PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00243
Zitting 15 september 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 10 januari 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens onder 1 “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” en 2 “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken. Verder heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en op de vorderingen tenuitvoerlegging van eerder voorwaardelijk opgelegde straffen, zoals nader omschreven in het arrest.
Namens de verdachte heeft M.J. Lamers, advocaat in Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
Het middel klaagt dat het hof de verklaring van getuige [verbalisant] voor het bewijs heeft gebezigd, terwijl de verdediging geen gelegenheid heeft gehad deze getuige te bevragen, waardoor geen sprake is geweest van een eerlijk proces, althans dat het voorwaardelijk verzoek van de verdediging strekkende tot het horen van deze getuige is afgewezen op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen dan wel dat deze afwijzing ontoereikend en/of onvolledig en onbegrijpelijk is gemotiveerd.
Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 januari 2025 blijkt het volgende. Op 11 april 2023 is ingebroken in de auto van de aangever en is daaruit een infotainmentsysteem weggenomen. Van deze inbraak zijn beelden beschikbaar, waarop een voor de aangever onbekende man is te zien. Eind oktober 2023 is een anonieme tip binnengekomen en is de verdachte met naam en toenaam genoemd. De beelden zijn in die periode ook rondgestuurd binnen de politie. [verbalisant] heeft de verdachte vervolgens herkend. Het proces-verbaal waarin deze herkenning is opgetekend, is door het hof voor het bewijs gebezigd. Dit bewijsmiddel houdt in:
“een in de wettelijke vorm op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, met fotobijlage, van 8 november 2023, genummerd PL0900-2023 104905-5, opgemaakt door [verbalisant] werkzaam als brigadier bij de Eenheid Midden-Nederland, digitaal doorgenummerde pagina's 19-27, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik, [verbalisant] , verklaar het volgende: Op dinsdag 7 november 2023 omstreeks 08:00 uur, bevond ik mij aan het politiebureau te [plaats] . Ik ontving een mail en ik zag in de begeleidende mail de tekst: Herkenning
Ik verbalisant opende hierop de vijf bijgevoegde foto's. Op de foto's stond 1 persoon afgebeeld die naast een personen auto stond. Ik herkende de persoon die op de afbeeldingen stond afgebeeld direct als:
[verdachte] . [verdachte] geboren op [geboortedatum] 2005 te [plaats] .
Ik herkende [verdachte] aan zijn gezicht. [verdachte] heeft namelijk een ovaal hoofd en heeft een opvallend dikke brede neus. Hij heeft een vriendelijk gezicht, gezichtsbeharing en oren die aan de bovenkant iets naar buiten staan.
Ik herkende hem direct voor 100 procent. Ik heb in mijn werk meerdere gesprekken gehad met [verdachte] . Waarbij ik hem vorig jaar voor het laatst hebt gezien.”
De verdediging had blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 september 2024 voorafgaand aan die terechtzitting verzocht om het doen opmaken van een aanvullend proces-verbaal door [verbalisant] , waarin de vragen van de raadsman in verband met de herkenning worden beantwoord. Dit verzoek is door het hof toegewezen.
Deze vragen zijn door de verbalisant beantwoord in een aanvullend proces-verbaal van 30 oktober 2024. Dit proces-verbaal bevindt zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden processtukken en luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“Op woensdag 30 oktober [ik begrijp 2024, D.P.] te 14:39 uur, bevond ik mij verbalisant aan het politiebureau te [plaats] gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] . Ik ontving in mijn werkmailbox een mail.
In deze mail was een verzoek vanuit het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden om een aanvullend proces verbaal te maken naar aanleiding van vragen vanuit de Raadsman van [verdachte] in een strafzaak met parketnummer: 21-001654-24
Hieronder zal ik de vragen benoemen die worden gesteld aan mij verbalisant. Ik zal daaronder in dezelfde stijl antwoord geven op de gestelde vragen.
Ten behoeve behandeling hoger beroep wenst het Gerechtshof van u in een op ambtseed aanvullend proces-verbaal antwoordt op de vragen van de verdediging (zie bijlage);
1.Kunt u uw relatie met verdachte nader omschrijven?
2.Hoe vaak heeft u contact gehad met verdachte (met de mutaties)?
3.Hoe lang duurde deze contacten?
4.Waar hadden deze contacten betrekking op?
5.Voor het laatst had u contact met verdachte?
Vraag 1.
Op deze vraag kan ik duidelijk antwoord geven. De relatie tussen de verdachte en mij verbalisant is dat ik met de verdachte een aantal keer een gesprek gehad. Zo heb ik ook een gesprek gehad die hij met mij in vertrouwen wilden voeren. Ik heb goed contact met de verdachte dat was destijds zowel bij controles/meldingen dan telefonisch of via berichtendiensten whats app.
Vraag 2 en 3.
Omdat mij deze vraag niet duidelijk en helder is. Heb ik de politie systemen geraadpleegd. Ik heb de verdachte bij een verdachte situatie en een controle overlast gezien en gesproken. Dit was naar aanleiding van overlast en dit was naar aanleiding van een verdachte situatie naar aanleiding van mogelijk handel in verdovende middelen in het gebied waar ik werkzaam ben als wijkagent. Ik heb daar geruime tijd gesproken met [verdachte] . Dit is enkel het contact wat door de politie of door mijzelf is vastgelegd. Het is mogelijk dat ik de verdachte vaker heb gezien en heb gesproken echter dat ons contact niet direct is vastgelegd. Het telefonisch contact en contact hierna heeft een aantal weken aangehouden.
Vraag 4.
Het contact met de verdachte die ik eerder heb gehad hadden betrekking op overlastmelding. Ook was dit naar aanleiding van een verdachte situatie en vermoedden van handel harddrugs. In dit gesprek hebben de verdacht en ik langere tijd met elkaar gesproken over meerdere zaken namelijk over schulden en de problemen die hij heeft.
Vraag 5.
Dit contact was op 23 januari 2023 en was op de [b-straat] te [plaats] .
Mocht er naar aanleiding van bovenstaande vragen/antwoorden nog vragen zijn hoor ik dat graag.”
Vervolgens is de zaak inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 10 januari 2025. Het proces-verbaal van deze zitting houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“De verdachte verklaart als volgt:
Ik begrijp niet hoe ik veroordeeld kan worden zonder bewijs. Ik ben het niet. Ik vind dat ze mijn geschiedenis terughalen, omdat ik eerder ben veroordeeld. Bij mijn aanhouding hebben ze de camerabeelden laten zien. Daarop zag ik een petje en een bril, maar dat draag ik niet.
De voorzitter merkt het volgende op:
De beelden zijn duidelijk. Agenten kunnen zich vergissen. Dat is een van de redenen dat de raadsvrouw er meer over wilde weten. De agent heeft vragen beantwoord over de herkenning. Hij kent verdachte en heeft een aantal keren een gesprek gehad. Hij heeft vermeld wanneer hij contact heeft gehad met verdachte en dat hij lang gesproken heeft met verdachte. Het laatste contact had te maken met een overlastmelding, maar er is ook gesproken over de persoonlijke situatie van verdachte en drugs gerelateerde zaken. Hij heeft verdachte in [plaats] gesproken.
De verdachte verklaart als volgt:
Het is lang geleden. Ik heb gedetineerd gezeten in het buitenland. Omdat ik al eerder veroordeeld ben voor diefstal van navigatiesystemen zegt de agent dat ik dit ook ben. Na de eerdere veroordeling heb ik niks meer met navigatiesystemen te maken gehad.
[…]
De advocaat-generaal voert het woord als volgt:
De camerabeelden van de auto van de zoon van aangever laten zien dat iemand bij de auto staat en een ruit intikt. De aangifte en herkenning van verdachte zitten in het dossier. De verbalisant, die verdachte heeft herkend, is later aanvullend ondervraagd over de herkenning. De anonieme tip in het dossier wordt niet gebruikt als bewijsmiddel, maar ondersteund wel de herkenning. In de tip wordt verdachte met naam en toenaam genoemd. Dit geeft de overtuiging dat verdachte het daadwerkelijk is geweest. Er is sprake van twee strafbare feiten en verdachte heeft een fors strafblad met gelijkwaardige zaken als deze. […].
De advocaat-generaal legt de vordering over aan het hof.
De raadsvrouw voert het woord tot verdediging als volgt:
Ik verzoek om mijn cliënt vrij te spreken van beide feiten. Hij ontkent de persoon te zijn op de beelden. De enige link is de herkenning van [verbalisant] . Er zijn verschillende factoren van belang bij herkenningen door een verbalisant. De kwaliteit van de beelden in deze zaak is goed. Daarnaast moet worden gekeken naar de intensiteit en frequentie van de contacten. In het proces-verbaal van bevindingen staat dat mijn cliënt en verbalisant een aantal keer een gesprek hebben gehad, maar niet wanneer dit heeft plaatsgevonden. Verbalisant heeft cliënt gezien bij een melding en daar geruime tijd gesproken. Daarna zouden zij een aantal keren telefonisch contact hebben gehad. Het contact heeft voor het laatst plaatsgevonden op 23 januari 2023. Het is onduidelijk of ze elkaar op 23 januari 2023 hebben gezien of telefonisch hebben gesproken. De herkenning is maanden na het laatste contact tof stand gekomen. De anonieme tip dateert van 20 oktober 2023, terwijI het feit al op 11 april 2023 is gepleegd. Een week na de anonieme tip herkent de verbalisant
cliënt. De vraag is of de verbalisant wist van de anonieme tip. Verder is er geen steunbewijs aanwezig. Er zijn geen andere stukken waaruit betrokkenheid blijkt. Enkel de herkenning van de verbalisant is te weinig. Ik verzoek u om mijn cliënt vrij te spreken. Indien u toch tot een bewezenverklaring komt, doe ik een voorwaardelijke verzoek om [verbalisant] op te roepen als getuige en dus de zaak aan te houden. Daarnaast verzoek ik om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van mijn cliënt en een taakstraf op te leggen met een voorwaardelijk deel. Voorts verzoek ik de vordering tenuitvoerlegging om te zetten naar een taakstraf. Dat geldt ook voor de schadevergoeding, U, voorzitter, vraagt mij of ik nader kan specificeren wat ik [verbalisant] zou willen vragen. De vragen zouden als doel hebben duidelijkheid te verkrijgen omtrent hoe de herkenning tot stand is gekomen en betrekking hebben op de datum van de herkenning.
De advocaat-generaal merkt op als volgt:
Ik verzet mij tegen het verzoek van de raadsvrouw. De verdediging heeft de mogelijkheid gehad om vragen te stellen aan verbalisant. Het verzoek moet getoetst worden aan het noodzakelijkheidscriterium. Het proces-verbaal is op ambtseed opgemaakt en daar twijfel ik niet aan.
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.
De verdachte verklaart als volgt:
Ik vind dat de agent [verbalisant] laat blijken alsof hij mij goed kent, terwijl ik hem niet ken. De agenten waar ik echt goed contact mee heb, ken ik bij naam. Ik vind het knap dat hij mij heeft herkend met een pet en een bril. Dan kun je op meerdere mensen lijken. Er wordt wel vaker gezegd dat ik op iemand anders lijk met een pet. Ik denk dat ik ben veroordeeld vanwege mijn strafblad en niet door het bewijs.”
Het hof heeft het verzoek afgewezen en deze afwijzing als volgt gemotiveerd:
“De verdediging heeft de mogelijkheid gehad (en daar ook gebruik van gemaakt) om schriftelijk, vragen te stellen aan de verbalisant en die vragen zijn beantwoord in een aanvullend proces-verbaal. Nu het verzoek tot het horen van [verbalisant] pas in hoger beroep is gedaan, de verdediging al de gelegenheid heeft gehad voor vragen, het niet noodzakelijk is en het is strijd is met de goede procesorde om de verbalisant nog nader te horen, wijst het hof het verzoek af.”
Naar aanleiding van het arrest van het EHRM in de zaak Keskin tegen Nederland, heeft de Hoge Raad op 20 april 2021 het volgende overwogen over beslissingen op een verzoek tot het horen van een getuige die in het vooronderzoek of anderszins een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking voor de verdachte en ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen:
“Implicaties van de uitspraak van het EHRM voor beslissingen op verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen
[…]
De uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin heeft tot gevolg dat in bepaalde gevallen het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. Dat is aan de orde als het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. Daarvan is in ieder geval sprake als de rechter in eerste aanleg een verklaring van een getuige voor het bewijs heeft gebruikt, en de verdediging in hoger beroep het verzoek doet deze getuige op te roepen en te (doen) horen.
Het vorenstaande betekent niet dat elk verzoek tot het oproepen en horen van een getuige die al een belastende verklaring heeft afgelegd, door de rechter zonder meer moet worden toegewezen. Zo’n verzoek kan worden afgewezen op de – in artikel 288 lid 1 Sv genoemde, maar ook voor de toepassing van artikel 315 Sv van belang zijnde – gronden dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen, of dat het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht, en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang de getuige ter terechtzitting te kunnen ondervragen. In de rechtspraak van het EHRM zijn onder meer deze gronden erkend als goede reden voor het niet oproepen en horen van een getuige. Verder verzet artikel 6 EVRM zich niet ertegen dat de rechter het verzoek afwijst als het oproepen en horen van een getuige onmiskenbaar irrelevant of overbodig (“manifestly irrelevant or redundant”) is, omdat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen indien de al door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of als die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.
[…]
Beoordeling van de ‘overall fairness’ van de procedure
De voor het Nederlandse stelsel kenmerkende omstandigheid dat de rechter in de loop van het strafproces beslissingen neemt over het oproepen en horen van getuigen, is niet alleen van betekenis bij de beoordeling van getuigenverzoeken, maar ook bij de eindbeoordeling van de zaak. Zoals in het onder 2.2 genoemde arrest van 4 juli 2017 is overwogen, moet de rechter voordat hij einduitspraak doet, nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Zo nodig zal hij hetzij ambtshalve alsnog overgaan tot het oproepen en het horen van (een) getuige(n), hetzij bij zijn beslissing over de bewezenverklaring onder ogen moeten zien of en zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de relevante getuige(n) in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen.
Deze wijze van beoordeling sluit aan bij de drie stappen die in de rechtspraak van het EHRM deel uitmaken van de beoordeling of, in gevallen waarin de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen, het proces als geheel eerlijk is verlopen. Van belang hierbij zijn (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. Dit betekent dat met name in gevallen waarin niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen zonder dat die in beslissende mate zal steunen op de verklaring van de getuige, terwijl de verdediging het nodige initiatief heeft getoond om het ondervragingsrecht te kunnen uitoefenen en een goede reden ontbreekt om de getuige niet te horen, de rechter (alsnog) zal moeten overgaan tot het oproepen en horen van die getuige, althans nog zal moeten doen wat redelijkerwijs mogelijk is om de verdediging de gelegenheid te bieden tot uitoefening van het ondervragingsrecht.
Als de uitoefening van het ondervragingsrecht niet wordt gerealiseerd, moet de rechter onderzoeken of voldoende compenserende factoren hebben bestaan voor de door de verdediging ondervonden beperkingen bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige, waarmee ook de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing wordt gewaarborgd. Als de rechter oordeelt dat (vooralsnog) onvoldoende compenserende factoren hebben bestaan, onderzoekt hij of daartoe alsnog stappen kunnen worden gezet. Het gaat er daarbij in de kern om dat de rechter de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige zorgvuldig onderzoekt, een en ander in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting door de verdachte van die verklaring. Van belang daarbij kunnen zijn verklaringen van personen tegenover wie de getuige – kort na de gebeurtenissen waar het om gaat – zijn of haar verhaal heeft gedaan of die anderszins feiten en omstandigheden waarop de getuigenverklaring ziet, kunnen bevestigen. Het kan onder omstandigheden ook gaan om verklaringen van deskundigen die de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige dan wel de persoon van die getuige aan een onderzoek hebben onderworpen. Verder kan compensatie betrekking hebben op procedurele waarborgen zoals de beschikbaarheid van een audiovisuele vastlegging van het verhoor van de getuige of het ondervragen van de zojuist genoemde personen of deskundigen. In dit verband kan ook van belang zijn dat de verdediging wel een beperkte mogelijkheid heeft gehad om vragen te (doen) stellen aan de getuige.
De toetsing in cassatie kan gericht zijn op de vraag of de beslissing het tenlastegelegde mede op grond van een verklaring van een niet-ondervraagde getuige bewezen te verklaren in overeenstemming is met het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de daaraan verbonden notie van ‘the overall fairness of the trial’. Bij deze beoordeling kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dit het geval is, (nader) heeft gemotiveerd.
Verder heeft wat hiervoor onder 2.12.2 is overwogen ook betekenis voor de toetsing in cassatie van klachten die zich specifiek richten tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek tot het oproepen en horen van een getuige die een belastende verklaring heeft afgelegd. Het belang bij de betreffende cassatieklacht kan ontbreken als de procedure in haar geheel – ondanks de afwijzing van het verzoek tot het horen en oproepen van die getuige – voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Het ligt daarom in de rede dat, als een dergelijke klacht wordt aangevoerd, de schriftuur een toelichting bevat dat en waarom de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat het recht op een eerlijk proces is geschonden.”
In de onderhavige zaak is zonder meer sprake van een ‘Keskin’-getuige. De verbalisant heeft belastend verklaard jegens de verdachte en de verdediging is weliswaar – op eigen verzoek – in de gelegenheid gesteld om schriftelijk vragen te stellen aan de getuige, maar zij is niet in de gelegenheid gesteld hem te horen. Het belang van het oproepen en horen van de getuige had dus moeten worden verondersteld. Hieraan doet niet af dat de verdediging pas tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak haar wens om de verbalisant te horen, kenbaar heeft gemaakt. Ook het feit dat de verdediging eerder de kans heeft gehad schriftelijk vragen te stellen aan de verbalisant en deze ook heeft benut, maakt niet dat kan worden gezegd dat een effectieve ondervragingsmogelijkheid is geboden. Het stellen van schriftelijke vragen kan wel worden beschouwd als een compenserende factor (derde stap van de hierboven in het arrest van de Hoge Raad onder 2.12.2 en 2.12.3 weergegeven driestappentoets van het EHRM).
Ik wijs ter vergelijking op een zaak waarin de Hoge Raad op 8 april 2025 arrest wees. In die zaak had de verbalisant geconstateerd dat de verdachte een zakdoek op straat had gegooid. Dit was het enige bewijsmiddel in de zaak. De verdediging had het voorwaardelijke verzoek gedaan de verbalisant te doen ondervragen. Dit verzoek was door het hof afgewezen met het argument dat de verdediging reeds schriftelijke vragen had mogen stellen aan de verbalisant en de laatstgenoemde deze uitgebreid had beantwoord en bij dit proces-verbaal ook foto’s van de situatie ter plaatse waren gevoegd, “zodat het gebruik van de door hem afgelegde verklaring niet in strijd is met artikel 6 EVRM”. Voorts overwoog het hof dat de verdediging door het opmaken van het aanvullende proces-verbaal “in voldoende mate [was] gecompenseerd voor het niet in aanwezigheid van de verdediging kunnen bevragen van” de verbalisant. Mijn ambtgenoot Keulen kwam tot de conclusie dat hoewel niet kon worden gezegd dat de ondervraging van de verbalisant ‘manifestly irrelevant and redundant’ zou zijn geweest, het oordeel dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd. De Hoge Raad deed de zaak af met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
In de onderhavige zaak heeft het hof echter geen aandacht besteed aan de vraag of het stellen van schriftelijke vragen voldoende compensatie kan bieden voor het ontbreken van een goede reden om de verbalisant op te roepen voor verhoor. Ook heeft het hof zich geen rekenschap gegeven van het gewicht dat de verklaring binnen de bewijsvoering toekomt.
Het hof had moeten motiveren waarom art. 6 EVRM er niet aan in de weg staat de verklaring van de verbalisant voor het bewijs te bezigen, waarbij het acht had moeten slaan op de reden voor het ontbreken van een effectieve ondervragingsmogelijkheid, het gewicht van de verklaring van de verbalisant en de eventuele aanwezigheid van factoren die het ontbreken van een ondervragingsmogelijkheid compenseren. Het hof heeft dit verzuimd. Zowel de afwijzingsbeslissing als het gebruik van de verklaring van [verbalisant] voor het bewijs zijn tegen die achtergrond niet begrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd.
Het middel is dus terecht voorgesteld.
Het voorgaande neemt niet weg dat kan worden getwijfeld aan het belang bij cassatie. Het is namelijk zo dat de verdediging naar aanleiding van vragen van de voorzitter heeft aangegeven dat het stellen van vragen aan de verbalisant als doel zou hebben duidelijkheid te verkrijgen “omtrent hoe de herkenning tot stand is gekomen” en dat de vragen “betrekking hebben op de datum van de herkenning”. Deze vragen lijken in het proces-verbaal van herkenning en het aanvullende proces-verbaal dat [verbalisant] heeft opgesteld naar aanleiding van vragen van de verdediging evenwel reeds te zijn beantwoord. De verbalisant heeft in het proces-verbaal immers beschreven wanneer de herkenning tot stand is gekomen en aan welke uiterlijke kenmerken hij de verdachte heeft herkend. Tevens blijkt uit het aanvullende proces-verbaal dat het laatste contact tussen de verbalisant en de verdachte op 23 januari 2023 was. Door de verbalisant is beschreven waar het contact heeft plaatsgevonden (te weten op de [b-straat] te [plaats] ), zodat mijns inziens kan worden aangenomen dat dit geen telefonisch contact was. Verder wijs ik erop dat de beelden kennelijk duidelijk zijn, zo geeft ook de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep toe, en dat de verbalisant de verdachte al langer kende, zodat het minder relevant kan worden geacht of hij van tevoren op de hoogte was van de anonieme tip dat de persoon op de beelden de verdachte betrof. Er zou onder deze omstandigheden kunnen worden betoogd dat het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat het nader horen van de verbalisant ‘manifestly irrelevant and redundant’ zou zijn geweest, omdat de vragen die de verdediging aan de getuige zou willen stellen geen nieuw licht op de zaak kunnen werpen.
Toch kom ik tot een ander oordeel. Er is namelijk door de verdediging en de verdachte bepleit dat de laatstgenoemde niet degene is die is te zien op de beelden en door de verdachte is verder opgemerkt dat hij het knap vindt dat de verbalisant hem “heeft herkend met een pet en een bril”, omdat je zo namelijk “op meerdere mensen” kan lijken en dat er wel vaker wordt “gezegd dat ik op iemand anders lijk met een pet”, in welke opmerkingen besloten ligt dat de beelden kennelijk niet voor zich spreken. Ook is door de verdediging, zoals eerder aangegeven, aangevoerd dat het niet duidelijk is of de verbalisant op de hoogte was van de vlak voor de herkenning binnengekomen anonieme tip dat degene die op de beelden was te zien de verdachte betrof; deze vraag is niet in het aanvullend proces-verbaal aan bod gekomen en kan worden beschouwd als een vraag die ziet op de wijze waarop de herkenning tot stand is gekomen. Bij deze stand van zaken kan mijns inziens niet worden gezegd dat het kennelijke oordeel van het hof dat het horen van de verbalisant ‘manifestly irrelevant or redundant’ zou zijn, begrijpelijk is.
3. Slotsom
Het middel slaagt.
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden opdat de zaak opnieuw kan worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG