ECLI:NL:RBAMS:2026:10564

ECLI:NL:RBAMS:2026:10564

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 27-10-2026
Zaaknummer C/13/757095 / FA RK 24-6433
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

MK. Echtscheiding. Afwikkeling huwelijkse voorwaarden. Vorderingen op grond van de huwelijkse voorwaarden. Geschillen over goederen. IPR

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken

zaaknummer / rekestnummer: C/13/757095 / FA RK 24-6433

C/13/780346 / FA RK 25-9647

Beschikking van de meervoudige kamer van 21 april 2026 betreffende de echtscheiding met nevenvoorzieningen

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. O. Asscher,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] (feitelijk verblijvende in China),

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. A. Acar.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de man, ingekomen op 20 september 2024;

- het verweerschrift van de vrouw;

- het aanvullend verzoekschrift van de man, ingekomen op 9 januari 2025;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 6 februari 2025;

- een akte toelichting tevens inhoudende akte eiswijziging/-vermeerdering met producties van de vrouw, ingekomen op 13 januari 2026;

- een akte eisvermeerdering met producties van de vrouw, ingekomen op 16 januari 2026;

- een akte met eiswijziging met producties van de man, ingekomen op 16 januari 2026;

- een F-formulier met producties van de man van 20 januari 2026;

- een F-formulier van de vrouw van 21 januari 2026;

- een F-formulier van de man van 21 januari 2026.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 januari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de man met zijn advocaat, alsmede de vrouw (via beeldbellen) met haar advocaten, mr. Acar en mr. Marjanovic, en met een tolk. Van de zijde van de man zijn nadere stukken overgelegd.

Na de mondelinge behandeling zijn, zoals afgesproken, nog de volgende stukken ontvangen:

- een F-formulier van de vrouw van 18 februari 2026.

2. De feiten

Partijen zijn met elkaar gehuwd op 27 januari 2008 te Hong Kong (China).

De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft de Chinese nationaliteit.

Partijen zijn ouders van het thans meerderjarige kind:

- [naam 1] , geboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats] .

3. De beoordeling

Scheiding

Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.

Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

Ieder van partijen heeft verzocht een voorziening te treffen ter afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ter zake van daarmee verband houdende nevenvoorzieningen (artikel 4 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (Verdrag) van toepassing.

Nu partijen een volgens dit Verdrag geldige keuze hebben uitgebracht voor het Nederlands recht, is dat recht van toepassing op hun huwelijksvermogensregime, in die zin dat de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk zullen worden beheerst door Nederlands recht.

Huwelijkse voorwaarden

Partijen zijn voor het huwelijk, op 31 december 2007, huwelijkse voorwaarden overeengekomen waaruit blijkt dat elke gemeenschap van goederen wordt uitgesloten.

In de huwelijkse voorwaarden zijn partijen – voor zover hier van belang – het volgende overeengekomen:

Uitsluiting

Artikel 1

De echtgenoten sluiten elke gemeenschap van goederen uit.

Bewijsovereenkomst

Artikel 2

1. De roerende zaken en rechten aan toonder die behoren tot het beroeps- of bedrijfsvermogen van een echtgenoot worden geacht eigendom te zijn van die echtgenoot, behoudens tegenbewijs.

2. Kleding en lijfsieraden worden geacht eigendom te zijn van de echtgenoot die deze goederen gebruikt of tot wiens gebruik zij bestemd zijn, behoudens tegenbewijs.

Geschil met betrekking tot goederen

Artikel 3

Tussen de echtgenoten kan een geschil bestaan met betrekking tot de vraag aan wie van hen roerende zaken of rechten aan toonder toebehoren, die niet onder de werking van een bewijsovereenkomst vallen. Indien geen van hen zijn rechten op die goederen kan bewijzen, worden deze geacht aan ieder van de echtgenoten voor de helft toe te behoren.

Vergoedingsrechten

Artikel 4

1. Indien een echtgenoot met behulp van vermogen van de andere echtgenoot een tot zijn eigen vermogen behorend goed verkrijgt, of indien met behulp van vermogen van de andere echtgenoot een schuld ter zake van een tot zijn eigen vermogen behorend goed wordt voldaan of afgelost, ontstaat voor de eerstgenoemde echtgenoot een plicht tot vergoeding.

2. De vergoeding beloopt een deel van de waarde van het goed op het tijdstip van de voldoening ervan, evenredig aan het aandeel afkomstig uit het vermogen van de andere echtgenoot of uit dat vermogen afgelost hetzij in de tegenprestatie waarvoor het goed is verkregen hetzij in de waarde van het goed op het tijdstip van voldoening of aflossing uit het vermogen van de andere echtgenoot. De vergoeding heeft ten minste het beloop van de nominale waarde, indien het vermogen van de andere echtgenoot zonder dienst toestemming door de ene echtgenoot is aangewend op de wijze bedoeld in het eerste lid.

(…)

Artikel 11

Rechtskeuze

De vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk zullen worden beheerst door Nederlands recht.

(…)

Vorderingen op grond van de huwelijkse voorwaarden

Vergoedingsvordering man op vrouw van € 2.312.848,78

De man heeft verzocht de vrouw te gelasten tot betaling van een bedrag van € 2.312.848,78 (€ 2.026.138,50 + € 57.911,71 + € 228.798,57) aan de man.

De man voert ter onderbouwing van zijn verzoek het volgende aan. Beide partijen handelen in Chinees antiek. De man vanuit Hong Kong en Nederland en de vrouw vanuit Hong Kong /China. Partijen zijn gehuwd onder koude uitsluiting. Vermogens, inkomsten en schulden bleven strikt gescheiden, behoudens eventuele expliciete uitzonderingen. De verkoopopbrengsten van de man werden wel naar de vrouw gesluisd. Dit had als doel minder belasting te betalen en met dit geld onroerend goed aan te kopen in China en Hong Kong . De man heeft aanzienlijke bedragen aan de vrouw ter beschikking gesteld en erop vertrouwd dat onroerend goed met zijn middelen werd aangekocht. De man erkent dat het onroerend goed op naam van de vrouw en haar zoon staat. In China en ook Hong Kong is het alleen mogelijk om onroerend goed aan te schaffen en op naam te zetten als iemand de Chinese nationaliteit heeft. De vrouw bezit deze wel, de man niet. Daarom staat het onroerend goed van partijen, zijnde zes objecten, op naam van de vrouw en haar zoon. De man heeft echter zijn vermogen ingebracht voor de aanschaf van alle zes de objecten. De man heeft ter onderbouwing van zijn stelling overzichten overgelegd van bedragen die hij in de periode 2012 tot en met 2024 ten laste van zijn privévermogen aan de vrouw direct of indirect heeft overgemaakt. In totaal is er in de periode van 2012 tot en met 2023 € 2.026.138,50 overgemaakt aan de vrouw. De man heeft in totaal nog eens € 57.911,71 aan de vrouw overgemaakt met als doel sparen voor onroerend goed. Ook heeft de man in 2005, 2008 en 2010 bedragen overgemaakt naar de bankrekening van de vrouw onder verschillende titels of zonder titel, voor een totaalbedrag van € 228.798,57.

De man geeft aan dat geen van deze overboekingen een andere grondslag hadden dan het verplaatsen van vermogen van de man naar de vrouw ten behoeve van de aanschaf van onroerend goed in een later stadium. Op de Chinese bankrekening van de vrouw werd vermogen gespaard om op een later moment, als er voldoende was om de financiering rond te maken, ook daadwerkelijk tot de aanschaf over te gaan. De vrouw maakte onvoldoende winst in haar eigen onderneming om de aanschaf van de verschillende onroerende zaken te bekostigen. De onroerende zaken zijn dus met het vermogen van de man aangekocht.

De man stelt dat op grond van artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden hieruit een vergoedingsrecht voor hem is ontstaan. Een vergoeding die minimaal gelijk is aan de som van de bedragen welke uit zijn onderneming zijn onttrokken ter financiering van het onroerend goed in China.

Nu het onroerend goed op naam van de vrouw staat, heeft hij een informatieachterstand en geen mogelijkheid om meer informatie te verzamelen. De man verzoekt dan ook om een bewijslastomkering.

De vrouw voert verweer. De vrouw betwist dat partijen in de loop der jaren gezamenlijk het geld hebben verdiend om de onroerende zaken aan te schaffen. De vrouw heeft de onroerende zaken in Hong Kong en China gekocht met haar eigen middelen. Al sinds voor het huwelijk investeert de vrouw in onroerende zaken en verdient zij geld met haar investeringen daarin. De vrouw is vermogend en leidt een financieel gezonde onderneming waar zij winsten mee behaalt. De vrouw betwist dat zij de man financieel nodig had voor de aanschaf van onroerende goederen. Bovendien zijn een deel van de onroerende zaken voor aanvang van het huwelijk gekocht. Verder merkt de vrouw nog op dat het niet zo is dat alleen Chinezen onroerend goed in Hong Kong kunnen kopen.

Bovendien zijn de gelden volgens de vrouw overgemaakt als verschuldigde opbrengsten in het kader van de verkoop van goederen. De door de man overgelegde documenten zien op zakelijke transacties die de vrouw in het kader van haar onderneming heeft verricht. De bewijsstukken waar de man naar verwijst zijn overschrijvingsrecords van klanten die betalingen deden aan het bedrijf van de vrouw in Hong Kong . De bedragen die de man aan de vrouw over heeft gemaakt zijn gebaseerd op de verkoop van antieke goederen van de vrouw door de man (zogenaamde consignatieverkopen). Gelet op het voorgaande bestaat er volgens de vrouw geen grondslag het verzochte bedrag aan de man te betalen en dient het verzoek dan ook te worden afgewezen.

De man beroept zich op artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, de man niet – dan wel onvoldoende – heeft aangetoond dat er met vermogen van de man is geïnvesteerd in onroerende zaken van de vrouw. Weliswaar heeft de man aangetoond dat hij verschillende bedragen aan de vrouw heeft voldaan (veelal met de omschrijving ‘invoice’ en ‘consignatie’), maar dat deze gelden vervolgens zijn aangewend om onroerend goed aan te kopen heeft de man onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Uit niets blijkt dat partijen overleg hebben gevoerd over het investeren van deze gelden in vastgoed in China. De man heeft in dit kader nog verzocht de bewijslast in dit geval om te keren, maar de enkele omstandigheid dat bewijs moeilijk is te leveren, is onvoldoende voor een bewijslastomkering. Bovendien verkeert de man thans in bewijsnood mede doordat hij op verschillende manieren zijn verkoopopbrengst buiten het zicht van de Nederlandse fiscus heeft willen houden. Dat hij hierdoor thans in bewijsnood verkeert, komt voor zijn eigen rekening en risico. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen.

Vergoedingsvordering vrouw op man van € 200.000,- (wegens woning [adres] )

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag ter hoogte van € 200.000,- verschuldigd is in het kader van haar bijdrage in de woning van de man aan de [adres] .

De vrouw voert daartoe aan dat zij in de woning heeft geïnvesteerd en dat op grond van artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden een vergoedingsrecht is ontstaan. Hoewel er een in de Engelse taal geformuleerde kwijtscheldingsovereenkomst tussen partijen bestaat, is zij van mening dat zij dit bedrag niet heeft kwijtgescholden. De vrouw beheerste destijds de Engelse taal onvoldoende om de inhoud en rechtsgevolgen van de overeenkomst te kunnen overzien. De vrouw heeft bij ondertekening vertrouwd op de uitleg van de man, zonder zich bewust te zijn van de juridische consequenties. De vrouw heeft de inhoud van de overeenkomst niet begrepen.

Voor zover voorgaande niet wordt gevolgd, beroept de vrouw zich op artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden. Nu vaststaat dat de man met behulp van het vermogen van de vrouw, te weten € 200.000,-, een tot zijn eigen vermogen behorend goed heeft verkregen, althans dat met het vermogen van de vrouw een schuld ter zake van een aan de man toebehorend goed is voldaan of afgelost, rust op de man een verplichting tot vergoeding van ten minste de nominale waarde van het door de vrouw aangewende vermogen, te weten € 200.000,-.

Daarbij komt, dat indien partijen wensen af te wijken van de inhoud van de huwelijkse voorwaarden, dit bij notariële akte dient te geschieden. Van een dergelijke notariële vastlegging is geen sprake geweest. Aan deze kwijtscheldingsovereenkomst kan daarom geen rechtsgevolg worden verbonden. Gelet op vorengaande is de man aan de vrouw een bedrag van € 200.000,- verschuldigd.

De man voert verweer. De man bezit een woning in [plaats] aan de [adres] . De man woont ook op dit adres. Voor de aanschaf van deze woning heeft de man geld geleend van de vrouw. Deze lening is vastgelegd in een overeenkomst van 11 februari 2016. Op 15 december 2016 is deze lening kwijtgescholden. De man volgt de stelling van de vrouw niet dat de kwijtgescholden lening alsnog dient te worden terugbetaald. De lening was bedoeld om vermogen tussen partijen te verschuiven en was slechts op papier een lening. Het bedrag behoorde in werkelijkheid al aan de man toe. De vrouw heeft de lening kwijtgescholden, omdat dit bedrag al van de man was. De vrouw kon de overeenkomst goed begrijpen. De vrouw doet internationaal zaken. De man stelt zich op het standpunt dat de kwijtschelding van de vermeende lening als bevrijdend dient te worden gezien en dat de lening niet meer bestond op het moment van ontbinding van het huwelijk/afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank zal dit verzoek van de vrouw afwijzen. De reden daarvoor is dat de rechtbank uitgaat van de door beide partijen ondertekende kwijtscheldingsovereenkomst van 15 december 2016. Dat de vrouw de door haar ondertekende overeenkomst niet zou hebben begrepen, heeft zij naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de vrouw met haar onderneming (internationaal) handelt en dat wordt aangenomen dat zij met haar ervaring en zakelijk inzicht geen stukken ondertekent die zij niet begrijpt. Bovendien is het voor de rechtbank onbegrijpelijk waarom de vrouw de inhoud van de geldleenovereenkomst wel kan begrijpen, maar de inhoud van de kwijtscheldingovereenkomst niet.

Ook gaat de rechtbank voorbij aan het standpunt van de vrouw dat er op grond van de huwelijkse voorwaarden een vergoedingsrecht is ontstaan. Er is geen vergoeding verschuldigd voor zover door de verkrijging, voldoening of aflossing ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot wordt voldaan aan een op die echtgenoot rustende verbintenis. Partijen hebben een leningsovereenkomst en kwijtscheldingsovereenkomst gesloten.

Overige vorderingen

Vordering vrouw op man van € 185.087,- (terugbetaling geleende geldbedragen)

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag van € 185.087,- dient terug te betalen. De vrouw voert hiertoe aan dat zij de man in de jaren 2010-2011 (€ 72.800,-) en in 2022-2023 (€ 59.287,-) geld heeft geleend. Daarnaast heeft de vrouw op 3 november 2016 een geldlening verstrekt aan de man van € 8.000,- en op 22 juni 2017 van € 45.000,-. Volgens de vrouw heeft de man de geleende bedragen nog niet aan de vrouw terugbetaald.

De man betwist dat de door de vrouw aan hem betaalde bedragen leningen waren. Het waren zijn eigen inkomsten die hij via de bankrekening van de vrouw aan zichzelf liet uitkeren. De inkomsten van de man kwamen veelal op de bankrekening van de vrouw binnen. Soms werden zijn eigen inkomsten, verdiend met opbrengsten uit verkoop van zijn goederen, onder de titel “lening” aan hem overgemaakt.

De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar bankafschriften, door haar overgelegd als bijlagen 10, 36 en 37. Uit bijlage 10 van de vrouw zou een lening ten bedrage van € 72.800,- moeten kunnen worden afgeleid alsmede een lening van € 59.287,-. De rechtbank overweegt dat bijlage 10 bestaat uit (bank)afschriften van de Hang Seng Bank en van de ING. Enkel de bankafschriften van ING zijn voor de rechtbank leesbaar. De bankafschriften van de Hang Seng Bank zijn grotendeels in het Chinees en niet vertaald en dus voor de rechtbank niet te volgen. De afschriften van de ING laten acht overschrijvingen zien van de vrouw aan de man uit 2022 en 2023 van in totaal € 59.287,- met vermelding ‘lening’. Bijlage 36 en bijlage 37 bestaan uit twee (bank)afschriften met een vertaling waaruit de overschrijving van de vrouw aan de man volgt van € 45.000,- en € 8.000,- met als beschrijving ‘geldlening’ en ‘lening voor betaling losgeld antiek’.

Tussen partijen is in geschil of de bedragen door de vrouw aan de man zijn overgemaakt ten titel van een lening. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, is de rechtbank van oordeel dat het enkel overleggen van bankafschriften waarop te zien is dat door de vrouw ‘lening’ in de vermelding is opgenomen, onvoldoende is om aan te nemen dat er sprake is van een leenovereenkomst tussen partijen. Dit mede gelet op het feitencomplex in deze zaak waarbij partijen welbewust op verschillende manieren de Nederlandse fiscus hebben geprobeerd te omzeilen. Om die reden hecht de rechtbank weinig waarde aan een enkele beschrijving op een bankafschrift. Het had op de weg van de vrouw gelegen om de onderliggende leenovereenkomsten te overleggen, dan wel anderszins aannemelijk te maken dat sprake was van een leenovereenkomst tussen partijen. Op de overgelegde stukken is uitsluitend haar vermelding van de overschrijving te lezen en dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om op grond daarvan te bepalen dat de bedragen moeten worden terugbetaald. Het verzoek van de vrouw wordt dan ook afgewezen.

Vordering vrouw op man van € 64.500,- en HKD 1.514.100,-

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag van € 64.500,- en HKD 1.514.100,- betaalt ten behoeve van aangekochte goederen bij de vrouw, althans de man te veroordelen tot een bedrag in goede justitie te bepalen. De vrouw voert aan dat de man het aankoopbedrag van de goederen van de vrouw niet heeft voldaan.

De man voert verweer en betwist hetgeen door de vrouw is gesteld. Ook in onderhavig geval betrof dit een constructie om inkomsten buiten het zicht van de Nederlandse fiscus te houden en om zodoende vermogen naar de vrouw over te hevelen.

Vast staat dat beide partijen als ondernemers handelen in (Chinese) antiquiteiten. Sinds 1988 handelt de man met zijn onderneming (eenmanszaak) [bedrijf 1] . De vrouw handelt sinds 1995, waarbij haar onderneming over de jaren heen verschillende keren van naam is gewijzigd ( [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] ). Partijen werken inmiddels 30 jaar samen. Partijen hebben thans de wens zich zakelijk van elkaar te ontvlechten. Partijen verschillen van mening aan wie welke goederen toebehoren en welke vordering zij in dit kader over en weer op elkaar hebben.

De rechtbank overweegt als volgt. Bij de beoordeling van de verzoeken van partijen stelt de rechtbank het volgende voorop. Deze procedure betreft de echtscheidingsprocedure tussen partijen. Ingeval de echtscheiding wordt uitgesproken, kan de rechtbank op grond van artikel 827 lid 1 Rv de daarin genoemde nevenvoorzieningen treffen. Een nevenvoorziening kan ook betreffen een andere voorziening dan bedoeld in de onderdelen a tot en met e, mits deze voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding en niet te verwachten is dat de behandeling daarvan tot onnodige vertraging leidt (sub g). Volgens de parlementaire geschiedenis gaat het om kwesties die vanwege hun tamelijk eenvoudige aard naar verwachting de procedure niet zullen ophouden. Uit voormeld wettelijk kader volgt, kort gezegd, dat sprake dient te zijn van voldoende samenhang én van een kwestie van eenvoudige aard.

Vaststaat dat deze vordering tot betaling geen nevenvoorziening is als bedoeld in artikel 827 Rv, eerste lid sub a tot en met f. Deze vordering valt naar het oordeel van de rechtbank ook niet onder artikel 827 Rv, eerste lid sub g. De vordering tot betaling van handelsgoederen komt immers voort uit de rechtsbetrekking tussen partijen in hun hoedanigheid als ondernemers (antiekhandelaren).

Tijdens de mondelinge behandeling is uitdrukkelijk aan de orde geweest dat het zakelijke geldstromen tussen partijen zijn geweest. Dit staat geheel los van het huwelijk en de onderhavige echtscheidingsprocedure, te meer nu er vanwege de huwelijkse voorwaarden een koude uitsluiting tussen partijen bestaat. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van onvoldoende samenhang met het verzoek tot echtscheiding en dat het bovendien gelet op het partijdebat geen vordering is van eenvoudige aard. De vrouw kan dan ook niet worden ontvangen in haar verzoek tot betaling. Dit betekent dat de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van dit verzoek niet toekomt.

Vordering vrouw op man van € 349.029,- (wegens zakelijk geschil [naam 2] )

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man aan de vrouw € 349.029,- betaalt voortvloeiend uit het zakelijke geschil van partijen met de heer [naam 2] , althans een bedrag aan de vrouw betaalt in goede justitie te bepalen. Ter onderbouwing van haar verzoek stelt de vrouw dat zij ook voor de helft gerechtigd is tot de financiële afwikkeling wegens een gezamenlijk zakelijk geschil met de heer [naam 2] . De financiële verdiensten uit dit geschil waren € 1.908.256,- en zouden onderling tussen de man en de vrouw worden verdeeld. De vrouw stelt dat het bedrijf van de vrouw slechts € 605.099,- heeft ontvangen, en de man het restant, zodat de man aan de vrouw nog een bedrag van € 349.029,- verschuldigd is.

De man voert verweer en voert aan dat het een zakelijk geschil betrof tussen de man en de heer [naam 2] , waarbij de vrouw geen partij was. De vrouw onderbouwt dan ook niet op grond waarvan zij gerechtigd zou zijn tot de helft van € 1.908.256,-.

De rechtbank overweegt als volgt. Ook ten aanzien van dit verzoek is de rechtbank van oordeel dat sprake is van onvoldoende samenhang met de echtscheidingsprocedure, het betreft immers een zakelijk geschil. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat, gelet op het partijdebat, het geen vordering is van eenvoudige aard. De vrouw kan dan ook niet worden ontvangen in haar verzoek. Dit betekent dat de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van dit verzoek niet toekomt.

Vordering vrouw op man van € 15.000,- (compensatie schadeclaim [naam 2] )

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man aan de vrouw € 15.000,- betaalt als compensatie aan de vrouw voortvloeiend uit de schadeclaim van de heer [naam 2] , althans een bedrag aan de vrouw betaalt in goede justitie te bepalen. Zij voert hiertoe aan dat de heer Nieuwenhuis een financiële claim op partijen had ter hoogte van € 200.000,-, maar dat dit bedrag niet door partijen bij helfte is betaald. De vrouw heeft een bedrag van € 115.000,- betaald en de man € 85.000,-. De vrouw vordert daarom een bedrag van € 15.000,- ter compensatie.

De man voert verweer. Volgens de man betrof dit een zakelijk geschil tussen de man en de heer [naam 2] . Omdat de man in Nederland niet over voldoende liquide middelen beschikte om aan de betalingsverplichting te voldoen en het spaargeld van de man op een bankrekening op naam van de vrouw in Hong Kong stond, is een deel van de vordering betaald via de bankrekening van de vrouw.

De rechtbank overweegt als volgt. Ook ten aanzien van dit verzoek is de rechtbank van oordeel dat sprake is van onvoldoende samenhang met de echtscheidingsprocedure, het betreft immers een zakelijk geschil. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat, gelet op het partijdebat, het geen vordering is van eenvoudige aard. De vrouw kan dan ook niet worden ontvangen in haar verzoek. Dit betekent dat de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van dit verzoek niet toekomt.

Geschillen met betrekking tot goederen

Verzoek man afgifte persoonlijke goederen en handelsgoederen

De man verzoekt de vrouw te gelasten de persoonlijke goederen en handelsgoederen van de man zoals opgesomd in de vrachtbrief (productie 11) en onder randnummer 51 tot en met 59 (producties 20 tot en met 27) aan de man te overhandigen. De man heeft circa augustus 2021 een deel van zijn persoonlijke goederen, waaronder goederen die hij heeft verkregen uit de nalatenschap van zijn ouders, verscheept naar de woning van partijen in Hong Kong . De man verzoekt de vrouw deze goederen weer aan hem te doen toekomen.

De vrouw voert verweer. De man toont met de door hem overgelegde lijst (als productie 11) niet aan dat het gaat om goederen die toebehoren aan de man. Bovendien stelt de vrouw dat indien de man al goederen zou hebben verscheept naar Wuhan (China), hij hiervan geen bewijs heeft overgelegd. Ook heeft de man geen bewijs overgelegd dat de persoonlijke goederen van de man op dit moment in het bezit van de vrouw zouden zijn. Het voorgaande leidt volgens de vrouw tot de conclusie dat het verzoek van de man dient te worden afgewezen.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt voorop dat onderscheid dient te worden gemaakt tussen de persoonlijke goederen van de man en de handelsgoederen van de man. De rechtbank is van oordeel dat geschillen over handelsgoederen, daaronder begrepen ook de betwiste juwelen als handelsgoederen, onvoldoende samenhangen met de echtscheidingsprocedure. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat gelet op het partijdebat het geen vordering is van eenvoudige aard. De man kan dan ook niet worden ontvangen in dit gedeelte van zijn verzoek. Dit betekent dat de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van dit gedeelte van het verzoek niet toekomt.

Voor zover het persoonlijke goederen betreffen, overweegt de rechtbank als volgt. In geschil is tussen partijen of er persoonlijke goederen van de man bij de vrouw in China zijn, zoals door de man gesteld en door de vrouw betwist. Op grond van de door de man als productie 23 overgelegde e-mail van de man aan de vrouw, kan de rechtbank niet vaststellen dat er persoonlijke goederen van de man in China zijn. Ook volgt dit niet uit de door de man als producties 11 overgelegde Packing List Wuhan . Gelet op het voorgaande wordt het verzoek van de man, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, als onvoldoende onderbouwd afgewezen.

Verzoeken vrouw teruggave/verdeling goederen

De vrouw heeft verzocht:

te bepalen dat de man binnen twee weken na de beschikking aan de vrouw de goederen die haar eigendom zijn, teruggeeft;

te bepalen dat de man wordt veroordeeld tot teruggave van de goederen zoals beschreven onder punt 24 van het verweerschrift van de vrouw van 6 februari 2025 en welke is aangevuld met bijlage 23 in de akte van 13 januari 2026, binnen twee weken na datum beschikking;

te bepalen dat alle antieke goederen waarvan beide partijen niet het eigendom kunnen bewijzen, voor een gelijk deel worden verdeeld tussen partijen;

te bepalen dat alle goederen in de woning van de man, waarvan beide partijen niet het eigendom kunnen bewijzen, voor een gelijk deel worden verdeeld tussen partijen;

de man te bevelen dat de man de ordner teruggeeft aan de vrouw binnen een week na datum beschikking;

te bepalen dat de man de bank en de Dyson teruggeeft aan de vrouw binnen twee weken na datum beschikking.

De man voert verweer.

De rechtbank overweegt als volgt. Voor zover de verzoeken van de vrouw zien op de goederen die betrekking hebben op het zakelijk vermogen van de vrouw, is de vrouw net als hiervoor overwogen bij de man, niet-ontvankelijk. Hierop is bovendien artikel 2 en niet, zoals de vrouw stelt, artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden van toepassing. De rechtbank komt dan ook aan een inhoudelijke beoordeling van dit gedeelte van haar verzoek niet toe.

Voor zover het hier gaat om privégoederen is wel artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden van toepassing. De vrouw heeft evenwel nagelaten te concretiseren om welke goederen het gaat en of de goederen zoals door de vrouw genoemd handelsgoederen danwel privégoederen betreffen, zodat de man zich hiertegen ook niet kan verweren. Gelet op het feit dat partijen in koude uitsluiting met elkaar zijn gehuwd en er ook geen gemeenschap van inboedel bestaat, had het op de weg van de vrouw gelegen om aan te geven om welke specifieke (inboedel)goederen het gaat. Gelet hierop wijst de rechtbank deze verzoeken van de vrouw als onvoldoende bepaalbaar af.

Ten aanzien van de ordner stelt de vrouw dat de man de ordner in zijn bezit heeft, hetgeen door de man wordt betwist. De rechtbank kan niet vaststellen of en waar de ordner is, zodat de rechtbank het verzoek van de vrouw tot afgifte daarvan afwijst.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man toegezegd dat de vrouw de bank en de Dyson mag hebben. De rechtbank zal dit verzoek van de vrouw dan ook toewijzen.

Ingetrokken verzoeken

De man heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn verzoeken ingetrokken die zien op het inzicht verschaffen in de huuropbrengsten en het delen van de huuropbrengsten van de onroerende zaken in Hong Kong en China. Gelet hierop ligt er geen verzoek ter zake meer voor waar de rechtbank op dient te beslissen.

Proceskosten

Gelet op de aard van het geschil zal de rechtbank de proceskosten tussen partijen compenseren.

4. De beslissing

De rechtbank:

In de zaak met zaaknummer C/13/757095 / FA RK 24-6433:

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te Hong Kong op 27 januari 2008;

bepaalt dat elk der partijen de eigen proceskosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

In de zaak met zaaknummer C/13/757095 / FA RK 24-6433:

verklaart de man niet ontvankelijk in het volgende verzoek:

- het verzoek de vrouw te gelasten handelsgoederen aan de man te overhandigen;

verklaart de vrouw niet ontvankelijk in de volgende verzoeken:

het verzoek te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag van € 64.500,- en HKD 1.514.100,- dient te betalen ten behoeve van door de man aangekochte goederen bij de vrouw;

het verzoek te bepalen dat de man aan de vrouw € 349.029,- dient te betalen in verband met het zakelijke geschil van partijen met de heer [naam 2] ;

het verzoek te bepalen dat de man aan de vrouw € 15.000,- dient te betalen als compensatie aan de vrouw ten aanzien van de schadeclaim van de heer [naam 2] ;

het verzoek de man te gelasten handelsgoederen aan de vrouw te overhandigen;

bepaalt dat de man de bank en de Dyson teruggeeft aan de vrouw binnen twee weken na de datum van deze beschikking;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat elk der partijen de eigen proceskosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.P. Lauwaars, voorzitter tevens rechter, mr. C.M. Mellema en mr. M.R. Kremer, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.K. Soeters op 21 april 2026.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. F.P. Lauwaars
  • mr. C.M. Mellema
  • mr. M.R. Kremer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand