S
No.3579/376.
Mr. van Oosten.
Conclusie inzake:
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT ARNHEM.
Edelhoogachtbare Heren,
De requestrant was wel bevoegd in hoger beroep te komen van de beschikking van de Rechtbank van 4 dec. 1963, genomen op het verzoekschrift, dat door hem in zijn hoedanigheid van Officier van Justitie bij dat college tot hetzelve was gericht, maar hij mist het rechtsmiddel van cassatie met betrekking tot de op zijn appel gegeven beschikking van het Hof d.d. 6 maart 1964.
De Officier van Justitie vertegenwoordigt immers niet het O.M. bij den Hove (vgl. H.R. 12 jan. 1931, N.J. 1931, p. 758, n. E.M. M. en 13 mei 1949, N. J. 1949, no. 393) .
Derhalve kan de requestrant niet worden ontvangen, zodat mijn conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de requestrant in zijn request.
Parket, 6 mei 1964.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,