [bedrijf 1] en tussen [medeverdachte 1] en [bedrijf 4] sprake was van ‘ABC-leveringen’ of ‘dropshipping’, wordt verworpen. Kenmerk van ‘ABC-leveringen’ of ‘dropshipping’ is dat iedere betrokken onderneming een rol heeft bij het verkoop- en leveringsproces en aan dat proces een feitelijke en economische bijdrage (van toegevoegde waarde) levert. Over deze bijdrage wordt veelal een marge in rekening gebracht. Gelet op al het voorgaande, stelt het hof vast dat in de onderhavige zaak van ‘ABC-leveringen’ of ‘dropshipping’ geen sprake was. De tussen [medeverdachte 1] , [bedrijf 1] en [bedrijf 4] opgezette (schijn)constructie diende immers geen legitiem doel. In dat verband acht het hof ook van belang dat uit het dossier en de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 1] aan [bedrijf 1] en [bedrijf 4] geen kosten in rekening bracht voor alle werkzaamheden die zij met betrekking tot de verkoop en levering van consumentenelektronica via de website [website] verrichtte, waaronder ook het voorraadbeheer en de regeling van het logistieke proces. Evenmin werden kosten in rekening gebracht voor het beheer van de website [website] .
[bedrijf 2] en [bedrijf 3]
De toepassing van de verleggingsregeling in de aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal van 2014 is volledig gebaseerd op inkomsten uit facturen aan [bedrijf 2] en [bedrijf 3] voor leveringen van consumentenelektronica (voornamelijk mobiele telefoons) van meer dan € 10.000,00.
De toepassing van de verleggingsregeling in de aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2014 is deels gebaseerd op inkomsten uit facturen aan [bedrijf 2] voor leveringen van consumentenelektronica (voornamelijk mobiele telefoons) van meer dan € 10.000,00 per levering.
Tijdens de doorzoeking van het bedrijfspand van [medeverdachte 1] (aan het vestigingsadres [adres 3] ) zijn in de bedrijfsadministratie van [medeverdachte 1] ook verkoopfacturen aangetroffen die zijn gericht aan [bedrijf 2] en [bedrijf 3] , met dagtekening in het derde kwartaal van 2014. Deze facturen hebben betrekking op leveringen van consumentenelektronica (voornamelijk mobiele telefoons) van € 10.000,00 of meer per levering tijdens het derde kwartaal van 2014. Het op de facturen vermelde klantnummer is hetzelfde klantnummer als is vermeld op de verkoopfacturen van [medeverdachte 1] aan [bedrijf 1] – dat geldt zowel voor de facturen gericht aan [bedrijf 2] als voor de facturen gericht aan [bedrijf 3] . Op de verkoopfacturen van [medeverdachte 1] aan [bedrijf 2] en [bedrijf 3] wordt geen btw in rekening gebracht. Het totaalbedrag van de aan [bedrijf 2] gerichte verkoopfacturen bedraagt € 2.083.252,89. Het totaalbedrag van de aan [bedrijf 3] gerichte verkoopfacturen bedraagt € 983.073,76.
De hiervoor genoemde verkoopfacturen zijn niet aangetroffen in de bedrijfsadministraties van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] . Vanaf 10 september 2014 zijn de facturen aan [bedrijf 2] met enige regelmaat gericht aan [naam 2] . Deze naam komt niet voor in de gegevens met betrekking tot het bedrijf [bedrijf 2] .
Uit onderzoek naar de bankrekeningen van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] is voorts gebleken dat geen van beide bedrijven ooit geld heeft overgemaakt naar [medeverdachte 1] . Daarentegen zijn de facturen van [medeverdachte 1] aan [bedrijf 2] en [bedrijf 3] , op één na, telkens betaald door [bedrijf 1] , terwijl [bedrijf 2] en [bedrijf 3] evenmin ooit enig geldbedrag hebben overgemaakt naar [bedrijf 1] . [bedrijf 1] is ook overigens op geen enkele wijze te linken is aan [bedrijf 2] en [bedrijf 3] . Het hof merkt in verband met het voorgaande op dat gedurende het derde kwartaal van 2014 [bedrijf 1] geen actief btw-identificatienummer had; dit was namelijk op 15 juni 2014 door de Franse autoriteiten ingetrokken.
[bedrijf 2] en [bedrijf 3] zijn allebei opgericht op 27 mei 2014. Vanaf de oprichtingsdatum tot 18 juli 2014 was [betrokkene 2] , via respectievelijk [stichting 2] en [stichting 3] , indirect enig bestuurder van zowel [bedrijf 2] als [bedrijf 3] . Per 18 juli 2014 volgde [betrokkene 3] [betrokkene 2] op als indirect bestuurder van beide bedrijven.
Op de verkoopfacturen van [medeverdachte 1] aan [bedrijf 2] is telkens als afleveradres vermeld [adres 4] . Dit betrof het woonadres van [betrokkene 2] , alwaar laatstgenoemde een varkenshouderij wilde starten. Op de verkoopfacturen van [medeverdachte 1] aan [bedrijf 3] is telkens als afleveradres vermeld [adres 5] . Op dit adres was [betrokkene 3] ingeschreven. Feitelijk woonde [betrokkene 3] evenwel in Enschede. De bankrekeningen van zowel [bedrijf 2] als [bedrijf 3] waren geregistreerd op het adres [adres 4] .
De Belastingdienst heeft [bedrijf 2] en [bedrijf 3] in verband gebracht met (omzet)belastingfraude en om die reden aan beide bedrijven naheffingsaanslagen opgelegd, voor het tijdvak 27 mei 2014 tot en met 30 september 2014.
Het hof is, op grond van het voorgaande – ook gelet op hetgeen ten aanzien van [bedrijf 1] en [bedrijf 4] reeds is overwogen – en de inhoud van de bewijsmiddelen, van oordeel dat, anders dan de hiervoor genoemde in de bedrijfsadministratie van [medeverdachte 1] aangetroffen verkoopfacturen doen voorkomen, geen leveringen hebben plaatsgevonden tussen [medeverdachte 1] en [bedrijf 2] en tussen [medeverdachte 1] en [bedrijf 3] . In de aangiften omzetbelasting van [medeverdachte 1] over het derde en vierde kwartaal van 2014 is dan ook onterecht aanspraak gemaakt op de verleggingsregeling. Dit heeft tot gevolg gehad dat [medeverdachte 1] over het derde en vierde kwartaal van 2014 te weinig omzetbelasting heeft afgedragen.
Tussenconclusie
Alles overziende, is het hof van oordeel dat de door/namens [medeverdachte 1] ingediende aangiften omzetbelasting over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2014 en over het eerste kwartaal van 2015 onjuist zijn gedaan, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven.
Naar het oordeel van het hof kan het niet anders zijn dan dat de hiervoor genoemde aangiften omzetbelasting opzettelijk onjuist zijn gedaan. Daarbij acht het hof allereerst en vooral van belang dat, zoals hiervoor reeds is overwogen, als [medeverdachte 1] de door de afnemers van consumentenelektronica via de website [website] betaalde btw in de vorm van omzetbelasting had afgedragen aan de Belastingdienst, zij met de verkoop van deze consumentenelektronica geen winst zou hebben behaald en op enig moment failliet zou zijn gegaan. Oftewel: [medeverdachte 1] kon met de verkoop van consumentenelektronica via de website [website] winst maken, enkel omdat zij over die verkopen geen omzetbelasting afdroeg.
Teneinde de omzetbelastingplicht te ontduiken, had medeverdachte [medeverdachte 2] een schijnconstructie opgezet waardoor in strijd met de waarheid de indruk werd gewekt dat ten tijde van het onder 1 tenlastegelegde sprake was van intracommunautaire leveringen van [medeverdachte 1] naar [bedrijf 1] waarop het nultarief van toepassing is, alsook van leveringen van [medeverdachte 1] naar [bedrijf 4] van consumentenelektronica van meer dan € 10.000,00 per levering per soort goed waarop de verleggingsregeling van toepassing is, zoals hiervoor is uiteengezet en overwogen. Onderdeel van die schijnconstructie was het door medewerkers van [medeverdachte 1] opmaken van valse verkoopfacturen (zie hierna voor de bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde (valsheid in geschrift)). Deze valse verkoopfacturen zijn opgenomen in de bedrijfsadministratie van [medeverdachte 1] en dienden als bewijs voor de voorgewende (fictieve) intracommunautaire leveringen van [medeverdachte 1] naar [bedrijf 1] , alsook voor de voorgewende (fictieve) leveringen van [medeverdachte 1] naar [bedrijf 4] van consumentenelektronica van meer dan € 10.000,00 per levering.
Medeplegen en opzet
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen twee of meer verdachten.
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof hieromtrent de volgende feiten en omstandigheden vast.
Ten tijde van het onder 1 tenlastegelegde werd de verdachte als zogenoemde zzp’er op vaste basis ingehuurd door [medeverdachte 1] . De verdachte was vanaf de oprichting bij [medeverdachte 1] betrokken. Ten tijde van het tenlastegelegde fungeerde hij als manager/teamleider binnen [medeverdachte 1] . Hij regelde de dagelijkse gang van zaken, stuurde personeel aan en was onder meer verantwoordelijk voor het proces van verzenden en ontvangen van bestellingen. Ook bepaalde hij samen met medeverdachte [medeverdachte 2] de doelstellingen voor het bedrijf en fungeerde hij als contactpersoon van externe partijen. De verdachte handelde altijd in opdracht van en overleg met medeverdachte [medeverdachte 2] .
Als overwogen, zijn de aangiften omzetbelasting van [medeverdachte 1] over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2014 en over het eerste kwartaal van 2015 digitaal ingediend door [getuige 2] , een externe boekhouder. [getuige 2] deed dit in opdracht van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] . Voor het indienen van deze aangiften ontving [getuige 2] de benodigde administratieve gegevens en bescheiden van de verdachte. Telkens voordat [getuige 2] de aangifte omzetbelasting over één van de hiervoor genoemde kwartalen indiende bij de Belastingdienst, liet hij de conceptaangifte zien aan de verdachte en/of medeverdachte [medeverdachte 2] en vroeg hij hen om hun toestemming voor het indienen van de aangiften. Pas na hun akkoord, diende [getuige 2] de aangifte in. Als er een bedrag moest worden terugbetaald aan de Belastingdienst, maakte de verdachte dat bedrag over.
Voorts volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte aanwezig was bij het gesprek met de Belastingdienst/FIOD op 13 november 2013. Hij was aldus een gewaarschuwd man.
Op grond van het voorgaande en de inhoud van de bewijsmiddelen, is het hof van oordeel dat de verdachte een significante (materiële en intellectuele) bijdrage heeft geleverd aan het door [medeverdachte 1] opzettelijk onjuist indienen van de aangiften omzetbelasting over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2014 en het eerste kwartaal van 2015. Het hof is daarnaast van oordeel dat de verdachte wist of minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de hiervoor genoemde aangiften omzetbelasting door [medeverdachte 1] opzettelijk onjuist werden ingediend. Het hof acht in dat verband de volgende feiten en omstandigheden, zoals die zijn vervat in de bewijsmiddelen, van belang.
[getuige 2] heeft verklaard dat zowel de verdachte als medeverdachte [medeverdachte 2] (goed) op de hoogte waren van de geldende (omzet)belastingregels, waaronder de verleggingsregeling voor mobiele telefoons en de regeling van het nultarief voor intracommunautaire leveringen. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij de verdachte heeft uitgelegd hoe deze regels werken.
Uit hetgeen hiervoor met betrekking tot het indienen van de aangiften omzetbelasting is overwogen, leidt het hof af dat de verdachte wist dat [medeverdachte 1] in de aangiften omzetbelasting over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2014 en het eerste kwartaal van 2015 aanspraak maakte op de verleggingsregeling en het nultarief voor intracommunautaire leveringen. Uit zijn verklaringen volgt ook dat hij dit wist. De verdachte wist ook dat op de verkoopfacturen van [medeverdachte 1] aan buitenlandse zakelijke afnemers, waaronder [bedrijf 1] , het nultarief werd toegepast en dat op de verkoopfacturen van [medeverdachte 1] aan Nederlandse zakelijke afnemers, waaronder [bedrijf 4] , die betrekking hadden op leveringen van mobiele telefoons van meer dan € 10.000,00 de verleggingsregeling werd toegepast.
Ten tijde van het onder 1 tenlastegelegde was de verdachte binnen [medeverdachte 1] verantwoordelijk voor het proces van verzenden en ontvangen van bestellingen. Hij heeft verklaard dat de via de website [website] gedane bestellingen vanuit het kantoorpand van [medeverdachte 1] aan [adres 3] rechtstreeks werden afgeleverd aan de consument, niet zijnde een zakelijke afnemer als [bedrijf 1] en [bedrijf 4] , terwijl de levering van consumentenelektronica wel aan zakelijke afnemers werd gefactureerd. De verdachte wist bovendien dat [bedrijf 4] niet beschikte over een kantoor- of bedrijfsruimte, doch enkel over een postbus/locker in het bedrijfsverzamelgebouw aan [adres 2] . Hij was immers zelf de contactpersoon van de beheerder van het bedrijfsverzamelgebouw en ook meermaals op de locatie aan de Daviottenweg geweest. De verdachte wist dus ook dat aldaar geen ruimte was voor het ontvangen en opslaan van de zeer grote hoeveelheden consumentenelektronica die [medeverdachte 1] aan [bedrijf 4] factureerde.
Voorts volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte bekend was met de ondernemingen [bedrijf 1] en [bedrijf 4] en ook handelingen verrichtte uit naam van deze ondernemingen. Zo heeft getuige [getuige 3] , legal & risk manager bij [bedrijf 8] , verklaard dat het contact tussen [bedrijf 8] en [bedrijf 1] , onder meer over het ingetrokken Franse btw-identificatienummer, vrijwel altijd via de verdachte verliep. Verder blijkt uit een e-mailbericht van postservice [bedrijf 10] gericht aan [getuige 4] van bedrijfsverzamelgebouw [bedrijf 9] , alwaar [bedrijf 1] en later (ook) [stichting 1] een locker huurde, dat de verdachte door [bedrijf 10] als eigenaar van onder andere [bedrijf 1] , [bedrijf 4] en [website] werd beschouwd. De verdachte heeft zelf verklaard dat hij wel eens werkzaamheden verrichtte voor [bedrijf 1] en [bedrijf 4] , doch enkel in opdracht van medeverdachte [medeverdachte 2] , en dat hij er niet op lette of hij werkzaamheden verrichtte voor [bedrijf 1] of [medeverdachte 1] , omdat dit voor hem slechts details waren. Ook heeft hij verklaard dat [medeverdachte 1] en [bedrijf 1] in zijn ogen hetzelfde bedrijf betroffen, omdat zij dezelfde bestuurder hadden, te weten de verdachte.
Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat de verdachte wist of minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [medeverdachte 1] bij het indienen van de aangiften omzetbelasting over het tweede, derde en vierde kwartaal van 2014 en over het eerste kwartaal van 2015 ten onrechte aanspraak heeft gemaakt op de verleggingsregeling en het nultarief voor intracommunautaire leveringen.
Alles overwegende, is het hof, op grond van het voorgaande en de inhoud van de bewijsmiddelen, van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte, [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] bij het opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting over het tweede, derde en vierde kwartaal van 2014 en over het eerste kwartaal van 2015, zodat het onder 1 subsidiair tenlastegelegde medeplegen wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Het verweer van de raadsvrouw dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte opzet heeft gehad op het door [medeverdachte 1] onjuist doen van de aangiften omzetbelasting over het tweede, derde en vierde kwartaal van 2014 en over het eerste kwartaal van 2015, wordt, gelet op het voorgaande, verworpen. Ook het verweer dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat bij het onjuist doen van voornoemde belastingaangiften sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte aan de ene kant en [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] aan de andere kant en van een bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht aan die verboden gedragingen, wordt verworpen.
Conclusie
Al met al acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het aan hem onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, een en ander zoals nader omschreven in de bewezenverklaring.
Bewijsoverwegingen t.a.v. het onder 2 subsidiair tenlastegelegde (valsheid in geschrift)
Onder 2 subsidiair is aan de verdachte tenlastegelegd, samenvattend weergegeven, dat hij al dan niet tezamen en in vereniging met (een) ander(en) vier verkoopfacturen valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst, zulks telkens met het oogmerk om die facturen als echt en onvervalst te (doen) gebruiken.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat ook het onder 2 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De in de tenlastelegging vermelde verkoopfacturen van [medeverdachte 1] aan respectievelijk [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] hebben betrekking op leveringen die nooit plaats hebben gevonden, nu in werkelijkheid het product rechtstreeks naar de particuliere klant ging. Op deze facturen is dan ook, in strijd met de waarheid, de verleggingsregeling en/of het nultarief voor intracommunautaire leveringen toegepast.
De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde. Daartoe heeft de raadsvrouw allereerst aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van medeplegen. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk heeft meegewerkt aan het valselijk opmaken van de in de tenlastegelegde onder 2 vermelde facturen, noch dat hij het oogmerk had om deze facturen als echt en onvervalst te gebruiken of te doen gebruiken. De rol van de verdachte binnen [medeverdachte 1] was uitvoerend en administratief, zijn bijdrage aan het opmaken van voornoemde facturen is niet concreet en niet van voldoende gewicht en er ontbreekt bewijs dat de verdachte de intellectuele valsheid en het misleidende karakter van deze facturen heeft onderkend en bewust heeft aanvaard, aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Feiten en omstandigheden en tussenconclusie
Tijdens de doorzoeking van het bedrijfspand van [medeverdachte 1] (aan het vestigingsadres [adres 3] ) is in de bedrijfsadministratie van [medeverdachte 1] een grote hoeveelheid verkoopfacturen aangetroffen. Van deze aangetroffen verkoopfacturen zijn er vier opgenomen in de tenlastelegging (onder 2), namelijk de factuur met factuurnummer 5737 d.d. 6 mei 2014, gericht aan [bedrijf 1] , de factuur met factuurnummer 6064 d.d. 24 juli 2014, gericht aan [bedrijf 2] , de factuur met factuurnummer 6111 d.d. 3 september 2014, gericht aan [bedrijf 3] en de factuur met factuurnummer 6235 d.d. 4 november 2014, gericht aan [bedrijf 4] .
De factuur van [medeverdachte 1] aan [bedrijf 1] heeft betrekking op de levering van 70 mobiele telefoons voor een totaalbedrag van € 18.965,50. Op de factuur is geen btw in rekening gebracht. Evenmin zijn bezorgkosten in rekening gebracht. Het op de factuur vermelde klantnummer betreft 6509 en het op de factuur vermelde afleveradres: [adres 6] . De factuur is geadresseerd aan [naam 1] .
De factuur van [medeverdachte 1] aan [bedrijf 4] heeft betrekking op de levering van een (zeer) grote hoeveelheid consumentenelektronica (onder meer mobiele telefoons, laptops en tablets) voor een totaalbedrag van € 98.592,00. Op de factuur is geen btw in rekening gebracht. Evenmin zijn bezorgkosten in rekening gebracht. Het op de factuur vermelde afleveradres betreft [adres 2] en de factuur is geadresseerd aan [naam 1] .
De factuur van [medeverdachte 1] aan [bedrijf 2] heeft betrekking op de levering van 132 mobiele telefoons voor een totaalbedrag van € 31.011,00. Op de factuur is geen btw in rekening gebracht. Evenmin zijn bezorgkosten in rekening gebracht. Het op de factuur vermelde klantnummer betreft 6509 en het op de factuur vermelde afleveradres: [adres 4] .
De factuur van [medeverdachte 1] aan [bedrijf 3] heeft betrekking op de levering van 210 spelcomputers voor een totaalbedrag van € 67.010,01. Op de factuur is geen btw in rekening gebracht. Evenmin zijn bezorgkosten in rekening gebracht. Het op de factuur vermelde klantnummer betreft 6509 en het op de factuur vermelde afleveradres: [adres 5] .
Het hof heeft hiervoor ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde gemotiveerd overwogen dat (ten tijde van het tenlastegelegde) geen leveringen hebben plaatsgevonden tussen [medeverdachte 1] en respectievelijk [bedrijf 1] , [bedrijf 4] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] . [medeverdachte 1] leverde daarentegen rechtstreeks aan particuliere klanten. Het verweer van de verdediging dat sprake was van ‘ABC-leveringen’ of ‘dropshipping’, is hiervoor door het hof gemotiveerd verworpen. De in de tenlastelegging onder 2 vermelde verkoopfacturen zijn dan ook vals. Deze facturen hebben immers betrekking op leveringen en verkooptransacties die nooit hebben plaatsgevonden, aangezien rechtstreeks werd geleverd aan particuliere klanten.
Ten aanzien van de in de tenlastelegging vermelde facturen, gericht aan [bedrijf 1] en [bedrijf 4] , geldt bovendien dat daarop als geadresseerde [naam 1] is vermeld. Uit de bewijsmiddelen volgt dat dit een fictief persoon betreft en geen medewerker van [bedrijf 1] of [bedrijf 4] . Deze bedrijven hadden immers, behoudens de verdachte, geen personeel in dienst.
Ten aanzien van de in de tenlastelegging vermelde facturen, gericht aan [bedrijf 2] en [bedrijf 3] , geldt dat daarop hetzelfde klantnummer is vermeld als op de factuur, gericht aan [bedrijf 1] . Uit de bewijsmiddelen volgt dat deze facturen aan [bedrijf 2] en [bedrijf 3] ook zijn betaald door [bedrijf 1] . De facturen zijn niet teruggevonden in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] . Het lijkt er dan ook op dat deze facturen nooit zijn verstuurd aan [bedrijf 2] en [bedrijf 3] .
Het hof heeft hiervoor ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde gemotiveerd overwogen dat het niet afdragen van omzetbelasting het verdienmodel was van [medeverdachte 1] en dat, om de omzetbelastingplicht te ontlopen, door medeverdachte [medeverdachte 2] als indirect enig bestuurder van [medeverdachte 1] een schijnconstructie was opgezet waarbij, in strijd met de waarheid, de indruk werd gewekt dat ten tijde van het tenlastegelegde sprake was van intracommunautaire leveringen van [medeverdachte 1] naar [bedrijf 1] waarop het nultarief van toepassing is, alsook van leveringen van [medeverdachte 1] naar respectievelijk [bedrijf 4] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] van consumentenelektronica van meer dan € 10.000,00 per levering per soort goed waarop de verleggingsregeling van toepassing is. Omdat in het geheel geen sprake was van leveringen van [medeverdachte 1] naar de hiervoor genoemde bedrijven, is op de verkoopfacturen aan deze bedrijven, met inbegrip van de facturen als genoemd in de tenlastelegging, ten onrechte de verleggingsregeling of het nultarief voor intracommunautaire leveringen toegepast.
Het hof stelt vast dat de onjuiste aangiften omzetbelasting van [medeverdachte 1] over het tweede, derde en vierde kwartaal van 2014 en over het eerste kwartaal van 2015 mede zijn gebaseerd op de in de tenlastelegging onder 2 vermelde valse verkoopfacturen van [medeverdachte 1] aan [bedrijf 1] , [bedrijf 4] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] . Deze facturen zijn opgenomen in de bedrijfsadministratie van [medeverdachte 1] met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te (doen) gebruiken en dienden als bewijs voor de voorgewende (fictieve) intracommunautaire leveringen van [medeverdachte 1] naar [bedrijf 1] , alsook voor de voorgewende (fictieve) leveringen van [medeverdachte 1] naar respectievelijk [bedrijf 4] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] van consumentenelektronica van meer dan € 10.000,00 per levering.
Medeplegen en opzet
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof met betrekking tot het tenlastegelegde medeplegen de volgende feiten en omstandigheden vast.
Het hof heeft hiervoor ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde het een en ander overwogen over de rol en werkzaamheden van de verdachte binnen [medeverdachte 1] . Mede ten tijde van het tenlastegelegde fungeerde de verdachte als manager/teamleider en stuurde in die hoedanigheid de medewerkers van [medeverdachte 1] aan. Ook de medewerkers die de facturen opmaakten, stuurde de verdachte aan. De verdachte heeft verklaard ook zelf facturen te hebben opgemaakt. Verder bepaalde medeverdachte [medeverdachte 2] samen met de verdachte de doelstellingen voor het bedrijf en fungeerde de verdachte als contactpersoon van externe partijen.
Het hof heeft hiervoor ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde vastgesteld dat de verdachte (goed) op de hoogte was van de (omzet)belastingregels, waaronder de verleggingsregeling en het nultarief voor intracommunautaire leveringen. Voorts heeft het hof vastgesteld dat de verdachte binnen [medeverdachte 1] verantwoordelijk was voor het proces van verzenden en ontvangen van bestellingen en dat hij verklaard heeft dat de via de website [website] gedane bestellingen vanuit het kantoorpand van [medeverdachte 1] aan [adres 3] rechtstreeks werden afgeleverd aan de consument, niet zijnde een zakelijke afnemer als [bedrijf 1] en [bedrijf 4] . Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte wist dat [medeverdachte 1] de levering van consumentenelektronica desalniettemin aan zakelijke afnemers factureerde.
Het hof is, op grond van het voorgaande en de inhoud van de bewijsmiddelen, van oordeel dat de verdachte wist of minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verkoopfacturen van [medeverdachte 1] aan [bedrijf 1] , [bedrijf 4] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] betreffende leveringen van consumentenelektronica, met inbegrip van de in de tenlastelegging onder 2 vermelde facturen, valselijk zijn opgemaakt.
In dat verband acht het hof voorts van belang dat, zoals hiervoor ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde reeds is vastgesteld, de verdachte meermaals werkzaamheden heeft verricht namens [bedrijf 1] , [bedrijf 4] en [stichting 1] en heeft verklaard dat [bedrijf 1] en [medeverdachte 1] in zijn ogen hetzelfde bedrijf betroffen, omdat zij dezelfde bestuurder hadden, te weten de verdachte.
Hoewel niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de in de tenlastelegging onder 2 vermelde facturen zelf heeft opgemaakt, is het hof, op grond van het voorgaande en de inhoud van de bewijsmiddelen, van oordeel dat zijn bijdrage aan het valselijk opmaken van deze facturen van zodanig gewicht is dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Naar het oordeel van het hof is de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte, [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] daarmee dan ook wettig en overtuigend bewezen.
De verweren van de raadsvrouw dat niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van medeplegen en dat niet kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk heeft meegewerkt aan het valselijk opmaken van de in de tenlastegelegde onder 2 vermelde facturen, noch dat hij het oogmerk had om deze facturen als echt en onvervalst te gebruiken of te doen gebruiken, worden, gelet op het voorgaande, verworpen.
Conclusie
Al met al acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het aan hem onder 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, een en ander zoals nader omschreven in de bewezenverklaring.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.
Het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof aan de verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest waarvan 5 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren.
De raadsvrouw van de verdachte heeft het hof verzocht om, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn en zijn beperkte rol bij het bewezenverklaarde, bij een veroordeling te volstaan met oplegging van een taakstraf of, subsidiair, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] de aangiften omzetbelasting van [medeverdachte 1] over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2014 en over het eerste kwartaal van 2015 opzettelijk onjuist heeft gedaan, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven. In deze aangiften is ten onrechte aanspraak gemaakt op de verleggingsregeling en het nultarief voor intracommunautaire leveringen. Daardoor heeft [medeverdachte 1] over het leeuwendeel van de door haar in 2014 en 2015 behaalde omzet 0% belasting afgedragen, terwijl over die omzet op grond van de wet 21% omzetbelasting had moeten worden afgedragen.
Voorts is bewezen verklaard dat de verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] vier verkoopfacturen valselijk heeft opgemaakt, zulks telkens met het oogmerk om die facturen als echt en onvervalst te (doen) gebruiken.
Het niet afdragen van de verschuldigde omzetbelasting was het verdienmodel van [medeverdachte 1] . Teneinde de omzetbelastingplicht te ontduiken, had medeverdachte [medeverdachte 2] als indirect bestuurder van [medeverdachte 1] een schijnconstructie opgezet waarbij in strijd met de waarheid de indruk werd gewekt dat sprake was van intracommunautaire leveringen waarop het nultarief van toepassing is, alsook van leveringen van consumentenelektronica van meer dan € 10.000,00 per levering per soort goed waarop de verleggingsregeling van toepassing is. Onderdeel van die schijnconstructie was het door medewerkers van [medeverdachte 1] opmaken van valse verkoopfacturen. Deze valse verkoopfacturen zijn opgenomen in de bedrijfsadministratie van [medeverdachte 1] en dienden als bewijs voor de voorgewende (fictieve) intracommunautaire leveringen alsook voor de voorgewende (fictieve) leveringen van consumentenelektronica van meer dan € 10.000,00 per levering per soort goed.
Hoewel aannemelijk is dat de verdachte de hiervoor beschreven schijnconstructie niet mede heeft bedacht en opgezet, heeft de verdachte met zijn werkzaamheden voor [medeverdachte 1] wel bewust een actieve en significante bijdrage geleverd aan de instandhouding van de schijnconstructie. Zo stuurde de verdachte de werknemers van [medeverdachte 1] aan, heeft hij de administratieve bescheiden aangeleverd voor de aangiften omzetbelasting en was hij verantwoordelijk voor het proces van verzenden en ontvangen van bestellingen. Ook heeft hij werkzaamheden verricht namens [bedrijf 1] en [bedrijf 4] en trad hij naar externe partijen op als vertegenwoordiger van deze bedrijven, terwijl hij in feite niet werkzaam was voor deze bedrijven. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Doordat [medeverdachte 1] over een groot deel van haar omzet geen belasting afdroeg, was zij in staat producten structureel (ver) onder de marktprijs aan te bieden en te verkopen. [medeverdachte 1] maakte zich daarmee schuldig aan concurrentievervalsing. Andere ondernemers ondervonden hiervan nadeel. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Belastingdienst/FIOD veelvuldig meldingen ontving van concurrentievervalsing door [medeverdachte 1] .
Ook de Nederlandse Staat is door het handelen van [medeverdachte 1] fors benadeeld. Door de FIOD is het totale nadeel voor de Nederlandse schatkist berekend op € 1.652.827,00.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt, in beginsel niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alles afwegende, acht het hof in beginsel dan ook passend en geboden om aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest.
Het hof constateert evenwel dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM in zeer aanzienlijke mate is overschreden.
Het hof stelt in dat verband voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan die in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
In deze zaak heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen en dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen 2 jaren nadat het hoger beroep is ingesteld.
De verdachte is op 5 januari 2016 in verzekering gesteld. Deze datum vormt het startpunt van de redelijke termijn in eerste aanleg. De rechtbank heeft op 9 december 2019 vonnis gewezen. Daarmee is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg van 1 jaar en ruim 11 maanden.
Namens de verdachte is vervolgens op 12 december 2019 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het hof wijst heden, 29 oktober 2026, arrest. Daarmee is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep van 4 jaar en ruim 10 maanden.
Evident is dat de redelijke termijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in zeer aanzienlijke mate is overschreden. Van bijzondere omstandigheden die deze aanzienlijke overschrijding rechtvaardigen, is het hof niet gebleken.
Gelet op de hiervoor beschreven aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep, acht het hof strafkorting op zijn plaats. Het hof zal daarom, in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek, aan de verdachte opleggen een taakstraf van 240 uren met aftrek van de duur van het voorarrest volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 primair, 3 subsidiair, 4 primair en 4 subsidiair tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door:
mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,
mr. A.M.G. Smit en mr. A.M.F. Geerling, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies, griffier,
en op 29 oktober 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.