beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/788334 / FA RK 26/4135
kenmerk: VCM/IND/203838
Machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel
Beschikking van 27 mei 2026 van de rechtbank Amsterdam naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot verlenging van een crisismaatregel, als bedoeld in artikel 7:7 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1967 in [geboorteplaats], Nederland,
wonende te [adres],
verblijvende bij GGZ InGeest, locatie [locatie] te [plaats],zorgaanbieder GGZ InGeest,
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. E.T. Vreugdenhil.
1. Procesverloop
Bij verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 26 mei 2026, heeft de officier van justitie verzocht om verlenging van de op 23 mei 2026 opgelegde crisismaatregel.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 27 mei 2026 op de locatie [locatie] in [plaats].
Ter zitting heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
- betrokkene;
- bovengenoemde advocaat;
- de heer [naam 1], verpleegkundig specialist;
- mevrouw [naam 2], arts.
Omdat de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte, is hij niet bij de mondelinge behandeling verschenen.
2. Beoordeling
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat er ten aanzien van betrokkene sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, gelegen in
- ernstig lichamelijk letsel,
- ernstige psychische schade;
- ernstige financiële schade;
- maatschappelijke teloorgang;
- bedreiging van de veiligheid van betrokkene al dan niet doordat hij onder invloed van een ander raakt;
- de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept.
Vermoed wordt dat dit nadeel wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychische stoornis, in de vorm van een manische decompensatie in het kader van een bipolaire 1 stoornis. De crisissituatie is zo ernstig dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht.
De advocaat bepleit namens betrokkene afwijzing van het verzoek aangezien betrokkene, volgens de advocaat, wilsbekwaam is en zich niet verzet tegen de zorg. Bovendien is er volgens de advocaat geen sprake van ernstig nadeel. De feiten die volgen uit de overgelegde stukken worden door betrokkene betwist. Betrokkene verklaart ter zitting tevens alle noodzakelijke zorg te accepteren en vrijwillig aan de behandeling mee te werken. De advocaat ziet daarom geen noodzaak voor een voortzetting van de crisismaatregel.
Anders dan de advocaat namens betrokkene bepleit heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de beoordeling van de onafhankelijk psychiater wat betreft de wilsbekwaamheid van betrokkene. Bovendien verklaart de arts ter zitting dat ze nog steeds een wisselend beeld zien wat betreft de wilsbekwaamheid van betrokkene. De rechtbank concludeert dat betrokkene wilsonbekwaam wordt geacht ten aanzien van een beslissing omtrent zijn behandeling.
De rechtbank constateert dat er bij betrokkene sprake is van dysfoor en geprikkeld gedrag, wat kan leiden tot ernstig nadeel voor anderen. Dit nadeel wordt niet betwist door betrokkene. De rechtbank oordeelt daarom dat er sprake is van ernstig nadeel.
Wat betreft de vrijwilligheid constateert de rechtbank dat betrokkene recent twee keer van de kliniek is weggelopen en de noodzakelijke zorg meed. De rechtbank ziet daarom geen mogelijkheden voor zorg binnen het vrijwillig kader.
Gelet op het bovenstaande oordeelt de rechtbank dat het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel wordt toegewezen.
De rechtbank is van oordeel dat van de zorg die is genoemd in de crisismaatregel, de volgende vormen van zorg, gedurende drie weken, noodzakelijk zijn om het nadeel af te wenden:
toedienen van vocht en voeding;
toedienen van medicatie;
het verrichten van medische controles;
het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
beperken van de bewegingsvrijheid;
onderzoek aan kleding of lichaam;
onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;
aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
opnemen in een accommodatie.
De rechtbank zal de verplichte zorg in de vorm van insluiten en uitoefenen van toezicht op betrokkene niet toewijzen, omdat ter zitting is gebleken dat er voor deze vormen van verplichte zorg geen noodzaak is.
De verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Betrokkene verzet zich tegen deze zorg. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
Uit de stukken blijkt dat rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
Hetgeen namens en door betrokkene als verweer is aangevoerd doet aan het voorgaande niet af.
Gelet op het voorgaande zal een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel worden verleend, welke machtiging een geldigheidsduur heeft van drie weken na heden.
3. Beslissing
De rechtbank:
verleent een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel ten aanzien van [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1967 in [geboorteplaats], Nederland voor zover het de in rechtsoverweging 2.3 genoemde vormen van verplichte zorg betreft;
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 17 juni 2026;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is op 27 mei 2026 mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken door mr. R.H.G. Odink, rechter, bijgestaan door mr. K.G. Jansma als griffier en op 28 mei 2026 schriftelijk uitgewerkt.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.