Nummer 25/00452
Zitting 27 oktober 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 31 januari 2025 (parketnr. 23-000049-22) door het gerechtshof Amsterdam wegens 1, 2, 3 telkens "mensenhandel, terwijl de in artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 1°, 4°,9° en 6° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen", 4 “een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, vervaardigen, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd” en 5 “een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de teruggave gelast van een in beslag genomen voorwerp. Ten slotte heeft het hof de vorderingen van twee benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen en daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 25/00355, 25/00356, 25/00506 en 25/00454. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. N. van Schaik en H. Brentjes, beiden advocaat in Utrecht, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
4. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof het verzoek tot het (opnieuw) horen van de getuigen [aangeefster 1] , [aangeefster 2] en [aangeefster 3] ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
Het getuigenverzoek en de afwijzing daarvan
5. Ter terechtzitting in hoger beroep van 9 september 2022 heeft de raadsman van de verdachte verzocht om [aangeefster 1] , [aangeefster 2] en [aangeefster 3] bij de raadsheer-commissaris te horen als getuigen:
“Ook verzoekt de verdediging om de aangeefsters [aangeefster 1] , [aangeefster 2] en [aangeefster 3] opnieuw te kunnen horen in de vorm van een directe ondervraging bij de raadsheer- commissaris. De verdediging is zich ervan bewust dat de aangeefster reeds via een studioverhoor door de rechter-commissaris zijn gehoord. De verdediging heeft de aangeefsters kunnen ondervragen, maar heeft echter niet kunnen doorvragen, niet kunnen reageren op het moment dat dat relevant was of vragen kunnen wijzigen. Al die aspecten zijn belemmerend door de wijze waarop het verhoor heeft plaatsgevonden. Wat de verdediging betreft is het nog steeds noodzakelijk om het ondervragingsrecht vrij uit te oefenen, dat wil zeggen dat er geen studioverhoor plaatsvindt, maar een verhoor bij de raadsheer-commissaris.”
6. Het hof heeft het getuigenverzoek afgewezen en zijn beslissing als volgt gemotiveerd:
“het verzoek tot het horen van [aangeefster 1] , [aangeefster 2] en [aangeefster 3] wordt afgewezen. De getuigen zijn reeds door de rechter-commissaris gehoord. De verdediging heeft schriftelijk vragen kunnen indienen, is tijdens de studioverhoren in de regiekamer aanwezig geweest en heeft achteraf ook nog de mogelijkheid gehad om vragen te stellen. De noodzaak tot het horen van deze getuigen is, gelet op de gegeven toelichting, niet gebleken”.
De bespreking van het eerste middel
7. Aan het middel ligt het argument ten grondslag dat een studioverhoor niet kan worden beschouwd als een effectieve ondervragingsmogelijkheid in de zin van artikel 6 EVRM, maar slechts als eventuele compensatie voor het ontbreken van een dergelijke mogelijkheid. De verdediging heeft aangevoerd dat zij niet heeft kunnen doorvragen, niet heeft kunnen reageren op de momenten dat dat relevant was of vragen heeft kunnen wijzigen, waardoor de geboden mogelijkheid van een studioverhoor niet afdoende is geweest, terwijl het gaat om belastende getuigen. Derhalve had het hof het belang van de verdediging bij de uitoefening van het ondervragingsrecht moeten vooronderstellen.
8. In het geval van een belastende getuige, ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, moet het belang bij het oproepen en horen van deze getuige worden voorondersteld. In de voorliggende zaak heeft de verdediging, zoals zij zelf heeft aangegeven, wel de gelegenheid gekregen om de getuigen te ondervragen, maar die gelegenheid onvoldoende bevonden. De omstandigheid dat de verdediging niet heeft kunnen doorvragen of niet heeft kunnen reageren op (de antwoorden van) de getuigen, brengt echter niet zonder meer mee dat de uitoefening van het ondervragingsrecht heeft ontbroken dan wel zodanig ineffectief is geweest dat het belang van het oproepen en horen van deze getuigen moet worden voorondersteld. Van de verdediging mocht dan ook worden verlangd dat zij de noodzakelijkheid van het oproepen en opnieuw horen van de getuigen onderbouwde.
9. Bij de beoordeling van die noodzakelijkheid heeft het hof van belang geacht dat de getuigen reeds door de rechter-commissaris zijn gehoord, de verdediging schriftelijke vragen heeft kunnen indienen, tijdens de studioverhoren in de regiekamer aanwezig is geweest en ook daarna nog de mogelijkheid heeft gehad om vragen te stellen. Nu de verdediging niet nader, met een inhoudelijke motivering, heeft onderbouwd waarom het van belang is deze getuigen opnieuw te ondervragen, heeft het hof m.i. het getuigenverzoek kunnen afwijzen op de genoemde gronden.
10. Het middel faalt.
Het tweede middel
11. Het tweede middel is gericht tegen de bewezenverklaring van feit 1 en 3, voor zover deze betrekking heeft op het bestanddeel ‘telkens door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’. In de eerste plaats wordt geklaagd dat de door het hof genoemde omstandigheden zonder nadere vaststellingen of motivering onvoldoende zijn om daaruit te kunnen afleiden dat sprake was van enig overwicht, waarvan de verdachte misbruik heeft gemaakt. In de tweede plaats wordt aangevoerd dat [aangeefster 3] zelf sekswerker wilde worden, wat impliceert dat de verdachte geen gebruik hoefde te maken van enig dwangmiddel.
De bewezenverklaring en de bewijsvoering
12. Ten laste van de verdachte is onder 1 en 3 bewezen verklaard dat:
“1. zij in de periode van 15 juli 2017 tot en met 30 september 2017 te [plaats] , gemeente [...] , en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, [aangeefster 2] , telkens door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht,
1) heeft geworven, vervoerd en gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting, en
2) heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten van seksuele aard, en
3) heeft bewogen haar, verdachte, en haar mededader, te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van [aangeefster 2] met of voor een derde tegen betaling, en
telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [aangeefster 2] , door het verdiende geld in te nemen en te houden;
3. zij in de periode van 28 september 2017 tot en met 17 april 2018 te [plaats] , gemeente [...] , en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, [aangeefster 3] , telkens door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht,
1) heeft vervoerd en gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting, en
2) heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten van seksuele aard, en
3) heeft bewogen haar, verdachte, en haar mededader, te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van [aangeefster 3] met of voor een derde tegen betaling, en
telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [aangeefster 3] door het verdiende geld in te nemen en te houden.”
13. Voor de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring berust, verwijs ik kortheidshalve naar het arrest. Het arrest bevat, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, de volgende bewijsoverwegingen:
“Middelen
Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde ( [aangeefster 2] )
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte] misbruik hebben gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht op aangeefster [aangeefster 2] .
[aangeefster 2] was in de tenlastegelegde periode 20 jaar oud. Daarmee was er tussen [medeverdachte] en haar sprake van een aanzienlijk leeftijdsverschil.
[aangeefster 2] heeft verklaard dat zij tijdens haar werk bij de McDonald’s door [medeverdachte] werd benaderd, waarbij hij haar vroeg of ze een vriend had en of ze een drankje konden doen. Diezelfde avond kwam het tot een ontmoeting waarbij [medeverdachte] [aangeefster 2] heel veel vragen stelde over haar thuissituatie. [aangeefster 2] beantwoordde deze vragen eerlijk - ze is naar eigen zeggen naïef en goed van vertrouwen - en vertelde dat ze thuis vaak ruzie met haar moeder had en dat haar moeder schulden had. Diezelfde avond stelde [medeverdachte] haar voor, nadat hij geprobeerd had seks te hebben met [aangeefster 2] , om geld te verdienen met prostitutie. [aangeefster 2] antwoordde aanvankelijk met ‘nee’, waarop [medeverdachte] haar vroeg of ze haar moeder dan niet wilde helpen met haar schulden. Vervolgens zei ze ‘ja’. [aangeefster 2] zegt zelf dat ze moeite heeft met ‘nee’ zeggen en zich heeft laten ompraten. Toen ze in de auto zaten, belde [medeverdachte] met [verdachte] en zei hij dat 'ze’ er nog een [het hof begrijpt: een prostituee] hadden en dat ze wel aan haar zelfvertrouwen moesten werken. [aangeefster 2] heeft verder verklaard dat [medeverdachte] die eerste dag volgens haar deed alsof hij haar leuk vond. Later bleek haar dat hij een vrouw en kinderen had. Hij zei dat hij als een broer voor haar was. Hij noemde haar ‘zusje’. [aangeefster 2] heeft [medeverdachte] ook verteld over haar licht verstandelijke handicap en dat ze daarvoor al vanaf heel jong werd begeleid, waarop [medeverdachte] zei dat ze geen begeleiders nodig had, omdat het in haar hoofd zou zitten en de begeleiders haar dom zouden maken, en dat hij haar wel zou helpen. Het hof acht het aannemelijk dat [verdachte] gemerkt moet hebben dat [aangeefster 2] moeilijk lerend was, zeker nu zij gedurende een periode van ruim twee maanden intensief contact met [aangeefster 2] had in het kader van [aangeefster 2] werkzaamheden als prostituee. Verder blijk uit WhatsApp-communicatie tussen [aangeefster 2] en [medeverdachte] dat [aangeefster 2] hem - in reactie op een bericht van haar begeleider met onder meer de vraag hoe het met haar ging - om advies vroeg hoe hierop te reageren. [medeverdachte] reageerde hierop dat [aangeefster 2] moest zeggen dat het goed met haar ging, ze ging samenwonen met een vriendin en ze daar in de buurt werk zou zoeken. Ook zei hij dat hij haar toch ook kon helpen, zoals hij had gezegd. In het kader van haar verstandelijke vermogens wijst het hof op een WhatsApp-gesprek tussen [aangeefster 2] en [medeverdachte] waarin hij aan [aangeefster 2] vroeg: ‘Hoeveel is daar nu ahar’. Hierop stuurde [aangeefster 2] een foto waarop 3 biljetten van € 10,-, 3 biljetten van € 20,- en 3 biljetten van € 50,- te zien zijn met de vraag: “hoeveel is dit raak steeds de tel kwijt”.
Ongeveer een week na de eerste ontmoeting startte [aangeefster 2] met prostitutiewerkzaamheden in de woning aan de [b-straat 1] in [plaats] , waar zij fulltime verbleef. Ze heeft verklaard dat ze in het begin haar mond niet durfde open te doen tegen [medeverdachte] en [verdachte] . Doordat [medeverdachte] haar ‘zusje’ noemde, voelde ze zich meer op haar gemak en ging ze ook terugpraten.
In de woning waren camera’s geplaatst, welke camera’s op afstand met behulp van de app [...] konden worden bediend. De app was geïnstalleerd op zowel de telefoon van [verdachte] , als die van [medeverdachte] . [aangeefster 2] werd geobserveerd, tijdens de sekswerkzaamheden, maar ook als zij zat te eten. Met de camera’s werden ook filmpjes van de seks gemaakt om te kijken of [aangeefster 2] het goed deed. Op 5 augustus 2017 vond een chatgesprek plaats tussen [medeverdachte] en [verdachte] waarin [verdachte] schreef: “Ik ga ze even afluisteren via de cam”. Op de telefoons van [verdachte] en [medeverdachte] stonden (heimelijk) opgenomen beelden van de slaapkamer waarop te zien was dat onder meer [aangeefster 2] seks had met verschillende mannen.
Na ongeveer drie weken heeft [aangeefster 2] tegen [medeverdachte] gezegd dat ze wilde stoppen met het werk. Daarop zei [medeverdachte] dat ze moest volhouden omdat het anders voor niets was geweest en dat ze voor haar rijbewijs ging, wat niet is gebeurd. Toen [aangeefster 2] een volgende keer zei te willen stoppen reageerde [medeverdachte] dat ze vanwege haar ontslag bij de Jumbo op een zwarte lijst stond en daarom geen ander werk zou vinden als ze weg zou gaan. [aangeefster 2] heeft in dit kader ook verklaard dat [medeverdachte] het heel goed kon uitleggen dat, als ze weg zou gaan, het dan weer verkeerd met haar zou gaan, dat ze het niet zou redden en dat ze geen werk zou kunnen vinden, waardoor ze haar moeder weer in de problemen zou brengen. Ook beloofde [medeverdachte] aan [aangeefster 2] dat ze masseuse van zijn voetbalteam kon worden. Ook dat is een reden waarom [aangeefster 2] is doorgegaan met de prostitutiewerkzaamheden. Daarnaast moest [aangeefster 2] enige tijd haar wachtwoord van Snapchat aan [medeverdachte] afstaan zodat ze minder contact had met haar vrienden. Ten slotte heeft [aangeefster 2] verklaard bang te zijn geweest voor een confrontatie met [medeverdachte] . In dat verband heeft ze verklaard gehoord te hebben hoe [medeverdachte] aangeefster [aangeefster 1] uitschold. [aangeefster 1] heeft hierover verklaard dat [medeverdachte] op momenten kon schreeuwen en schelden, waardoor zij op een bepaalde manier bang voor hem was. Ook [aangeefster 3] heeft verklaard dat [medeverdachte] heel boos kon worden.
(…)
Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde ( [aangeefster 3] )
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte] misbruik hebben gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht op [aangeefster 3] .
[aangeefster 3] was in de tenlastegelegde periode 18 jaar oud. Daarmee was er tussen haar en [medeverdachte] sprake van een aanzienlijk leeftijdsverschil. Tussen [verdachte] en haar was er eveneens sprake van een leeftijdsverschil, terwijl [verdachte] eerder zelf prostitutiewerkzaamheden had verricht. [aangeefster 3] ging in die periode nog naar school.
[aangeefster 3] heeft verklaard dat ze [medeverdachte] voor het eerst zag in de auto in [...]. Ze heeft hem toen haar situatie uitgelegd en met hem veel gesprekken gevoerd over haar drugsgebruik. [medeverdachte] wist dat ze problemen had met drugs en dat ze psychische problemen had vanwege haar aan alcohol verslaafde vader die haar sloeg en haar moeder met problemen. [aangeefster 3] heeft ook verklaard dat [verdachte] en [medeverdachte] een hoop privédingen van haar wisten.
[aangeefster 3] is in september 2017 in de woning aan de [b-straat 1] in [plaats] gaan wonen en is daar prostitutiewerkzaamheden gaan verrichten. Zoals hiervoor al overwogen waren in die woning camera’s geplaatst die [verdachte] en [medeverdachte] op afstand konden bedienden. [medeverdachte] heeft filmpjes gemaakt waarop te zien is dat [aangeefster 3] seks had met (jonge) mannen en waarbij hij aanwezig was. De filmpjes zijn aangetroffen op een HP-laptop die in beslag is genomen op het adres [a-straat 1] in [plaats] , het huisadres van [verdachte] en [medeverdachte] . [aangeefster 3] heeft over het filmen verklaard dat ze dat niet leuk vond, maar dat ze dat niet durfde te zeggen. Ze was bang dat ze dan het huis moest verlaten en dan had ze niet geweten waar ze naartoe had moeten gaan. [medeverdachte] wist dat ze niet terug kon naar haar moeder. Ze was ook bang dat de filmpjes naar anderen zouden worden gestuurd. Soms wist ze niet eens dat hij aan het filmen was, “hij filmde echt alles”. [medeverdachte] liet de filmpjes zien aan [verdachte] , die ook prostituee was geweest, en zij gaf dan advies hoe ze het moest doen.
[aangeefster 3] heeft ook een paar keer seks gehad met [medeverdachte] . Dit wordt bevestigd door aangeefster [aangeefster 1] . [aangeefster 3] wilde dat eigenlijk niet. De eerste keer wist ze niet eens dat hij een vrouw had. Later wist ze dat wel en wilde ze het helemaal niet. Ten slotte heeft [aangeefster 3] nog verklaard dat [medeverdachte] heel boos kon worden als ze iets fout had gedaan. Aangeefster [aangeefster 1] heeft verklaard dat [medeverdachte] op momenten kon schreeuwen en schelden, hetgeen bevestigd wordt door aangeefster [aangeefster 2] .
(…)
Medeplegen
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte] de mensenhandel tezamen en in vereniging hebben gepleegd. Naar het oordeel van het hof volgt uit het vorenoverwogene en de bewijsmiddelen dat tussen hen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij ook de rol van [verdachte] voldoende significant en wezenlijk is geweest om die conclusie te kunnen trekken.”
Vooropstellingen over ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’
14. Aan het bestanddeel ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’ van artikel 273f lid 1 sub 1 Sr, wordt een ruime betekenis toegekend. Dat strekt ertoe aan slachtoffers verregaande bescherming te bieden. Het bestanddeel bestrijkt gevallen waarin het slachtoffer in een afhankelijke situatie is gebracht en in zijn keuzevrijheid wordt beperkt. Misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht wordt verondersteld wanneer een prostituee in een situatie verkeert of komt te verkeren die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren.
15. Tussen het bestanddeel en de in lid 1, sub 1, genoemde gedraging(en) van het slachtoffer wordt een causaal verband vereist. Toegespitst op deze zaak wil dat zeggen: door het misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht is het slachtoffer bewogen tot het zich beschikbaar stellen voor en het verrichten van de prostitutiewerkzaamheden. Dat verband pleegt de Hoge Raad niet strikt uit te leggen. Andere factoren behoeven niet aan het causale verband in de weg te staan, zelfs niet als die andere factoren het slachtoffer in overwegende mate hebben bewogen tot de gedragingen. In dat geval kan nog altijd worden bewezen dat de verdachte door het misbruik heeft bijgedragen aan de gedragingen van het slachtoffer. Ook wanneer het slachtoffer heeft ingestemd met de uitbuitingssituatie dan wel vrijwillig is begonnen met de prostitutiewerkzaamheden, staat die vrijwilligheid niet aan een bewezenverklaring van een op artikel 273f Sr toegesneden tenlastelegging in de weg. Die bepaling vereist immers niet dat het initiatief van de verdachte is uitgegaan. De rechter zal wel moeten bewijzen dat de verdachte zich bewust was van de feitelijke omstandigheden waaruit het overwicht voortvloeit dan wel verondersteld wordt voort te vloeien.
De bespreking van het tweede middel
16. Het middel is gelijk aan het eerste middel in de samenhangende strafzaak 25/00355. De stellers van het middel beoordelen de door het hof vastgestelde feitelijke omstandigheden één voor één en concluderen voor iedere omstandigheid afzonderlijk dat deze onvoldoende (gemotiveerd) is om daaruit het vereiste overwicht, alsmede het misbruik daarvan, af te leiden. Over de rol van de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde wordt in het bijzonder nog aangevoerd dat het hof ten onrechte slechts aannemelijk heeft geacht dat de verdachte gemerkt moet hebben dat [aangeefster 2] moeilijk lerend was. Voor de bewezenverklaring moet namelijk worden bewezen dat de verdachte zich bewust was van de feitelijke omstandigheden waaruit het overwicht voortvloeit dan wel verondersteld wordt voort te vloeien.
17. In mijn conclusie in de samenhangende zaak (25/00355) heb ik uiteengezet waarom het hof uit de feitelijke omstandigheden tezamen heeft kunnen afleiden dat [aangeefster 2] en [aangeefster 3] door [medeverdachte] , tezamen en in vereniging met de verdachte, in een afhankelijke situatie zijn gebracht en in hun keuzevrijheid zijn beperkt. Ik heb geconcludeerd dat het daarin besloten liggende oordeel dat [aangeefster 2] en [aangeefster 3] in een situatie verkeerden die niet overeenkomt met de situatie waarin een mondige prostituee pleegt te verkeren, niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd is. De stellers van het middel voeren op zichzelf terecht aan dat het hof niet wettig en overtuigend heeft bewezen dat de verdachte wetenschap had van de licht verstandelijke handicap van [aangeefster 2] , maar die enkele omstandigheid maakt ‘s hofs oordeel m.i. niet onbegrijpelijk. De licht verstandelijke handicap van [aangeefster 2] betreft immers slechts één van de feitelijke omstandigheden waaruit het overwicht voortvloeide. Zelfs als de wetenschap van de verdachte omtrent deze feitelijke omstandigheid wordt weggelaten, kan het hof nog steeds tot het oordeel komen dat zij, tezamen met [medeverdachte] , misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, gelet op de overige feitelijke omstandigheden die het hof heeft vastgesteld. Daarbij neem ik aanmerking dat het oordeel dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met [medeverdachte] niet in cassatie wordt bestreden.
18. Het tweede middel faalt.
Het derde middel
19. Het derde middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van (het oogmerk van) uitbuiting berust op vaststellingen die onbegrijpelijk zijn. Het hof heeft vastgesteld dat [aangeefster 3] € 1000,00 heeft overgehouden aan de prostitutiewerkzaamheden en dat het huurbedrag dat zij betaalde niet in verhouding stond tot de accommodatie waarin zij verbleef. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat die vaststellingen in strijd zijn met een voor het bewijs gebruikte verklaring van [aangeefster 3] (bewijsmiddel 13).
De bewezenverklaring en de bewijsvoering
20. Voor de bewijsmiddelen waarop de (hierboven weergegeven) bewezenverklaring berust, verwijs ik kortheidshalve naar (de aanvulling op) het arrest. Wel geef ik het voor de bespreking van het middel relevante bewijsmiddel weer:
“13. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 25 juni 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren, doorgenummerde pagina’s G91 tot en met G105.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 25 juni 2018 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [aangeefster 3] :
Ik heb in de prostitutie gewerkt. Ik had geld nodig. In het begin verbleef ik niet dagelijks in de woning op de [b-straat 1] , maar even later bleef ik daar wel.
Met [medeverdachte] heb ik veel gesprekken gehad over mijn drugsgebruik. [medeverdachte] en [verdachte] wisten een hoop privé dingen van mij. Het ging niet goed met mij toen ik [medeverdachte] voor het eerste ontmoette. Ik had toen ook problemen met mijn moeder. Ik gebruikte drugs. Op school was het ook moeilijk. Ik heb dit ook gedeeld met [medeverdachte] . Ik heb [medeverdachte] ontmoet door een vriend.
Ik moest doorgeven als ik niet op de [b-straat] was of dat ik later kwam. De afspraak was dat ik doorgaf als ik niet op de [b-straat] was.
Er waren filmpjes gemaakt waarop ik seks was of seksuele handelingen uitvoerde met twee verschillende mannen, waarbij een derde persoon aanwezig was. Ik vond het niet leuk dat ik gefilmd werd, maar ik durfde niet te zeggen dat ik niet gefilmd wilde worden. Ik was bang dat [medeverdachte] de filmpjes zou versturen naar anderen. Hij heeft meerdere filmpjes gemaakt. Soms wist ik niet eens dat hij aan het filmen was. Hij filmde echt alles. [medeverdachte] kwam ook soms maar binnen als ik seks had met [naam 1] . En dan filmde hij dat ook. [verdachte] was ook prostituee geweest en [medeverdachte] liet de filmpjes aan [verdachte] zien. Zij gaf dan advies hoe ik het moest doen. Op het moment van filmen heb ik niet tegen [medeverdachte] gezegd dat ik het niet leuk vond, omdat ik bang was dat ik het huis moest verlaten en dat hij zou zeggen dat hij de filmpjes zou versturen.
Ik wist niet waar ik heen moest als [medeverdachte] en [verdachte] mij zouden wegsturen. Ik kon niet terug naar mijn moeder. [medeverdachte] wist dat. De persoon op de filmpjes die aanwijzingen geeft, is [medeverdachte] . Ik was bang dat [medeverdachte] en [verdachte] deze filmpjes zouden verspreiden. Mijn moeder wist van niets. En [medeverdachte] wist dat mijn moeder niet op de hoogte was dat ik in de prostitutie werkte.
Ik heb als prostituee gewerkt op de [b-straat 1] van september 2017 tot april 2018. Ik gaf het geld dat ik verdiende met de werkzaamheden als prostituee in bewaring bij [medeverdachte] en [verdachte] . Het geld voor mijn opleiding ging ook naar [medeverdachte] . Hij zette dat deel voor mij apart. Het geld van de klant ging in de eerste la van de keuken. Als ik klaar was met de klant nam ik de helft en de andere helft bleef in de la. Het deel uit de la ging naar [medeverdachte] . Hij bewaarde dat voor mij en als ik iets nodig had voor mijn werkzaamheden of voor mijn opleiding dan kon ik dat vragen. [medeverdachte] kwam zelf het geld uit de la halen of een van de jongens bracht het. Er was ongeveer € 1.000,00 gespaard. [verdachte] stuurde mij altijd een berichtje via WhatsApp dat er een klant kwam. [verdachte] vertelde wat de klant wilde. [verdachte] ging mij helpen, omdat zij prostituee was geweest. Zij zei hoe ik mij moest gedragen, zij regelde de website en de afspraken.
Het kwam wel eens voor dat we ineens meer moesten betalen voor bijvoorbeeld het omhoog bellen van advertenties of de huur.
Ik zei het tegen [verdachte] als ik op school was of ik kon werken. [verdachte] maakte de foto’s voor op de seksadvertenties in haar woning. Ik deed in oktober 2017 voor het eerst prostitutiewerk op de [b-straat] . Ik voelde mij in mijn vrijheid beperkt, omdat ik altijd moest melden waar ik heen ging en of ik wegging. Ik wilde stoppen. Ik was bang dat de filmpjes tegen mij gebruikt zouden worden.
Ik heb een paar keer seks gehad met [medeverdachte] . Ik wilde eigenlijk geen seks met hem. De eerste keer wist ik niet eens dat hij een vrouw had. Daarna wel en toen wilde ik het eigenlijk helemaal niet. Ik was bang om het tegen hem te zeggen. [medeverdachte] was erg boos geworden op mij over de prostitutiecontrole. Hij begon te schreeuwen en uit te schelden. Ik vond het eng en was bang voor hem.”
21. Het arrest bevat, voor zover voor de bespreking van het middel relevant, de volgende bewijsoverwegingen:
“Oogmerk van uitbuiting
(…)
Het oogmerk van uitbuiting blijkt verder uit het economisch voordeel dat door [medeverdachte] en [verdachte] is behaald. Zij hebben de aangeefsters een groot deel van hun verdiensten laten afstaan, zonder dat daar werkzaamheden van verdachten tegenover stonden die die bedragen konden rechtvaardigen.
De afspraak was in de basis met alle aangeefsters dat zij de helft van hun verdiensten moesten afstaan aan [medeverdachte] en [verdachte] . De aangeefsters moesten van [medeverdachte] en [verdachte] € 100,00 voor een uur, € 60,00 voor een half uur en € 50,00 voor 20 minuten rekenen. Drie uur kostte circa € 350,00. Zij moesten hun verdiensten in de keukenla leggen of afgeven bij de verdachten of de voetballers. Deze verdiensten werden, nadat dit door [medeverdachte] aan de aangeefsters was voorgesteld, door de verdachten beheerd. Van deze verdiensten werd dan de huur betaald. [aangeefster 1] betaalde eerst alleen een huur van € 1.150,00 per maand. Toen zij de woning deelde met achtereenvolgens [aangeefster 2] en [aangeefster 3] , bedroeg de huur € 1.400,00 per maand, dus € 700,00 per persoon per maand. Wat betreft de hoogte van de door de aangeefsters betaalde huur, valt op dat [aangeefster 3] verbleef in een ‘hokje’ waar alleen haar bed en wat spullen konden staan, hetgeen niet in verhouding staat tot het bedrag dat zij aan huur betaalde. Daarnaast beloofde [medeverdachte] voor de aangeefsters te zullen sparen, terwijl achteraf niet is gebleken dat dit is gebeurd. [aangeefster 3] heeft hiervan slechts € 1.000,00 spaargeld gekregen, terwijl zij acht maanden heeft gewerkt. Dat [aangeefster 3] niet tevreden was over de financiële afspraken, blijkt goed uit haar WhatsAppbericht naar [betrokkene 1] , waarin zij aangeeft dat zij en [aangeefster 1] worden gebruikt als pinautomaat. Ook van [aangeefster 2] en [aangeefster 1] is niet gebleken dat er geld voor hen is gespaard. [aangeefster 2] heeft verklaard dat zij uiteindelijk nagenoeg niets aan de door haar verrichte prostitutiewerkzaamheden heeft overgehouden: toen zij wegging, had zij nog maar € 70,00. Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat er met de door de verdachten beheerde gelden voor de aangeefsters werd gespaard, wordt dit verweer aldus verworpen.
(…)
Al met al komt het hof gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, tot de conclusie dat [medeverdachte] en [verdachte] het oogmerk hadden op de uitbuiting van de aangeefsters.”
De bespreking van het derde middel
22. Het hof heeft vastgesteld dat (i) [aangeefster 3] met de verdachte en [medeverdachte] de afspraak had gemaakt dat zij de helft van haar verdiensten moest afstaan, (ii) [aangeefster 3] haar verdiensten in de keukenla moest leggen of moest afgeven bij [medeverdachte] , (iii) [medeverdachte] dit geld beheerde, (iv) van die verdiensten de huur (à € 700,00 per maand) werd betaald en (v) [medeverdachte] aan [aangeefster 3] heeft beloofd voor haar te sparen, maar [aangeefster 3] “hiervan” na acht maanden werken slechts € 1000,00 aan spaargeld heeft ontvangen. Ik begrijp de overwegingen van het hof zo dat [medeverdachte] na acht maanden slechts € 1000,00 aan [aangeefster 3] heeft (terug)gegeven van het geld dat [medeverdachte] voor [aangeefster 3] beheerde én beloofde te sparen, maar dat de totale som aan spaargeld kennelijk meer had moeten zijn. ‘s Hofs vaststelling is m.i. niet tegenstrijdig met de verklaring van [aangeefster 3] dat zij aan [medeverdachte] een bedrag van het beheerde geld kon vragen als zij dat nodig had voor haar werkzaamheden of voor haar opleiding. Voor zover wordt geklaagd dat de bewezenverklaring berust op vaststellingen die, in strijd met de verklaring van [aangeefster 3] , inhouden dat zij aan haar prostitutiewerkzaamheden in totaal niet meer dan € 1000,00 heeft overgehouden, berust die klacht op een verkeerde lezing van het arrest.
23. Daarnaast wordt aangevoerd dat het niet duidelijk is aan welk bewijsmiddel het hof heeft ontleend dat [aangeefster 3] “verbleef in een ‘hokje’ waar alleen haar bed en wat spullen konden staan”. Ook hierin volg ik de stellers van het middel niet. Ik wijs op bewijsmiddel 14, een verklaring van [aangeefster 3] , waarin is opgenomen: “Ik moest € 700,00 per maand huur betalen. Daarvoor kreeg ik een hokje, met alleen maar mijn bed en mijn spullen”.
24. Het derde middel faalt.
Slotsom
25. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
26. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
27. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG