ECLI:NL:PHR:2026:869

ECLI:NL:PHR:2026:869

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 15-09-2026
Datum publicatie 10-09-2026
Zaaknummer 25/02754
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Beklag, beslag op Ferrari 488 GTB in Duitsland. 1. Klacht dat rechtbank niet heeft vastgesteld wat de grondslag van het beslag is. 2. Ingetrokken. 3. Klacht dat de rechtbank de beschikking niet in het openbaar heeft uitgesproken. De AG meent dat het eerste middel terecht is voorgesteld, maar bij gebrek aan belang niet tot cassatie hoeft te leiden. Het derde middel faalt. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/02754 B

Zitting 15 september 2026

CONCLUSIE

P.T.C. van Kampen

In de zaak

[klaagster] GMBH,

Zbwovhtl,

hierna: de klaagster

1. Het cassatieberoep

De rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, heeft bij beschikking van 5 augustus 2025 (raadkamernr. 25-012774) het op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift van de klaagster, strekkende tot opheffing van het beslag op een Ferrari 488 GTB (kenteken [kenteken] ) met last tot teruggave van die auto aan de klaagster, ongegrond verklaard.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster. Advocaat E.E.W.J. Maessen heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. Bij schrijven van 8 oktober 2025 is het tweede cassatiemiddel ingetrokken.

Het eerste middel bevat de klacht dat de rechtbank niet heeft vastgesteld wat de grondslag van het beslag is. Het derde middel bevat de klacht dat de rechtbank de beschikking niet in het openbaar heeft uitgesproken.

2. De procesgang

Op grond van de aan de Hoge Raad toegezonden stukken kan de procesgang in deze zaak als volgt worden samengevat.

In het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen autobedrijf [A] (hierna: [A] ) en de directeur grootaandeelhouder van [A] , [betrokkene 1] , ter zake van een verdenking van witwassen, is de Ferrari 488 GTB op verzoek van de Nederlandse autoriteiten op 3 december 2024 in Duitsland onder de klaagster in beslag genomen. De verdenking bestaat dat [A] werd gebruikt om criminele verdiensten wit te wassen; daarvoor zou volgens de officier van justitie ook de bovengenoemde auto zijn gebruikt. Na de inbeslagname is door de officier van justitie op 17 januari 2025 een Europees Opsporingsbevel en een Europees Bevriezingsbevel uitgevaardigd teneinde het voertuig overgedragen te krijgen aan de Nederlandse autoriteiten.

Op 15 mei 2025 heeft de griffie van de rechtbank Noord-Holland een namens de klaagster ingediend klaagschrift ex art. 552a Sv ontvangen. Dit klaagschrift strekt tot teruggave van de auto aan de klaagster.

Op 30 juni 2025 en 15 juli 2025 is het klaagschrift in raadkamer behandeld. Bij beschikking van 5 augustus 2025 heeft de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaard.

3. Het eerste middel

Het eerste middel bevat de klacht dat de rechtbank niet heeft vastgesteld wat de juridische grondslag van het beslag is, althans dat het oordeel over de grondslag van het beslag ontoereikend is gemotiveerd.

De rechtbank heeft het klaagschrift van de klaagster (door de rechtbank aangeduid als: klager), strekkende tot teruggave aan haar van de onder haar inbeslaggenomen Ferrari 488 GTB ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:

Beklag

Het beklag strekt tot teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp.

Door de klager is - kort samengevat - aangevoerd dat klager, [klaagster] GmbH eigenaar van het voertuig is. Klager heeft de auto gekocht van [A] . Op 5 februari 2024 heeft klager via bankoverschrijving een aanbetaling van € 50.000,- gedaan. Het restant van de koopsom, € 150.000,-, is op 19 juli 2024 contant aan [betrokkene 1] , eigenaar van [A] , voldaan. De in de door klager overgelegde stukken geconstateerde administratieve onduidelijkheden, waar de officier van justitie op doelt, zijn verklaarbaar en maken geenszins dat getwijfeld zou moeten worden aan het standpunt van klager dat hij eigenaar is van het voertuig. Er bestaat geen enkel belang van strafvordering dat zich verzet tegen teruggave van het voertuig aan klager.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de klager omdat het belang van strafvordering zich daartegen verzet omdat tijdens de uitgebreide behandeling in raadkamer en met de door klager overgelegde stukken de eigendom ten aanzien van het voertuig onvoldoende is vastgesteld.

Er loopt nog een strafrechtelijk en financieel onderzoek terzake witwassen tegen meerdere verdachten, waaronder autobedrijf [A] en verdachte [betrokkene 1] . Het Openbaar Ministerie is voornemens de verbeurdverklaring van het voertuig te vorderen en het is niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later inhoudelijk oordelend, tot verbeurdverklaring zal overgaan. Voorts zal tegen de verdachten in het onderzoek een ontnemingsvordering aanhangig worden gemaakt. De rechter-commissaris heeft een machtiging conservatoir beslag verleend. De waarde van het voertuig dient ter uitwinning van een op te leggen ontnemingsmaatregel.

Beoordeling

De rechtbank is bevoegd.

Het beklag is schriftelijk gedaan en ingediend binnen twee jaren na inbeslagneming. De klager is daarom ontvankelijk in het beklag.

Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een beklag als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.

De rechtbank dient eerst te beoordelen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het voertuig moet worden aangemerkt.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden op grond van het dossier en van hetgeen in openbare raadkamer naar voren is gebracht:

- Autobedrijf [A] en de directeur grootaandeelhouder [betrokkene 1] zijn verdachten in een witwasonderzoek, waarbij onder meer de verdenking bestaat dat het autobedrijf gebruikt werd om criminele verdiensten wit te wassen, waarvoor, aldus de officier van justitie, ook de onderhavige Ferrari zou zijn gebruikt;

- Uit onderzoek is gebleken dat de bedrijfsvoering van het bedrijf kort voor de actiedag in dit onderzoek in april 2024 was gestaakt en meerdere voertuigen, onder meer de onderhavige Ferrari, buiten het zicht van de Nederlandse autoriteiten zijn gebracht;

- In het kader van het strafrechtelijk onderzoek zijn er in mei 2024 door de Nederlandse politie meerdere voertuigen internationaal gesignaleerd, naar aanleiding waarvan de onderhavige Ferrari op 3 december 2024 onder klager in beslag is genomen;

- De Ferrari staat niet op naam van klager;

- Door klager is een kentekenbewijs voor het voertuig overgelegd op naam van [betrokkene 1] ;

- De eerst in raadkamer door klager overgelegde koopovereenkomst (‘Kaufvertrag’) dateert van 25 januari 2024 en vermeldt een koopprijs van €200.000,- voor een Ferrari 488;

- Op een door klager overgelegd bankafschrift staat een overschrijving van een bedrag van €50.000,- van klager naar [A] op 5 februari 2024, omschrijving: ’factuur No [...] vom 02.02.2024 Anzahlung Ferrari 448’;

- Klager stelt dat hij de Ferrari op 15 maart 2024, derhalve vóór afbetaling van het voertuig, na reparatie heeft opgehaald bij de Ferrari dealer in [plaats] . De door klager overgelegde factuur van deze autodealer van 14 maart 2024 is geadresseerd aan [A] ter attentie van [betrokkene 2] .

- Klager heeft gesteld dat hij het restant van € 150.000,- contant aan [betrokkene 1] heeft overhandigd op 19 juli 2024. [betrokkene 1] heeft op 3 juli 2025 bij de politie verklaard dat dit bedrag niet aan hem maar aan [betrokkene 3] zou zijn betaald.

- Geconfronteerd met de op de zitting van 15 juli 2025 door klager overhandigde factuur van [A] van 2 februari 2024 waarop een bedrag staat van € 190.000,- met vervaldatum 7 februari 2024, heeft klager verklaard, nadat hij meermalen had verklaard dat de Ferrari voor € 200.000,- door hem was gekocht, dat hij had afgesproken dat het bedrag van € 200.000,- gold als hij in termijnen zou betalen, en anders €190.000,-.

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat met het verhandelde ter zitting en de ter zitting door klager overgelegde stukken niet buiten redelijke twijfel is komen te staan dat klager eigenaar is van de inbeslaggenomen Ferrari. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van de verklaring van klager, in samenhang met de door hem overgelegde stukken, en de daarin geconstateerde inconsistenties en administratieve onduidelijkheden en onregelmatigheden, een en ander in het licht van de strafrechtelijke verdenking jegens [A] en [betrokkene 1] .

Het beklag zal dan ook ongegrond worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.”

Het schriftelijke standpunt van het openbaar ministerie d.d. 3 juni 2015, dat als bijlage III is gehecht aan het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 15 juli 2025, houdt onder meer het volgende in:

“[…]

BESLAG

Voorwerp : voertuig Personenauto, merk Ferrari, kleur grijs

Registratie nummer: [...]

Datum inbeslagname: 03-12-24 (in Duitsland)

Beslagene: Auto aangetroffen bij klager [klaagster] GmbH, [plaats]

Beslagtitel: 94/94a Sv

Beslag beslissing:

- verbeurdverklaring (objectconfiscatie)

- bewaring van het recht van verhaal ten behoeve van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (waardeconfiscatie)

[…]

Toetsingsmaatstaven met betrekking tot het beslag:

De Hoge Raad heeft meermalen bevestigd dat niet vooruitgelopen dient te worden op de uitkomst van straf- en ontnemingszaak.

• mbt beslag ex art. 94 Sv

Het door art. 94 beschermde belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave, omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen. Gezien het vorenstaande en het feit dat zowel de rechter-commissaris als de raadkamer van de rechtbank Noord-Holland in de strafzaak tegen verdachte [betrokkene 1] (in verband met de voorlopige hechtenis) ernstige bezwaren hebben aangenomen terzake van gewoontewitwassen, stelt het OM zich op het standpunt dat - voor zover het beslag berust op art. 94 Sv - het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert.

• mbt beslag ex art 94a Sv

Op het voorwerp is tevens conservatoir beslag gelegd ex art 94a Sv. In casu is er sprake van verdenking van witwassen, hetgeen een misdrijf is waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Er is in de onderhavige strafzaak sprake van voldoende aanleiding om te vermoeden dat de verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten, zodat het ook niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Het betreffende voertuig kan ter terzekerheidsstelling van die betalingsverplichting dienen.

De rapportages ten behoeve van de ontnemingszaken tegen verdachte en zijn mededader(s) zijn nog niet gereed.

Klacht door derde:

In casu is het klaagschrift ingediend door iemand anders dan degene tegen wie het strafrechtelijk onderzoek is gericht - in die zin dus een derde - en stelt deze eigenaar te zijn van het beslagen voorwerp.

Uit het opsporingsonderzoek blijkt dat verdachte [betrokkene 1] het voertuig eind maart 2024 bij het RDW heeft aangemeld voor de export. Het klaagschrift omvat geen enkele onderbouwing van de stelling dat klager [klaagster] GmbH nadien rechthebbende is geworden (en nog steeds is) van het voertuig en kan om die reden niet worden beoordeeld of de klager een geldige aanspraak heeft op het voorwerp. Het opsporingsonderzoek heeft geen betalingsdocument aan het licht gebracht waaruit volgt dat klager het voertuig (rechtmatig) heeft gekocht/betaald. Enig toetsbaar schriftelijk stuk om de (rechtmatige) eigendomsoverdracht vast te stellen is niet bij het klaagschrift gevoegd of anderszins aangeleverd.

Het OM stelt zich op het standpunt dat gezien vorenstaande - voor zover het beslag berust op art. 94a Sv - zich niet het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als rechthebbende op het voertuig moet worden aangemerkt.

Verder is gezien vorenstaande sprake van een lopend (financieel) onderzoek en is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen dan wel een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.”

Het klaagschrift van 15 mei 2025 houdt onder meer het volgende in:

“In opgemelde aangelegenheid werd de Ferrari 448 met het kenteken [kenteken] in beslag genomen. Klaagster is eigenaar van deze auto. Naar inzien van klaagster bestaat er geen enkel belang van strafvordering danwel enig ander belang dat zich zou verzetten tegen teruggave.

Klaagster heeft er dan ook recht en belang bij om uw rechtbank te benaderen met een verzoek tot teruggave. Dat is ook de reden waarom thans dit klaagschrift wordt ingediend.

Klaagster verzoekt uw rechtbank het beklag gegrond te verklaren alsmede verzoekt klaagster de teruggave van het voertuig.”

Ik stel voorop dat het, om de juiste beoordelingsmaatstaf te kunnen hanteren, ten tijde van de behandeling in raadkamer duidelijk zal moeten zijn welke bepaling(en) aan het beslag ten grondslag ligt of liggen. Bij de beoordeling van een beklag tegen een beslag op grond van art. 94 Sv geldt immers een andere maatstaf dan bij een beslag op grond van art. 94a Sv. De rechter mag daarom niet in het midden laten op grond van welke bepaling(en) het beslag is gelegd.

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank niet vastgesteld op welke wettelijke bepaling(en) het beslag rust. Het middel klaagt daarover terecht.

In dit geval hoeft dat om de navolgende redenen evenwel niet tot cassatie te leiden.

Uit de gedingstukken kan worden afgeleid dat er zowel klassiek beslag ex art. 94 Sv als conservatoir beslag ex art. 94a Sv op de inbeslaggenomen Ferrari rust. Het schriftelijke standpunt van het openbaar ministerie vermeldt zowel art. 94 Sv als art. 94a Sv achter het kopje “beslagtitels” en houdt verder onder meer in dat er “tevens” conservatoir beslag op het voorwerp is gelegd. De bewoordingen in klaagschrift duiden erop dat klaagster eveneens is uitgegaan van twee beslagtitels. Daarin wordt immers vermeld dat er “geen enkel belang van strafvordering danwel enig ander belang [bestaat] dat zich zou verzetten tegen teruggave”. Zoals door de steller van het middel in de schriftuur wordt geconstateerd, zal met het ontbreken van “enig ander belang” gedoeld zijn op de belangen bij handhaving van een conservatoir beslag ex art. 94a Sv.

Uit de overweging van de rechtbank dat “niet buiten redelijke twijfel is komen te staan dat klaagster eigenaar is van de inbeslaggenomen Ferrari” kan worden afgeleid dat de rechtbank van oordeel is dat er sprake is van een op grond van art. 94a Sv gelegd beslag. De rechtbank is kennelijk van oordeel dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard, omdat het niet buiten redelijke twijfel is dat de klaagster als eigenaar van het inbeslaggenomen voorwerp moet worden aangemerkt. Dat oordeel wordt in cassatie niet bestreden. In cassatie wordt evenmin geklaagd dat de rechtbank niet heeft getoetst aan de maatstaven die behoren bij een klassiek beslag ex art. 94 Sv.

Bij die stand van zaken is er mijns inziens een gebrek aan belang bij cassatie.

4. Het derde middel

Het derde middel bevat de klacht dat de rechtbank de beschikking niet in het openbaar heeft uitgesproken. In de toelichting wordt aangevoerd dat een proces-verbaal betreffende het uitspreken van de bestreden beschikking – om welk proces-verbaal door de steller van het middel overeenkomstig het procesreglement van de Hoge Raad is verzocht – ontbreekt. Als gevolg daarvan kan volgens de steller van het middel niet “met 100% zekerheid” worden vastgesteld dat de beschikking in het openbaar is uitgesproken.

De bestreden beschikking vermeldt dat zij “is gegeven door mr. J.O. Rutten, in tegenwoordigheid van L Bottelier, en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2025”. Dat brengt mee dat het verzuim waarover wordt geklaagd, niet tot cassatie kan leiden.

Het derde middel faalt.

5. Slotsom

Het eerste middel is terecht voorgesteld, maar behoeft bij gebrek aan belang niet tot cassatie te leiden. Het derde middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand