ECLI:NL:OGEABES:2024:158

ECLI:NL:OGEABES:2024:158

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 19-12-2024
Datum publicatie 01-05-2026
Zaaknummer 400.00018-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Overtreding van artikel 2:1 eerste lid van de Wet financiële markten BES. Geheel voorwaardelijke geldboete van $ 5.000,00 proeftijd twee jaren.

Uitspraak

Parketnummer: 400.00018/23

Uitspraak: 19 december 2024 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1990 te Curaçao,

wonende op Bonaire, [adres].

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2024. De verdachte is verschenen, bijgestaan door haar raadsman mr. R.B.K. Polsbroek, advocaat in Curaçao.

De officier van justitie, mr. A. Rienhart-Martis heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een geldboete van $ 10.000.

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:

hij, in de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2022 op het eiland Bonaire en/of de Dominicaanse Republiek, tezamen en in vereniging met anderen, met zetel op Bonaire, opzettelijk zonder vergunning van de Nederlandsche Bank het bedrijf van kredietinstelling, elektronisch geldinstelling en/of geldtransactiekantoor heeft uitgeoefend als bedoeld in artikel 1:1 lid 1 van de Wet financiële markten BES, immers heeft hij, verdachte en zijn mededaders, geldtransacties als bedoeld in artikel 1:1 lid 1 van de Wet financiële markten BES uitgevoerd door:

subsidiair:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] in de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2022 op het eiland Bonaire en/of de Dominicaanse Republiek, tezamen en in vereniging met anderen, met zetel op Bonaire, opzettelijk zonder vergunning van de Nederlandsche Bank het bedrijf van kredietinstelling, elektronischgeldinstelling en/of geldtransactiekantoor heeft uitgeoefend als bedoeld in artikel 1:1 lid 1 van de Wet financiële markten BES, immers hebben voornoemde [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2], geldtransacties als bedoeld in artikel 1:1 lid 1 van de Wet financiële markten BES uitgevoerd door:

naam van [medeverdachte 1] en/of

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2022 op het eiland Bonaire en/of de Dominicaanse Republiek opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door contante geldbedragen op haar bankrekening te (laten) storten en/of deze

geldbedragen over te maken naar [medeverdachte 1], althans door haar bankrekening ter beschikking te stellen.

Voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewijsmiddelen

Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen

zijn vervat.

Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen op Bonaire.

1. Een schriftelijk bescheid, te weten de rapportage van bevindingen van Financial Intelligence Unit – Nederland, opgemaakt d.d. 5 februari 2021, ondertekend door [FIU medewerker 1] en [FIU medewerker 2], voor zover inhoudende:

“Uit de aan de FIU-Nederland gemelde ongebruikelijke transacties blijkt dat de rekeningen van [MEDEVERDACHTE 1], [MEDEVERDACHTE 2] en [VERDACHTE], voornamelijk contant worden gevoed. De gelden worden kort daarna voornamelijk overgeboekt naar het rekeningnummer van [MEDEVERDACHTE 1] in de Dominicaanse Republiek.

Uit analyse van de bank blijkt dat 78% van deze contante stortingen zijn verricht door [MEDEVERDACHTE 1] en/of zijn vrouw [MEDEVERDACHTE 2]. De overige stortingen warden verricht door [VERDACHTE] of andere personen met een Dominicaanse achtergrond en/of buurtgenoten van [MEDEVERDACHTE 1]. De gelden worden kort na deze transacties overgeboekt naar rekeningnummer [MEDEVERDACHTE 1] In de Dominicaanse Republiek en een vastgoed bedrijf eveneens in de Dominicaanse Republiek.

De transacties hebben plaatsgevonden in de periode van 01-09-2016 tot en met 14-12-

2020.”

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 7 juni 2023, opgenomen op pagina 316 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1]:

“Ik maak geld over voor mensen. Ik doe dat dan via mijn vrouw [medeverdachte 2], zij krijgt een bedrag contant van degene die het geld moet overmaken en dit geld stort ze op mijn MCB rekening en dat geld wordt doorgestuurd naar de bank in Santo Domingo, vanaf de bank in Santo Domingo wordt het vervolgens verstuurd naar degene die het in ontvangst moet nemen.

Ik doe dit sinds 2016 ongeveer.

Als mijn vrouw niet naar de bank kan gaan omdat ze op haar werk is dan gaat haar dochter [verdachte] om het geld te storten.”

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 2] d.d. 25 januari 2023, opgenomen op pagina 293 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende:

“Ik stortte het geld op mijn bankrekening en dan maak ik het over op de bankrekening van [medeverdachte 1] in Santo Domingo. Ik moet het afhalen bij de mensen. Mijn dochter [verdachte] doet het storten en versturen als ik niet kan.”

4. De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd op de terechtzitting van 19 december 2024, voor zover inhoudende:

“Ik heb geld gestort. Mijn moeder zei tegen mij dat het ging om geld voor Santo Domingo. Het geld dat ik heb gestort, kreeg ik van mijn moeder of van [medeverdachte 1]. ”

Bewezenverklaring

Het Gerecht vindt wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten primair laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij, in de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2022 op het eiland Bonaire en de Dominicaanse Republiek, tezamen en in vereniging met anderen, met zetel op Bonaire, zonder vergunning van de Nederlandsche Bank het bedrijf van geldtransactiekantoor heeft uitgeoefend als bedoeld in artikel 1:1 lid 1 van de Wet financiële markten BES, immers heeft zij, verdachte en haar mededaders, geldtransacties als bedoeld in artikel 1:1 lid 1 van de Wet financiële markten BES uitgevoerd door:

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 2:1 lid 1 sub a onder 1 Wet financiële markten BES en strafbaar gesteld in artikel 9:2 lid 1 Wet financiële markten BES. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Overtreding van artikel 2:1 eerste lid van de Wet financiële markten BES.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich, samen met haar moeder en diens man, gedurende een periode van zes jaren schuldig gemaakt aan kort gezegd, ondergronds bankieren. Verdachte heeft daarbij financiële regelgeving overtreden, die bedoeld is om de integriteit van het betalingsverkeer in de maatschappij te waarborgen.

De officier van justitie heeft, uitgaande van bewezenverklaring van opzettelijk handelen, gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete ter hoogte van $ 10.000,-.

Het Gerecht houdt er bij de strafoplegging echter rekening mee dat de verdachte deze overtreding niet opzettelijk heeft begaan. De verdachte heeft slechts haar moeder willen helpen door voor haar geld te storten. Het Gerecht gaat er vanuit dat zij – anders dan de medeverdachte - geen opzet had, ook niet in voorwaardelijke vorm, op het bankieren zonder vergunning.

Het Gerecht houdt verder rekening met het feit dat de verdachte een blanco strafblad heeft en zeer geschrokken lijkt van deze vervolging. Een onvoorwaardelijke geldboete levert alleen maar extra problemen op naast alle gevolgen die deze strafzaak al voor de verdachte en haar familie heeft gehad. Het Gerecht is van oordeel dat kan worden volstaan met een voorwaardelijke geldboete, die lager ligt dan hetgeen de officier van justitie heeft geëist.

Gelet op het voorgaande komt het Gerecht tot de slotsom dat oplegging van een geheel voorwaardelijke geldboete van $ 5.000,- met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden is. Het Gerecht zal dit aan de verdachte opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 17a, 17b, 17c, 27 en 28 Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:

-verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan;

-verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

-kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

-verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een geldboete van $ 5.000,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 dagen hechtenis;

-bepaalt dat deze geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. E.G.C. Groenendaal, bijgestaan door mr. S.D. Rodenboog, griffier, en op 19 december 2024 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op Bonaire.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S.D. Rodenboog

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand