PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03900
Zitting 27 oktober 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 22 oktober 2024 door het gerechtshof Den Haag (rolnr. 22-001313-21) wegens "medeplegen van gewoontewitwassen", veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Advocaten J.C. Reisinger en R.L. Vermeulen hebben drie middelen van cassatie voorgesteld. De eerste twee middelen bevatten klachten over de bewijsvoering van het hof. Het derde middel klaagt dat de redelijke termijn voor de inzending van de stukken naar de Hoge Raad is overschreden.
Er bestaat samenhang met de zaak 24/03901. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
2. Het bestreden arrest
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“Zij (telkens) (op tijdstippen) in of omstreeks de periode 1 januari 2012 tot en met 30 januari 2016 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander (telkens) voorwerp(en), te weten
- een geldbedrag,
heeft verworven en voorhanden gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of gebruik heeft gemaakt,
terwijl zij en/of haar mededader wist(en) dat dit geldbedrag geheel en/of gedeeltelijk - onmiddellijk en/of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf
terwijl verdachte en haar mededader van het plegen van dit misdrijf een gewoonte hebben gemaakt.”
Ik geef hierna de (Promis-)bewijsvoering van het hof weer. De voetnoten met aanduiding van bewijsmiddelen heb ik grotendeels weggelaten. De voetnoten 2 en 3 en hun inhoud heb ik wel weergegeven, nu het daarover gaat in het eerste middel.
“Gewoontewitwassen
[…]
De verdediging heeft met betrekking tot de overige tenlastegelegde bedragen vrijspraak bepleit en zich overeenkomstig de ter terechtzitting overgelegde schriftelijke pleitnota op het standpunt gesteld dat - samengevat weergegeven - alle contante uitgaven verklaarbaar zijn door legaal beschikbaar, contant geld. Dit legaal beschikbare contante geld bestond uit casinowinsten en loterijen, de 'lottopot' van het werk van haar man (hierna: [medeverdachte] ), verkopen via Marktplaats, schenkingen van schoonmoeder [betrokkene 7] en cadeaus en schenkingen (met de 'warme hand') van schoonvader [betrokkene 8] . Daarnaast geldt dat in de kasopstelling ten onrechte het beginsaldo op nul is vastgesteld. De genoemde gelden zijn zonder meer dekkend voor het vermogen dat de FIOD als 'onverklaarbaar' bestempelt. De verdachte heeft bovendien een concrete en verifieerbare verklaring afgelegd. Tot slot zal steeds ten aanzien van de concrete posten (zoals bijvoorbeeld de kosten voor levensonderhoud) wetenschap van de verdachte dienen te worden vastgesteld.
[…]
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis Sr opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring.
Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen. (Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352)
Het hof overweegt als volgt.
Casinowinsten/loterijen/Lottopot/verkopen via Marktplaats
De verklaring van de verdachte dat er casinowinsten zijn gemaakt en loterijen zijn gewonnen is naar het oordeel van het hof zonder nadere duiding onvoldoende concreet en verifieerbaar. Datzelfde heeft te gelden voor de enkele stelling dat verkopen via Marktplaats zijn gedaan. Voor wat betreft de lottopot ten bedrage van zo'n € 1.400,- van het werk van [medeverdachte] welke hij thuis zou bewaren heeft te gelden dat deze verklaring weliswaar concreet en verifieerbaar is, maar gelet op de resultaten van het onderzoek in het dossier, hoogst onwaarschijnlijk is. Het openbaar ministerie was niet gehouden naar aanleiding van deze verklaring van de verdachte nader onderzoek te verrichten. Het hof wijst op het feit dat er weliswaar enveloppen met contante bedragen (briefgeld) zijn aangetroffen in de woning van de verdachte, maar geen van deze enveloppen bevat een bedrag wat in de buurt komt van een bedrag van ongeveer € 1.400,- en van de gevonden bedragen is als ze worden samengevoegd geen totaal van ongeveer € 1.400,- te maken. Uit een verklaring van een collega van [medeverdachte] volgt dat [medeverdachte] weliswaar de pot beheerde, maar dat hij deze bewaarde in een locker op zijn werk en dat men per week € 2,- betaalde. In de woning van de verdachte is tijdens de doorzoeking geen muntgeld aangetroffen.
Schenkingen vader [betrokkene 8] en moeder [betrokkene 7]
Voor wat betreft de gestelde schenkingen van vader en moeder [betrokkene 7] , overweegt het hof als volgt. [medeverdachte] en [verdachte] zijn sinds 1994 samen. Zij zijn vanaf 2001 gehuwd in gemeenschap van goederen en voerden een gezamenlijke huishouding. [medeverdachte] was tot zijn aanhouding op 1 maart 2016 werkzaam als ambtenaar bij de Belastingdienst/Douane. In 2015 verdiende hij gemiddeld € 2.000,- netto per maand. [verdachte] was gedurende de onderzoeksperiode werkzaam bij een bedrijf in [plaats] en verdiende in 2015 gemiddeld ruim € 2.100,- per maand. Op 15 februari 2016 zijn door de rechter-commissaris machtigingen tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek afgegeven ten aanzien van de verdachten [medeverdachte] en [verdachte] . Aanleiding voor de aanvraag strafrechtelijk financieel onderzoek was de verdenking ten aanzien van [medeverdachte] van het verrichten van handelingen in de geautomatiseerde systemen van de Douane welke de invoer van verdovende middelen mogelijk zouden maken, waarmee hij veel geld zou verdienen. Door de FIOD is onderzoek gedaan naar de contante ontvangsten en uitgaven van [medeverdachte] en [verdachte] . In dat kader zijn hun bankrekeningen geanalyseerd. Daarnaast zijn contante uitgaven onderzocht in de categorieën levensmiddelen en non-food, vervoermiddelen, vakantie-uitgaven, de schoonmaakster, schenkingen/bezit Curaçao. Ook zijn in het onderzoek uitgaven betrokken die op basis van informatie uit het strafrechtelijk financieel onderzoek naar voren zijn gekomen. Na aftrek van de verklaarbare contante uitgaven, zouden volgens de FIOD in de periode 1 januari 2012 tot en met januari 2016 onverklaarbare contante bedragen resteren ter hoogte van de tenlastegelegde bedragen, te weten € 90.223,82, ANG 1.150 en USD 586.2
Bij deze uitkomst van de kasopstelling, waarbij sprake is van een omvangrijke contante geldstroom en zeer ongebruikelijk grote contante uitgaven, mag van de verdachte, die een gezamenlijke huishouding voerde met [medeverdachte] en met hem was gehuwd in gemeenschap van goederen - in de context van het strafrechtelijk onderzoek naar [medeverdachte] - worden verlangd dat zij een verklaring geeft over de herkomst van het contante geld.
De verdachte heeft op 5 februari 2016 bij de FIOD verklaard dat haar schoonvader haar man af en toe wel eens wat toestopte. Zij weet niet om hoeveel geld het ging. In nadere verhoren heeft zij zich beroepen op haar zwijgrecht. Bij de raadsheer-commissaris heeft zij onder andere verklaard dat door haar schoonvader een scooter, een Polo en twee Gazellefietsen zijn geschonken. Voor wat betreft haar verklaring bij de FIOD over de giften van haar schoonmoeder aan [medeverdachte] dat het "niet om tienduizenden en soms zelfs niet over duizenden. Het ging om honderden euro's" heeft zij bij de raadsheer- commissaris verklaard dat zij heeft bedoeld te zeggen dat het soms niet over duizenden ging, maar meestal wel.
Deze verklaring van de verdachte, die er kort gezegd op neer komt dat haar man geld van zijn ouders en met name zijn vader heeft ontvangen, is naar het oordeel van het hof op zich concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Het openbaar ministerie was dus gehouden nader onderzoek te verrichten. Daarbij geldt echter dat de verdachte pas in een laat stadium van het strafproces nadere en concretere verklaringen heeft afgelegd. Er was toen al veel onderzoek gedaan door de FIOD, waaronder het (uitgebreid) horen van (schoon)moeder [betrokkene 7] en verhoren van de man van de verdachte.
Ook zijn gegevens opgevraagd bij de Belastingdienst. Naar het oordeel van het hof lag het niet op de weg van het openbaar ministerie om - nadat de verdachte uitgebreid had verklaard over de schenkingen van haar schoonouders - hiernaar nog nader onderzoek te doen, nu dit nadere onderzoek niet meer zou kunnen inhouden dan het onderzoek zoals reeds verricht. Dit betekent dat het hof op basis van de in het dossier vervatte onderzoeksresultaten zal beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden, omdat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Het hof is van oordeel dat daarvan sprake is en dat het niet anders kan zijn dan dat een groot deel van het tenlastegelegde bedrag uit enig misdrijf afkomstig is.
Het hof overweegt als volgt.
[medeverdachte] heeft zich bij de FIOD op zijn zwijgrecht beroepen. Bij de raadsheer-commissaris heeft hij verklaard dat hij in 2015 € 34.000,- van zijn vader heeft ontvangen. € 25.000,- hiervan heeft hij niet opgegeven bij de Belastingdienst omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat dat bedrag onder de schenkingsvrijstelling viel. Het bedrag van € 6.800,- dat is gestort op de rekening van de verdachte en een bedrag van € 8.000,- dat vanuit Nederland in contanten is meegegeven naar Curaçao via de tante van de verdachte waren afkomstig van dat in 2015 geschonken bedrag. In totaal heeft hij tienduizenden euro's ontvangen van zijn vader.
Op 11 februari 2016 heeft (schoon)moeder [betrokkene 7] bij de FIOD als getuige verklaard dat zij van haar zoon [medeverdachte] ( [medeverdachte] ) had begrepen dat hij regelmatig iets van haar man kreeg. Hij heeft niet verteld om hoeveel geld het ging. Voor de Kerstdagen van (naar het hof begrijpt 2015) heeft zij haar zoon [medeverdachte] een kunststof pui geschonken. Dat was in eerste instantie een lening en betrof een bedrag van ongeveer € 6.000,-. Zij heeft op 7 april 2016 verklaard dat zij [medeverdachte] wel eens wat toestopte als hij kwam, soms twee keer in de week, soms één keer in de week. Dat ging om bedragen van soms 50 euro, soms wel 100 euro. Zij verklaart voorts dat zij zelf op de pui en een kinderwagen en kinderkamer na geen grote schenkingen heeft gedaan. Van het geld dat zij met schoonmaakwerk heeft verdiend, denkt zij dat [medeverdachte] het meeste heeft gekregen.
Uit een door de verdediging ter terechtzitting (in eerste aanleg) overgelegde schriftelijke verklaring gedateerd 12 maart 2020 van [betrokkene 7] volgt dat zij haar extra inkomsten vanaf 2001 aan [medeverdachte] is gaan schenken. Daarnaast staat in deze verklaring dat haar man voor 2010 cadeaus schonk aan [medeverdachte] en zijn gezin en na 2010 geld om cadeaus voor te kopen. Zij noemt in dat kader specifiek een auto.
Bij een zoekslag in het systeem van de Belastingdienst op 18 februari 2016 waarbij gekeken kon worden naar de periode vanaf 2000, is niet gebleken van aangiften schenkbelasting door [medeverdachte] en diens vader en/of opa. Bij een zoekslag op 31 maart 2016 bleek evenmin van aangiften van schenking door [betrokkene 7] . Op 25 april 2016 is de FIOD een aangifte schenkbelasting verstrekt. Het betreft een niet ondertekende aangifte schenkbelasting 2016 van ontvanger [medeverdachte] welke op 2 maart 2016 is ontvangen door de Belastingdienst en waarop een schenkingsbedrag van € 9.000,- is vermeld, ontvangen door [medeverdachte] van [betrokkene 8] (vader). Op 14 april 2016 is de aangifte opnieuw ontvangen door de Belastingdienst, ditmaal wel ondertekend en met een ingevulde datum van schenking (juli 2015).
De verklaringen van [medeverdachte] dat hij "tienduizenden" euro's zou hebben ontvangen van zijn vader, vinden naar het oordeel van het hof geen steun in het dossier en zijn daarom naar het oordeel van het hof niet aannemelijk. [medeverdachte] is de enige die het over bedragen heeft van "tienduizenden euro's".
Van de gesteld ontvangen € 34.000,- in 2015 kan bij de Belastingdienst slechts bevestiging worden gevonden voor een bedrag van € 9.000,-. Voor wat betreft de verklaringen van [betrokkene 7] over haar schenkingen aan [medeverdachte] overweegt het hof dat daar waar zij bij de FIOD verklaart dat zij [medeverdachte] "wel eens wat toestopte" en bedragen tussen de € 50,- en € 100,- noemde, zij gaandeweg de strafzaak steeds meer en hogere bedragen is gaan noemen. Met betrekking tot schenkingen door haar echtgenoot kan zij over de hoogte van de bedragen feitelijk niets verklaren. Dat geldt ook voor de verklaringen van [verdachte] . Daar waar zij eerst verklaart niet te weten om hoeveel geld het ging, verklaart zij pas recent bij de raadsheer-commissaris dat het meestal "over duizenden" ging.
Het hof weegt de verklaringen van [medeverdachte] ook tegen de achtergrond van het volgende. De vader van [medeverdachte] was ontwerper bij fietsproducent Gazelle en was 37 jaar toen hij werd afgekeurd. Zijn vrouw, [betrokkene 7] , heeft altijd voor het gezin gezorgd, maar ging schoonmaakwerk doen toen vader [betrokkene 8] werd afgekeurd. [betrokkene 7] heeft bij de FIOD verklaard dat zij in een huurwoning woont en een inkomen heeft bestaande uit AOW, pensioen en toeslagen van bij elkaar ongeveer € 1.500,- (netto). Toen haar man nog leefde was het gezamenlijk inkomen een bedrag van € 2.000,- (netto). In een afgeluisterd gesprek op 2 oktober 2015 zegt [betrokkene 7] tegen [medeverdachte] dat ze moet kijken hoe ze uitkomt en dat het geen vetpot is. De opa van [medeverdachte] heeft vroeger gewerkt bij een zadelfabriek. Zijn vrouw was huisvrouw. Zij hadden geen koophuis. De broer van [medeverdachte] heeft verklaard dat zijn opa lege flessen verzamelde en naar lege huizen die gesloopt werden ging, om het koper eruit te halen, dat hij daar een spaarpot van gemaakt heeft en dat hij dit geld heeft gegeven aan vader [betrokkene 8] . Dat was nog in het gulden tijdperk.
Het hof concludeert op grond van het bovenstaande dat de inkomens- en vermogenspositie van de ouders van [medeverdachte] betrekkelijk marginaal was. Het hof acht het - ook als zij zeer zuinig geleefd hebben - hoogst onwaarschijnlijk dat [medeverdachte] de substantiële bedragen waar de verdediging van spreekt als schenking van hen heeft ontvangen. Bij gebreke van overige verklaringen omtrent de herkomst van het geld kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat een groot deel van het tenlastegelegde bedrag uit misdrijf afkomstig is. Wel acht het hof aannemelijk dat door [verdachte] , [medeverdachte] en hun kinderen (kleinere) bedragen zijn ontvangen van vader [betrokkene 8] en moeder [betrokkene 7] . Deze bedragen zullen in het navolgende worden gespecificeerd. Daarnaast zal worden ingegaan op datgene wat door de verdediging specifiek per post naar voren is gebracht. Het totaaloverzicht uit het proces-verbaal zaaksdossier Zaak Witwassen geeft op p. 199 het volgende overzicht als het gaat om in het proces-verbaal in kaart gebrachte bedragen aan onverklaarbaar vermogen3:
Dat deze bedragen contant zijn uitgegeven of aangetroffen, is door de verdediging niet betwist.
Beginsaldo
De verdediging heeft betoogd dat het beginsaldo niet op nul dient te worden gesteld nu het even aannemelijk is dat op die datum contant spaargeld voorhanden was. Het hof verwerpt dit verweer. Uit onderzoek naar bankgegevens blijkt dat in het jaar 2012 in 39 transacties in totaal € 15.300,00 contant wordt opgenomen van de creditcard die op naam staat van [verdachte] . In datzelfde jaar wordt een bedrag van € 16.825,00 contant gestort op de ABN-AMRO-rekening die op naam staat van [medeverdachte] en/of [verdachte] . Aan het opnemen van geldbedragen van de creditcard zijn kosten verbonden van € 10,- per opname. [verdachte] heeft verklaard dat zij de creditcardopnamen gebruikte om een ander gat te dichten. Deze gang van zaken is niet voor de hand liggend als er contant spaargeld voorhanden zou zijn.
Levensmiddelen en non-food
In de portemonnee van [medeverdachte] zijn twee bonuskaarten van Albert Heijn aangetroffen. Op deze kaarten zijn de aankopen bij Albert Heijn geregistreerd (contant en per bank). De betalingen per bank zijn vergeleken met de transactiegegevens van de bekende betaalrekeningen van [medeverdachte] , [verdachte] , hun kinderen en de creditcard. Uit AMB-140 volgt dat (slechts) één pintransactie (op 22 november 2015) niet zichtbaar is op de gevorderde bankmutaties van de bij het onderzoeksteam bekende bankrekeningen. Het voorgaande maakt dat het hof de bonuskaarten koppelt aan [medeverdachte] en de contante aankopen geregistreerd op de bij [medeverdachte] aangetroffen bonuskaarten als contante uitgave van in totaal € 4.742,77 opneemt in de kasopstelling. Deze uitgave wordt immers niet verklaard door opnames van contante gelden van een bankrekening.
Vakantie-uitgaven - storting op rekening [verdachte]
Het bedrag van € 2.000,- wordt in zijn geheel meegenomen in de kasopstelling. Dat dit bedrag, twee contante stortingen op 12 en 15 augustus 2013 van in totaal € 2.000,00, geheel afkomstig zou zijn van eerder gedane money transfers door [verdachte] , is op basis van het dossier niet aannemelijk, nu in de periode 11 mei 2012 tot en met 15 juli 2013 een bedrag van in totaal € 1.050,- is overgemaakt en de begunstigde steeds de vader van [verdachte] betrof. Op basis van het dossier acht het hof het aannemelijk dat er een bedrag van € 2.000,00 contant is meegenomen vanuit Nederland naar Curaçao waar het vervolgens na storting in Antilliaanse guldens is opgenomen.
Schoonmaakster
Ten aanzien van de post 'schoonmaakster' overweegt het hof dat uit de door de schoonmaakster als getuige afgelegde verklaring (G-15-01) volgt dat zij per keer € 20,- ontving terwijl zij vanaf april 2015 tot en met augustus 2015 wekelijks kwam werken. Dit levert een bedrag op van 20 weken maal € 20,- is € 400,-. De post schoonmaakster moet in zoverre worden bijgesteld.
Vervoermiddelen
Met betrekking tot de Volkswagen Polo die R.W.J.A. Smulders in opdracht van [medeverdachte] heeft gekocht ten bedrage van € 9.750 ex provisie, overweegt het hof dat het aannemelijk is dat dit een cadeau betreft van vader [medeverdachte] , mede gelet op de verklaring hieromtrent van [betrokkene 7] . Het totaalbedrag van € 10.250,- zal in mindering worden gebracht op de kasopstelling. Voor wat betreft de post 'Vervoermiddelen' acht het hof het voorts aannemelijk dat ook de scooter AGM V641 een cadeau betrof. Dit bedrag ad € 1.760,59 zal op de kasopstelling in mindering worden gebracht.
Schenkingen/bezit Curaçao - money transfers
Uit AMB-084 volgt dat op 11 mei 2012 € 50,-, op 13 mei € 400,-, op 18 juni 2013 € 200,-, op 15 juli 2013 € 400,- en tot slot op 4 maart 2014 € 1.000,- vanuit Nederland via money transfers is overgeboekt naar Curaçao met als begunstigde [betrokkene 9] , zijnde de vader van [verdachte] . Dit betreft een totaalbedrag van € 2.050,-. Genoemde informatie is opgevraagd middels een 'verzoek verstrekking gegevens uit: databestand ongebruikelijke transacties'. Het hof heeft gelet daarop geen enkele aanleiding te veronderstellen dat deze transacties niet contant in Nederland zouden zijn verricht. Bovendien betreffen deze transacties niet de door de verdediging in de pleitnota genoemde bedragen van € 172,- en € 182,-. Het bedrag van € 2.050,- zal volledig worden meegenomen in de kasopstelling.
Strafrechtelijk financieel onderzoek
Met betrekking tot de post 'Strafrechtelijk financieel onderzoek' acht het hof het aannemelijk dat die posten waarvan de verdediging heeft gesteld dat het cadeaus betreffen van ouders en/of schoonouders, in mindering dienen te worden gebracht nu sprake is van herleidbare contante inkomsten. Dit betreft de posten:
De post SFO-20 […] zal niet worden afgetrokken. In het dossier wordt steeds gesproken over het betalen van de kunststof voorpui, inclusief voordeur door de moeder van [medeverdachte] . Dit was in 2015 en betrof een bedrag dat is betaald per bank. Het bedrag dat als post SFO-020 is opgenomen, betreft een in 2014 contant betaald bedrag met betrekking tot een kunststof schuifpui. Datzelfde geldt voor de post SFO-047a. Dit betreft een verblijf bij […] in oktober 2015 (aankomst 16 oktober 2015, vertrek 19 oktober 2015). In die periode zijn OVC-gesprekken opgenomen. Uit een OVC-gesprek op 18 oktober 2015 volgt dat [medeverdachte] zegt dat [betrokkene 7] (het hof begrijpt ( [betrokkene 7] ) hen bedankt voor het weekend. Dit duidt er op dat niet [betrokkene 7] , maar het gezin [medeverdachte] de kosten van het verblijf heeft voldaan. Wel zal worden afgetrokken de post SFO-033 ten bedrage van € 1.420,- die betrekking heeft op contante uitgaven bij G-Star. [verdachte] heeft hieromtrent een aannemelijke verklaring afgelegd.
Dit betekent dat ten aanzien van de post SFO een bedrag van in totaal € 12.807,81 zal worden afgetrokken. De post SFO komt - met inachtneming van het voorgaande - op het volgende neer:
Doorzoekingen, contante uitgaven
Ten aanzien van de post 'doorzoekingen, contante uitgaven' acht het hof het aannemelijk dat de koptelefoon van het merk Beats by Dr. Dre ten bedrage van € 100,- is aangeschaft door de dochter van verdachte. Dit bedrag zal op de kasopstelling in mindering worden gebracht.
Datzelfde geldt voor het bedrag van € 145,72 dat ziet op de Gall&Gall, nu deze uitgave is gedaan met behulp van een Gall&Gall-kaart die niet op naam staat van [medeverdachte] of [verdachte] . De contante uitgaven die op basis van de aangetroffen bonnen resteren, betreffen in totaal een bedrag van € 2.384,13 en $ 586,-.
Verklaarbare contante inkomsten
Als verklaarbare contante gelden dienen tot slot te worden afgetrokken:
Daarnaast acht het hof het aannemelijk dat de verdachte van zijn moeder geld kreeg als hij haar bezocht. Het hof schat dit bedrag, afgaande op de verklaringen van [betrokkene 7] dat de verdachte tussen de € 50 en € 100,- per bezoek kreeg op € 10.000,00 in de onderzochte periode. Ten aanzien van de ANG 845,00 die bij de doorzoeking zijn aangetroffen geldt dat deze niet op de tenlastelegging terugkomen en dat de advocaat-generaal teruggave heeft gevorderd. Het hof houdt het er daarom voor dat dit ook verklaarbare contante gelden zijn.
Kasopstelling
Het voorgaande leidt tot de volgende kasopstelling:
De verdediging heeft betoogd dat strafrechtelijke betrokkenheid van de verdachte niet kan worden vastgesteld als het gaat om contante uitgaven die haar partner [medeverdachte] heeft gedaan, bijvoorbeeld de boodschappen en tankbeurten. Daarnaast is niet gebleken dat de verdachte wetenschap had van de (oorspronkelijke) schenking van € 8.000,- die vervolgens is meegegeven aan de tante naar Curaçao.
Het hof overweegt dat de verdachte en [medeverdachte] waren gehuwd in gemeenschap van goederen en een gezamenlijke huishouding voerden waarbij zij de zorg droegen voor twee kinderen. Zij spraken periodiek over de financiën, zo heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard. Op de en/of-rekening van de verdachte en haar partner van ABM-Amro, die zo bleek uit onderzoek voornamelijk werd gebruikt door de verdachte, zijn in de periode 2012 tot en met 2015 contante bedragen van in totaal € 36.075,- gestort. De zich in het dossier bevindende OVC-gesprekken en tapgesprekken geven naar het oordeel van het hof blijk van voldoende inzicht in de financiën bij de verdachte. Het hof wijst op OVC-026 waarin het gaat over geld op de rekening van de verdachte zetten voor de aanschaf van tickets en OVC-027 en -028 over geld storten op de rekening van de verdachte. In OVC-045 zegt [medeverdachte] tegen de verdachte dat hij zit te denken of hij nog even langs de bank gaat, waarop de verdachte zegt dat het misschien goed is om af en toe te wisselen van bank.
Voor wat betreft het bedrag van € 8.000,- spreken de OVC- gesprekken 047 en 048 boekdelen als het gaat om betrokkenheid en wetenschap van de verdachte. In OVC-047 spreken verdachte en [medeverdachte] over het bedrag van achtduizend euro dat is meegegeven aan de tante van de verdachte en de opmerking van de verdachte dat het een heel gedoe was omdat ze alles moest open maken en tellen en dat haar tante vroeg waar het geld vandaan kwam. Uit OVC-048 volgt naar het oordeel van het hof dat de verdachte ten opzichte van haar tante heeft verhuld wat de herkomst was van dat geld. Zij zegt tegen haar man dat haar tante had gevraagd waar zij het geld vandaan had en de verdachte zou hebben geantwoord: "Wij hebben de auto van [medeverdachte] ’s vader verkocht. Ik heb niet gelogen, want we hebben de auto de auto verkocht." Uit het dossier volgt dat deze auto weliswaar is verkocht, maar dat dit door de zwager van de verdachte is gedaan en dat het verkoopbedrag van € 4.750,- giraal is overgemaakt naar de rekening van [betrokkene 7] .
Het hof leidt uit de inhoud van de genoemde OVC-gesprekken af dat de verdachte niet alleen direct betrokken was bij contante stortingen en opnames, maar ook dat zij wist dat deze niet konden worden verklaard uit de door haar en haar man legaal verkregen inkomsten. Er was sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en haar man, [medeverdachte] en zij kunnen worden aangemerkt als medeplegers van het (gewoonte)witwassen van geld met een criminele herkomst. De conclusie luidt dat de verdachte zich, in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte] , heeft schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen van een bedrag van ongeveer € 50.000,00, ANG 1.150,00 en $ 586,00.
De voetnoten 2 en 3 in het arrest van het hof houden het volgende in:
“2 Proces-verbaal zaaksdossier Zaak Witwassen, documentcode OPV-ZD-003, onderzoek Stekelbaars/6056500.
3 Proces-verbaal Zaaksdossier Zaak Witwassen, OPV-ZD-003, Stekelbaars/6056500, p. 199.”
3. Het eerste cassatiemiddel
Het eerste middel klaagt dat het oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde niet steunt op de inhoud van de in het arrest opgenomen bewijsmiddelen. In de toelichting wordt aangevoerd dat het hof niet, althans onvoldoende concreet, de bewijsmiddelen heeft aangeduid waaraan het hof de feitelijke vaststellingen heeft ontleend die zijn opgenomen in bewijsoverwegingen op pagina’s 4 t/m 11 van het arrest van het hof. Het gaat het middel aldus – zo begrijp ik – om de overwegingen van het hof onder de aanhef ‘Casinowinsten/loterijen/Lottopot/verkopen via Marktplaats’ en ‘Schenkingen vader [medeverdachte] en moeder [betrokkene 7]’. Het middel voert aan dat de verwijzing in voetnoot 2 bij die overwegingen, slechts een globale verwijzing naar een proces-verbaal van 58 pagina’s betreft en dat het door een gebrek aan paginanummering “nogal een zoekslag” is om te beoordelen welke informatie daaruit volgens het hof redengevend is voor het bewijs. Verder voert het middel aan dat het hof in het geheel geen bewijsmiddel heeft aangeduid bij de in de overwegingen op pagina’s 8 t/m 11 aangehaalde verklaringen van de verdachte, de verklaringen van [medeverdachte] en zijn moeder, een zoekslag in het systeem van de Belastingdienst, een aangifte schenkbelasting en de financiële en arbeidsrechtelijke achtergrond van de schoonouders van de verdachte.
Het hof heeft bij de bewijsvoering gebruikgemaakt van de zogenoemde Promis-werkwijze. Die werkwijze komt erop neer dat de beslissing dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, steunt op een bewijsredenering waarin de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen zakelijk is samengevat en waarin voor de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewijsbeslissing steunt, wordt verwezen naar de bewijsmiddelen waaraan deze feiten en omstandigheden zijn ontleend. In zo’n geval behoort de verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan de redengevende feiten en omstandigheden zijn ontleend, zo nauwkeurig te zijn dat kan worden beoordeeld of de bewezenverklaring in toereikende mate steunt op de inhoud van wettige bewijsmiddelen en of de samenvatting geen ongeoorloofde conclusies of niet redengevende onderdelen inhoudt dan wel of het bewijsmiddel niet is gedenatureerd. Verder verzet geen rechtsregel zich ertegen dat de rechter in zijn bewijsmotivering feiten of omstandigheden – zoals de inhoud van de verklaringen van de verdachte – weergeeft, teneinde vervolgens tot uitdrukking te brengen dat en waarom daaraan moet worden voorbijgegaan.
In de overwegingen waarop het cassatiemiddel doelt, heeft het hof uiteengezet welke verklaringen de verdachte en haar [medeverdachte] hebben gegeven ter weerlegging van het tenlastegelegde gewoontewitwassen, namelijk hun verklaringen voor een legale herkomst van de uitgegeven geldbedragen. Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat deze verklaringen niet bijdragen aan het bewijs dat sprake is van witwassen – meer in het bijzonder dat de bedragen uit misdrijf afkomstig zijn – en daarom niet redengevend zijn voor de bewezenverklaring. Het hof behoefde om die reden in zoverre niet op grond van art. 359 lid 3 (eerste volzin) Sv een ‘bewijsmiddel’ te duiden: de desbetreffende verklaringen zijn door het hof immers niet als bewijsmiddel gebruikt. Hetzelfde geldt voor de in het cassatiemiddel genoemde verklaring van de schoonmoeder van de verdachte, een zoekslag in het systeem van de Belastingdienst, een aangifte schenkbelasting en de financiële en arbeidsrechtelijke achtergrond van de schoonouders van de verdachte. Het hof heeft mede op grond van de aan deze bronnen ontleende feiten en omstandigheden geoordeeld dat aan de verklaringen van de verdachte en haar medeverdachte voor een legale herkomst van de gelden voorbij moet worden gegaan. Ook hier geldt dat het hof kennelijk heeft geoordeeld dat deze gegevens daarmee nog niet redengevend zijn voor het oordeel dat de gelden wél uit misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte en haar medeverdachte die bedragen hebben witgewassen. Ook dat oordeel is niet onbegrijpelijk. In zoverre faalt de klacht.
Voetnoot 2 in het arrest van het hof is geplaatst bij vaststellingen over de resultaten van onderzoek door de FIOD naar de contante inkomsten en uitgaven van de verdachte (een kasopstelling). Deze resultaten heeft het hof klaarblijkelijk wel voor het bewijs van gewoontewitwassen gebruikt. Het hof heeft in deze voetnoot als bewijsmiddel een ‘Proces-verbaal zaaksdossier Zaak Witwassen’ aangeduid, zonder nadere specificatie van de relevante onderdelen van dat proces-verbaal. Die omstandigheid brengt evenwel niet zonder meer met zich dat de bewijsvoering in zoverre niet voldoet aan de vereiste mate van nauwkeurigheid. Daarvoor komt het aan op de aard en inhoud van dat proces-verbaal en de daarin vervatte verklaringen. Nu het cassatiemiddel, mede aan de hand van de aard en inhoud van het proces-verbaal, niets inhoudt omtrent de vraag welke van de vaststellingen van het hof niet, althans niet zonder nadere specificering, aan het als bewijsmiddel gebruikte proces-verbaal kunnen worden ontleend, kan de klacht niet leiden tot cassatie. Daarbij betrek ik ook dat het hof in het vervolg van zijn uitspraak nauwgezet en met verwijzing naar bewijsmiddelen uiteen heeft gezet op welke gronden het hof tot het oordeel komt dat sprake is van onverklaarbaar (althans, niet uit legale bronnen verklaarbaar) contant vermogen.
4. Het tweede cassatiemiddel
Het tweede middel klaagt over het oordeel van het hof dat het niet anders kan zijn dan dat de in de bewezenverklaarde bedoelde geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn. De toelichting op het middel spitst zich toe op het oordeel van het hof dat, kort gezegd, voorbij moet worden gegaan aan de verklaringen van de verdachte dat de contante gelden hun legale herkomst vinden in i) substantiële schenkingen van de vader van [medeverdachte] en ii) Marktplaats-verkopen.
Bij de beoordeling van het middel kan op grond van standaardjurisprudentie van de Hoge Raad, zoals recent herhaald in diens arrest van 26 juni 2026, het volgende worden vooropgesteld.
“3.3.1. Voor een bewezenverklaring van het in een op artikel 420bis Sr toegesneden tenlastelegging opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het betreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dat betekent ook dat niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan. (Vgl. HR 28 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2124, rechtsoverweging 3.5.)
Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ (als bedoeld in artikel 420bis en volgende Sr), kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Als de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als zo’n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs. (Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352.)”
In de voorliggende zaak is het hof op grond van een door de FIOD opgemaakte kasopstelling uitgegaan van een gerechtvaardigd vermoeden dat de tenlastegelegde geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn, nu dat gedeelte van de contante uitgaven binnen het huishouden van de verdachte zich niet zonder meer uit een legale inkomstenbron laten verklaren. Het hof heeft verder geoordeeld dat de verklaring van de verdachte dat haar echtgenoot tevens [medeverdachte] geld ontving van zijn ouders en met name zijn vader, “op zich” concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is en heeft die verklaring vervolgens beoordeeld. Dat heeft het hof gedaan op grond van onderzoek dat in een eerder stadium reeds was verricht: de verdachte heeft immers pas in een laat stadium van het strafproces nadere en concretere verklaringen afgelegd over de bron van de contante gelden. Nader onderzoek naar de verklaring van de verdachte zou volgens het hof niet méér kunnen inhouden dan het toen reeds verrichte onderzoek door de FIOD, waaronder het (uitgebreid) horen van de schoonmoeder van de verdachte, de verhoren van de man van de verdachte en het opvragen van gegevens bij de Belastingdienst. Het hof heeft op grond van de in het dossier vervatte onderzoeksresultaten geoordeeld dat de verklaring van de [medeverdachte] dat hij “tienduizend euro’s” ontving van zijn vader (en de vergelijkbare verklaring van de verdachte) “niet aannemelijk” is. Daaraan heeft het hof in de eerste plaats ten grondslag gelegd dat die verklaringen geen steun vinden in het dossier. In de enige aangifte schenkbelasting vanaf het jaar 2000, namelijk een aangifte van maart/april 2016, wordt immers blijkens de overwegingen van het hof aangifte gedaan van een schenking in juli 2015 van een bedrag van (slechts) € 9.000. Voorts is de medeverdachte blijkens de overwegingen van het hof “de enige die het over bedragen heeft van ‘tienduizenden euro's’”; de verdachte en haar schoonmoeder [betrokkene 7] verklaren weliswaar ook over schenkingen (waarin het hof hen ook ten dele volgt), maar schenkingen van een omvang als door de medeverdachte geschetst komen in hun verklaringen niet terug. Daarbij heeft het hof klaarblijkelijk de verklaring van de verdachte dat het meestal over “duizenden” ging ongeloofwaardig geacht, nu zij eerder heeft verklaard niet te weten om hoe veel geld het ging. In de tweede plaats heeft het hof gekeken naar de inkomens- en vermogenspositie van de ouders van de medeverdachte en geconcludeerd dat die “betrekkelijk marginaal” was. Ook als zij zeer zuinig geleefd hebben, heeft het hof het “hoogst onwaarschijnlijk” geacht dat de medeverdachte de substantiële bedragen als schenking van hen heeft ontvangen.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 8 oktober 2024 blijkens het proces-verbaal van die zitting in zijn pleitnota het volgende naar voren gebracht met betrekking tot schenkingen van de vader van de medeverdachte.
- “Verklaring in casu:
o Direct gegeven door cliënte (februari 2016), tijdigheid dus überhaupt geen issue
o Partner kreeg op vele momenten giften van ouders en overige inkomsten (lotto, marktplaats); ga ik niet integraal benoemen: ter zitting, RHC en zojuist inz. [medeverdachte]
Moeder al sinds 2002! Alleen als per jaar 2.000: tikt aan! Bij AH: 30.000!
Vader later ook, contant flinke bedragen (100’en tot 1000’en euro’s op zichzelf niet gigantisch, maar vele kleine beetjes maken een hele hoop)
Let wel, ‘onverklaarbare’ vermogen is ook niet meer dan ruim 45.000 in periode 2011 t/m 2016
Maar wel met beginsaldo van 0 euro: ten onrechte, gezien deze verklaring
Nb, AG zoekt ook wel spijkers op laag water: 25 tot 30.000 is als schatting gegeven voor het geheel, gaat om vrijstelling vs. schenkingbelasting (gaat niet om schenking in één keer...)
o Uitgaande van (mogelijke) juistheid verklaring: concreet en verifieerbaar en dat kan zijn: partner kreeg geld van schoonouders, punt.
Vervolgens is de partner van cliënte niet meer dan een getuige t.o.v. haar
Kunnen hem vragen, maar zuiver houden: cliënte hoeft als verdachte niet in te staan voor wel/ niet verder onderbouwen door een getuige (of juist moreel handelen van schoonmoeder die ‘krom ligt’ en cliënte en partner verbrassen het geld; is goedkope retoriek uiteraard, maar kan nog leven); bij cliënte in elk geval andere beoordeling dan in zaak medeverdachte
Bovendien: schoonmoeder bevestigt het als getuige evengoed (en zelfs cliënte zelf, als getuige)
En ook buiten verklaringen: in pleidooi bij rechtbank al op objectieve aanwijzingen juistheid gewezen:
OVC-gesprek -028 (bedrag van € 900 dat “even” op de rekening wordt gestort voor vakantie) en het schenken van een schuifpui van € 6.000 illustreert al de omvang
aangifte van de schenkingsbelasting (AMB-190) in combinatie met 8.000 meegegeven aan tante en uitgaven => daar is geld gebleven!
rest van de familie heeft nooit iets gekregen: p 010583;
en het was ook [medeverdachte] die vaak bij zijn ouders kwam en warm onthaald werd, juist vanwege zijn zorgen voor hen. In periode 24-2-15 tm 29-1-16 is dankzij OM vastgesteld: 28 keer!
geld in de woning van de schoonouders van cliënte: genoeg om nog tijdlang te schenken (ging nog om 20.000 euro!)
Maar ook op andere onderdelen kan steun worden gezocht (bewijst ook weer: concreet & tot vandaag alle vragen beantwoord, met name over herkomst en soms zelfs over wijze/ uitspraken: moneytransfer/ vakanties
Scooter en auto: partner cliënte (kan zij zelf niet)
Geldkistje in slaapkamer: van haar partner, via schoonouders
Autohuur op Curaçao: vader cliënte
Moneytransfer: ouders cliënte/ tante m.b.t. 8.000 euro x G-Star: vriendinnen cliënte
Nb, als iemand zou zeggen: gaat wel wat ver, ben ik het daar direct mee eens, maar dat is dan direct bezwaar met hele onderzoek
Als op deze manier onderzoek wordt ingekleed, is ‘A’ gezegd
Dan ook ‘B’ zeggen als verdachte met verklaring komt!
Bij gebreke waaraan: vrijspraak, juist nu doorrekenen van schenkingen zonder meer dekkend is voor ‘onverklaarbaar vermogen’ (zie berekening e.a: sinds 2001 meer dan 50.000 euro!)”
De stellers van het middel voeren in de eerste plaats aan dat uit de overwegingen van het hof niet volgt dat de verklaring van de medeverdachte dat hij schenkingen van “tienduizenden euro’s” heeft ontvangen van zijn vader niet kán kloppen; het tegendeel (de medeverdachte heeft géén schenkingen van tienduizenden euro’s ontvangen) blijkt uit die overwegingen niet. Dat het geregistreerd/traceerbaar vermogen van de ouders van de medeverdachte de schenkingen hoogst onwaarschijnlijk maken, brengt volgens de stellers van het middel nog niet mee dat het niet anders kan zijn dan dat zij geen geld hebben geschonken of ‘crimineel’ geld zouden hebben geschonken.
Het hof diende, gelet op het hiervoor onder 4.2 weergegeven beoordelingskader, (mede) op basis van de resultaten van onderzoek dat is verricht naar de herkomst van de gelden en de ter zake afgelegde verklaring(en) van de (mede)verdachte, te beoordelen of ondanks die verklaring het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Anders dan het middel lijkt voor te staan, kunnen aannemelijkheidsoordelen omtrent de verklaring van de verdachte (en haar medeverdachte) voor een legale herkomst wel degelijk een rol spelen. In het voorliggende geval heeft het hof (uitgebreid) uiteengezet dat en waarom de inkomens- en vermogenspositie van de ouders van de medeverdachte in redelijkheid geen ruimte liet voor schenkingen van “tienduizenden euro’s”, terwijl schenkingen van een dergelijke omvang ook niet worden ondersteund (zelfs worden tegengesproken) door (de afwezigheid van) aangiften schenkbelasting en de verklaringen van de verdachte en de moeder van de medeverdachte. Het oordeel van het hof dat aan de verklaring van de verdachte ter zake dan ook voorbij moet worden gegaan, acht ik geenszins onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het mede daarop gebaseerde oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de bewezenverklaarde geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn getuigt mijns inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
De stellers van het middel achten het verder problematisch dat het hof niet heeft gespecificeerd ten aanzien van wie het hof heeft geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat de gelden uit misdrijf afkomstig zijn; ten aanzien van de (mede)verdachte of ten aanzien van zijn ouders van de medeverdachte. Als ik de stellers van het middel goed begrijp, gaat het erom dat mogelijk is dat de vader van de medeverdachte geld heeft geschonken dat de vader op criminele wijze heeft verkregen en dit geld daarom niet zichtbaar is in het geregistreerde/traceerbare vermogen van de ouders van de medeverdachte, en de verdachte niet op de hoogte was van die criminele herkomst.
In dit verband merk ik allereerst op dat door de verdediging niet is aangevoerd dat de gestelde schenkingen van de vader mogelijk een criminele bron hadden en de verdachte niettemin te goeder trouw was ten aanzien van de herkomst van die bedragen. Gelet daarop behoefde het hof zijn oordeel dat “het niet anders kan zijn” dan dat de bewezenverklaarde bedragen uit misdrijf afkomstig zijn niet nader te motiveren in het licht van een eventuele mogelijkheid dat de vader van de medeverdachte crimineel verkregen geld heeft geschonken aan de medeverdachte. Daar komt bij dat het hof heeft geoordeeld dat in de aangiften schenkbelasting en de verklaringen van de verdachte en moeder van de medeverdachte geen steun is te vinden voor schenkingen van tienduizenden euro’s en dat mede op grond daarvan onaannemelijk is dat die schenkingen hebben plaatsgevonden. Daarmee heeft het hof zich ook uitgelaten over de (speculatieve) mogelijkheid dat de vader van de medeverdachte ‘crimineel geld’ heeft geschonken aan de medeverdachte.
Het tweede onderdeel van het tweede middel betreft “Marktplaats-verkopen”. De stellers van het middel voeren aan dat, hoewel die verklaring voor een legale herkomst van de gelden minder gedetailleerd en concreet is, ook bij zo’n verklaring verwacht mag worden dat daarnaar onderzoek plaatsvindt door het openbaar ministerie. Als een dergelijk onderzoek uitblijft, kan volgens de stellers van het middel bezwaarlijk worden volgehouden dat het niet anders kan dan dat die verklaring onjuist is.
Hiervoor gaf ik reeds een onderdeel van de pleitnota van de raadsman in hoger beroep weer. Ik herhaal hier de passage waarin de raadsman refereert aan de Marktplaats-verkopen:
“Partner kreeg op vele momenten giften van ouders en overige inkomsten (lotto, marktplaats); ga ik niet integraal benoemen: ter zitting, RHC en zojuist inz. [medeverdachte] ”
Volledigheidshalve herhaal ik hier de overweging van het hof met betrekking de gestelde Marktplaats-verkopen:
“De verklaring van de verdachte dat er casinowinsten zijn gemaakt en loterijen zijn gewonnen is naar het oordeel van het hof zonder nadere duiding onvoldoende concreet en verifieerbaar. Datzelfde heeft te gelden voor de enkele stelling dat verkopen via Marktplaats zijn gedaan.”
Het oordeel van het hof dat met “de enkele stelling” dat sprake is geweest van Marktplaats-verkopen nog niet een concrete verklaring is gegeven voor de legale herkomst van de “ongeveer € 50.000, ANG 1.150,00 en $ 586,00” waarvoor het hof geen legale herkomst heeft kunnen vaststellen, acht ik – gelet op de summiere duiding in het pleidooi van de raadsman – niet onbegrijpelijk. Gelet op het hiervoor weergegeven beoordelingskader was het openbaar ministerie (al dan niet in opdracht van het hof) mijns inziens niet gehouden nader onderzoek te verrichten naar deze weinig concrete verklaring dat Marktplaats-verkopen de (legale) herkomst vormen van (een deel van) de tenlastegelegde en bewezenverklaarde geldbedragen. Evenmin hoefde het hof zijn oordeel dat “het niet anders kan zijn” dan dat de geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn, mijns inziens nader te motiveren in het licht van die stelling.
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
5. Het derde cassatiemiddel
Het middel klaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
Namens de verdachte is op 22 oktober 2024 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 5 augustus 2025 door de Hoge Raad ontvangen. Dat betekent dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Het middel klaagt daarover terecht.
Voorts merk ik ambtshalve op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan 24 maanden nadat cassatie is ingesteld. Dat betekent dat ook in dit opzicht inbreuk is gemaakt op het in art. 6 lid 1 EVRM neergelegde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, hetgeen moet leiden tot vermindering van de door het hof opgelegde taakstraf.
6. Slotsom
Het eerste en tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO. Het derde middel slaagt.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG