RECHTBANK AMSTERDAM
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/13/787390 / FA RK 26/3587
Datum uitspraak: 27 mei 2026
Beschikking zorgmachtiging
op het verzoek van de officier van justitie voor
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 2007 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres],
verblijvende bij het [zorginstelling] te [plaats],
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat mr. A.S. Kamphuis.
1. Het verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 6 mei 2026;
het eigen zorgplan van betrokkene, binnengekomen op 26 mei 2026;
het artikel van de Universiteit van Tilburg, genaamd ‘Zorg voor jongeren met ernstige anorexia nervosa: Wat gebeurt er als je de verplichting opheft?’, binnengekomen op 26 mei 2026;
het overzicht van persoonlijke ervaringen van betrokkene met anorexia hulpverlening en de MPU, binnengekomen op 26 mei 2026.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 mei 2026 bij het [zorginstelling] te [plaats]. Daarbij zijn gehoord:
betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
mevrouw [naam], arts;
ouders van betrokkene.
De officier van justitie is niet gehoord, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.
2. Het verzoek
De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging voor de duur van zes maanden te verlenen.
3. De beoordeling
De rechtbank wijst de gevraagde machtiging voor de duur van zes maanden af. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
De rechtbank is van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis. Betrokkene heeft namelijk anorexia nervosa van het restrictieve type.
Deze stoornis veroorzaakt ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:
levensgevaar;
ernstig lichamelijk letsel;
ernstige psychische schade;
maatschappelijke teloorgang.
Om het ernstig nadeel af te wenden heeft betrokkene zorg nodig.
De advocaat bepleit namens betrokkene afwijzing van het verzoek aangezien de noodzakelijke zorg kan worden voortgezet op vrijwillige basis. De advocaat voert hierbij aan dat betrokkene vrijwillig in behandeling is gekomen bij de kliniek. Betrokkene is intrinsiek gemotiveerd om aan de noodzakelijke behandeling richting herstel mee te werken. Betrokkene geeft aan dat de sluimering van dwang voor haar erg bezwarend is. Betrokkene verklaart dat haar motivatie daardoor nep voelt, het vangnet van een zorgmachtiging ervaart zij als belastend. Het artikel van de Universiteit van Tilburg onderstreept dit. Uit dat artikel volgt dat bij sommige anorexiapatiënten dwangzorg juist een averechtse werking heeft en leidt tot meer stress en paniek bij de patiënt. Tot slot bepleit de advocaat dat betrokkene momenteel al zelfstandig op zoek is naar vervolgzorg die bij haar past. Volgens de advocaat wijst ook dit op de intrinsieke motivatie van betrokkene en onderstreept dit haar pleidooi voor zorg op vrijwillige basis.
Ter zitting pleit de arts voor het toewijzen van een zorgmachtiging voor betrokkene op grond van twee aspecten. Ten eerste is volgens de arts in het verleden gebleken dat de verplichte zorg nodig kan zijn om de ouders van betrokkene te beperken in hun bezoek. Gebleken is dat de samenwerking tussen de ouders en de behandelaren niet altijd goed ging en dat de ouders van betrokken mogelijk, onbedoeld en onbewust, een ongezond systeem voor betrokkene in stand houden.
Ten tweede verklaart de arts dat er zorgen zijn over de duurzaamheid van de behandelwens van betrokkene. De arts is bang dat betrokkene zich toch zal onttrekken aan de noodzakelijke zorg en zonder aanwezigheid van een zorgmachtiging kan de kliniek dan niet adequaat ingrijpen. Gelet op de ernst van het gevaar voorafgaand aan de huidige opname, acht de arts risico op levensgevaar, dan wel ernstig letsel voor betrokkene, groot. De arts benadrukt dat wisselende motivatie betreffende de behandelwens iets is wat ze vaker zien bij patiënten met eetstoornissen.
De rechtbank constateert dat betrokkene vrijwillig in opname is gekomen, vanuit intrinsieke motivatie. Vervolgens is er ook al zelfstandig contact geweest met vervolgklinieken, aangezien betrokkene zelf ook vindt dat er een vervolgtraject moet komen om verder te herstellen. De ouders geven daarbij ter zitting aan dat er een duidelijke omslag is geweest in de motivatie van betrokkene sinds haar bekkenbreuk in februari 2026. Bovendien geeft betrokkene aan vrijwillig in de kliniek te willen blijven tot er een geschikte vervolgkliniek is gevonden.
De kliniek vindt deze vrijwilligheid wankel wegens twee aspecten genoemd in rechtsoverweging 3.5, alinea 2. De rechtbank oordeelt dat ter zitting is gebleken dat er met de ouders in goed overleg kan worden samengewerkt. Samenwerking tussen de kliniek en de ouders is nodig om de behandeling goed te laten verlopen. De ouders verklaren ter zitting bereid te zijn om deze samenwerking aan te gaan. Wat betreft de duurzaamheid van de behandelwens van betrokkene oordeelt de rechtbank dat er onvoldoende is gemotiveerd waarom de behandelwens van betrokkene niet duurzaam zou zijn. De argumentatie van de kliniek volgt meer vanuit de algemene kennis omtrent de stoornis en het gedrag van betrokkene uit het verleden dan vanuit het huidige gedrag van betrokkene. De rechtbank oordeelt dat de noodzakelijke zorg kan worden voortgezet op vrijwillige basis. De rechtbank wijst het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging af.
4. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr. K.G. Jansma, griffier en op schrift gesteld op 27 mei 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.